Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
NL20.5786
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel, Dublin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5786


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

In verband met de uitbraak van het coronavirus en om het besmettingsgevaar zoveel mogelijk in te perken, heeft de rechtbank op 25 maart 2020 partijen gevraagd of zij deze zaak louter schriftelijk of (mede) via een telefonische verbinding willen laten behandelen. De telefonische behandeling vindt dan plaats door middel van een zogenoemde conference call. Eiser heeft op 25 maart 2020 aangegeven dat een telefonische zitting gewenst is. Verweerder heeft op 31 maart 2020 hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.5787, in de vorm van een conference call plaatsgevonden op 29 mei 2020. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

1.1

In dit geval heeft Nederland op 30 januari 2020 bij Italië een verzoek om terugname gedaan, omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 13 januari 2016 in Italië een asielverzoek heeft ingediend. Italië heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat sinds 14 februari 2020.

2. Verweerder heeft primair, zoals nader toegelicht ter zitting, verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden en de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. De overdrachtstermijn van zes maanden op grond van de Dublinverordening zal namelijk in deze zaak op 14 augustus 2020 verstrijken. De overdracht van asielzoekers in het kader van de Dublinverordening is door het corona-virus echter tijdelijk opgeschort. Het gaat om een tijdelijk beletsel voor de feitelijke overdracht en de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit (en de reeds tot stand gekomen verantwoordelijkheidsvaststelling tussen de lidstaten) wordt in zoverre hierdoor niet geraakt. De Dublinverordening voorziet echter niet in de mogelijkheid om in buitengewone omstandigheden, zoals de onderhavige, van de voorgeschreven overdrachtstermijnen af te wijken. Door het toewijzen van de voorlopige voorziening en het aanhouden van het beroep wordt de overdrachtstermijn echter gestuit, zodat verweerder, als de feitelijke overdracht weer mogelijk is, eiser aan Italië kan overdragen.

2.1

De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding af. Vooropgesteld dient te worden dat in de considerans van de Dublinverordening (de punten 4 en 5) wordt aangegeven dat het doel van de Dublinverordening met name is om snel te kunnen vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen. Voorts heeft de Europese Commissie in de “Mededeling van de Commissie – COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging” van 17 april 2020 (2020/126/02) het volgende aangegeven: “Wanneer een overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, verschuift de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de Dublinverordening naar de lidstaat die om de overdracht heeft verzocht. De verordening bevat geen bepaling die toestaat van deze regel af te wijken in een situatie zoals die welke als gevolg van de COVID-19-pandemie is ontstaan.” Daarmee is niet te verenigen dat het beroep, en dus de beoordeling van het overdrachtsbesluit, wordt aangehouden enkel om de overdrachtstermijn te stuiten terwijl de omvang van het geschil verder duidelijk is en verweerder zich ook op het standpunt stelt dat het besluit rechtmatig is en inhoudelijk kan worden beoordeeld. De rechtbank zal het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op de ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Verweerder had nader onderzoek moeten verrichten naar met name de opvangvoorzieningen in Italië. Door de grote vluchtelingenstomen zijn de opvangcentra in Italië overvol. In dat kader verwijst eiser naar het rapport van de The Migrant Project van februari 2018. In een tijd als deze, waarin het sociale leven in grote delen van Italië volkomen ontregeld is vanwege het coronavirus en waarin mensen elkaar angstvallig ontwijken om besmetting te voorkomen, zou het getuigen van ongekende hardheid om eiser terug te sturen naar Italië. Bij terugkeer naar Italië loopt eiser een reële kans op een behandeling in strijd met de artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). In dat verband voert eiser aan dat hij in Italië op straat werd gezet en moest bedelen om in leven te blijven. Bij terugkeer zal hij wederom dakloos worden en in omstandigheden van extreme deprivatie terecht komen. Eiser stelt dat hij in Italië, met zijn geladen politieke klimaat, geen kans maakt op een faire behandeling van zijn asielaanvraag.

3.1

Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ernstige, op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Italië een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest zal lopen bij zijn overdracht of als gevolg daarvan. Ten aanzien van het coronavirus stelt verweerder dat Italië bij brief van 25 februari 2020 heeft aangegeven dat de Dublinoverdrachten van en naar Italië tijdelijk worden opgeschort, zodat zij alle nodige voorzorgsmaatregelen die nodig zijn kunnen implementeren. Het persoonlijk relaas van eiser biedt verder ook geen indicaties voor het oordeel dat de asielprocedure in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Bij voorkomende problemen in Italië kan eiser zich wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Italië hem niet zouden kunnen of willen helpen.

3.2

De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraken van 19 december 20181 en 12 juni 20192 heeft geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De lijn in deze uitspraken is recent bevestigd door de Afdeling in een drietal uitspraken van 8 april 20203. Door eiser is niet aannemelijk gemaakt dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, zodat eiser niet kan worden overgedragen aan Italië. De verwijzing naar het rapport The Migrant Project uit 2018 is daartoe onvoldoende omdat dit rapport gedateerd is en de Afdeling in voornoemde uitspraken recenter informatie over Italië heeft betrokken en beoordeeld. Verweerder heeft zich voorts in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt gesteld dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag worden gegaan dat het zorgsysteem in Italië dezelfde behandelmogelijkheden biedt als het zorgsysteem in Nederland. Eiser heeft niet onderbouwd dat de uitbraak van het corona-virus grond vormt om hier anders over te oordelen. Ook uit het persoonlijk relaas van eiser kan niet worden afgeleid dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, nu eiser het gestelde niet met stukken heeft onderbouwd. Het ligt bovendien op de weg van eiser om, indien hij in Italië problemen ervaart of meent dat Italië zich niet houdt aan de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en/of de Procedurerichtlijn, zich te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten in Italië dan wel geëigende instanties. Dat klagen voor eiser onmogelijk, uiterst moeilijk dan wel zinloos is, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond faalt.

4. Verder doet eiser een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening, omdat terugzending naar Italië van onevenredige hardheid zou zijn. Eiser is een beschadigde, mogelijk getraumatiseerde jonge man. Tijdens zijn detentie in Italië verbleef hij onder gruwelijke omstandigheden.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor van de overdracht aan de Italië moet worden afgezien. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden zijn niet dusdanig bijzonder dat zij tot de conclusie zouden moeten leiden dat er sprake is bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. De stelling dat eiser een beschadigde en mogelijk getraumatiseerde jonge man is, is immers niet op enigerlei wijze onderbouwd.
5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:NL:RVS:2018:4131

2 ECLI:NL:RVS:2019:1861

3 ECLI:NL:RVS:2020:986, ECLI:NL:RVS:2020:987 en ECLI:NL:RVS:2020:1032