Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
C/09/592401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Echtscheidingssituatie. Moeder wordt veroordeeld posts op LinkedIn over huiselijk geweld te verwijderen, nu die zijn te herleiden tot de vader en dit medium daarvoor niet geschikt is. Vervangende toestemming inschrijving basisschool verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/592401 / KG ZA 20-378

Vonnis in kort geding van 5 juni 2020

in de zaak van

[de vader] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. G. van der Steen te Den Haag ,

tegen:

[de moeder] te [plaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. F. Brouwer te Amsterdam .

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vader’ en ‘de moeder’.

1 De procedure

1.1.

Vanwege de coronacrisis geldt voor procedures in kort geding tijdelijk een van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie afwijkende regeling. Op grond van deze regeling heeft de voorzieningenrechter dit kort geding aangemerkt als een zeer urgente zaak en beslist dat de procedure grotendeels schriftelijk zal verlopen.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 15;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 21.

1.3.

Na bestudering van deze stukken heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien partijen te horen alvorens vonnis te wijzen. Voorafgaand aan het horen heeft de voorzieningenrechter nog ontvangen:

- producties 22 en 23 van de zijde van de moeder;

- producties 16 tot en met 18 van de zijde van de vader.

1.4.

Het horen van partijen heeft plaatsgevonden op 29 mei 2020 via een beeldverbinding waarbij de vader, de moeder en hun beider advocaten aanwezig waren.

1.5.

Ter zitting is vonnis bepaald op 5 juni 2020.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd en zijn op dit moment verwikkeld in een echtscheidingsprocedure bij deze rechtbank (zaakkenmerk C/09/590566 / FA RK 20-1831). Partijen zijn samen de ouders van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , gezamenlijk: de kinderen). Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

2.2.

Deze rechtbank heeft op 14 februari 2020 een tweetal beschikkingen gegeven tussen partijen. In de beschikking met zaakkenmerk C/09/587285 / FA RK 20-226 is het verzoek van de moeder om vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats 2] te mogen verhuizen afgewezen. In de beschikking voorlopige voorzieningen met zaakkenmerk C/09/584725 FA RK 19-9110 is aan moeder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegekend, zijn de kinderen aan de moeder toevertrouwd en er is een zorgregeling met de vader vastgesteld waarbij de kinderen wekelijks bij de vader zijn van woensdag uit school tot donderdag naar school en eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school. Deze laatstgenoemde beschikking is op 15 april 2020 aangevuld met een vakantieregeling.

2.3.

De moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking waarbij haar verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing met de kinderen naar [plaats 2] is afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

De vader vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming van de moeder voor de inschrijving van [minderjarige 2] op basisschool de [basisschool] in [plaats 1] ;

II. te bepalen dat de moeder met onmiddellijke ingang de door haar geplaatste berichten en/of uitingen op internet, dan wel social media, zoals getoond onder productie 11 van de dagvaarding en eventuele overige de vader belastende berichten en/of uitingen, dient te verwijderen en verwijderd dient te houden, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de moeder verzuimt voornoemde berichten te verwijderen;

III. de moeder te verbieden zich jegens de vader schuldig te maken aan smaad, smaadschrift en/of laster, in die zin dat het haar wordt verboden zich in woord, geschrift of afbeelding uit te laten over haar beweerdelijk aangedaan huiselijk geweld of uitingen van gelijke aard of strekking en te bepalen dat bij overtreding van dit verbod een direct opeisbare dwangsom zal worden verbeurd aan de vader van € 1.000,- per overtreding;

IV. de moeder te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. [minderjarige 2] wordt op [geboortedatum 2] aanstaande vier jaar en partijen hebben altijd voor ogen gehad dat [minderjarige 2] op die leeftijd zou starten op de [basisschool] , waar haar broer [minderjarige 1] ook naartoe gaat. Omdat de moeder blijft vasthouden aan haar wens om met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen, weigert zij toestemming te verlenen om [minderjarige 2] in te schrijven. Hierdoor loopt [minderjarige 2] het risico dat zij komend schooljaar niet kan starten op de basisschool, wat niet in haar belang is. Daarnaast blijft de moeder op internet en tegen haar (en ook vaders) omgeving vertellen dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld, wat een leugen is. De vader wil dat de moeder ophoudt met deze leugens te verspreiden, met name nu ook zijn werkomgeving en de hulpverlening hierdoor een onjuist beeld van de vader krijgt.

3.3.

De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

4.1.

De moeder betwist dat de vader een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Van een spoedeisend belang is sprake als van een procespartij niet kan worden gevergd dat hij een uitspraak in een bodemprocedure afwacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit hier het geval. Vast staat dat de [basisschool] voorlopig een plaats voor [minderjarige 2] heeft gereserveerd. Uit de door de vader overgelegde correspondentie blijkt dat de school aanvankelijk uiterlijk op 31 mei 2020 uitsluitsel wilde over de vraag of [minderjarige 2] van die plaats gebruik zou maken. Nadat de vader de school heeft ingelicht over dit kort geding, heeft de school zich bereid verklaard de plaats nog even voor [minderjarige 2] vrij te houden. Anders dan de moeder heeft betoogd, blijkt uit de stukken niet dat de school de reservering tot in lengte van dagen vrijhoudt. Dit betekent dat de vader er belang bij heeft zo snel mogelijk aan de school te berichten of [minderjarige 2] van de gereserveerde plaats gebruik zal maken of niet.

Het spoedeisend belang van de vader bij zijn vordering wegens smaad en laster vloeit voort uit de aard van de vordering, en is door de moeder ook niet met zoveel woorden betwist. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de vader daarom inhoudelijk beoordelen.

Vervangende toestemming inschrijving school

4.2.

Partijen verschillen van mening of [minderjarige 2] met ingang van het nieuwe schooljaar moet worden ingeschreven op de [basisschool] . Volgens het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Vooruitlopend daarop kan de voorzieningenrechter in kort geding in spoedeisende zaken een ordemaatregel geven, waarbij de voorzieningenrechter - net als de rechtbank in de bodemprocedure - het belang van [minderjarige 2] tot uitgangspunt neemt.

4.3.

De moeder, die ervan uitgaat dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen in de bodemprocedure bij haar zal worden bepaald, is van mening dat het niet in het belang van [minderjarige 2] is dat zij na de zomervakantie naar de [basisschool] gaat. Zij voert aan dat zij hoe dan ook met de kinderen zal gaan verhuizen, het liefst naar [plaats 2] maar anders binnen (de regio) [plaats 1] . De echtelijke woning, waarin de moeder nu met de kinderen woont, is uitsluitend eigendom van de vader zodat zij daaruit zal moeten vertrekken en een woning in het centrum van [plaats 1] kan de moeder niet betalen. Dit betekent volgens de moeder dat [minderjarige 2] in korte tijd twee keer zal moeten starten op een basisschool, wat de moeder niet in het belang van [minderjarige 2] vindt.

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het wel in het belang van [minderjarige 2] is dat zij wordt ingeschreven bij de [basisschool] . Dit betekent dat de voorzieningenrechter de door de vader gevorderde vervangende toestemming zal verlenen, en wel om de volgende reden.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens hun relatie gezamenlijk hebben gekozen voor de [basisschool] als school voor hun kinderen. [minderjarige 1] gaat al naar deze school sinds hij vier jaar is, en het was aanvankelijk de bedoeling van beide partijen dat ook [minderjarige 2] na de zomervakantie naar de [basisschool] zou gaan. Gebleken is dat de moeder niet langer wil meewerken aan inschrijving van [minderjarige 2] op deze school omdat zij met de kinderen wil verhuizen, het liefst naar [plaats 2] , maar anders naar een ander deel van (de regio) [plaats 1] . In deze procedure moet echter worden uitgegaan van de huidige situatie, waarin de moeder met de kinderen woont in de voormalige echtelijke woning in [plaats 1] . De kinderrechter heeft het de moeder niet toegestaan om met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen. Weliswaar heeft de moeder tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld, maar de uitkomst van deze procedure is nog onzeker. Daarmee kan dus in dit kort geding geen rekening worden gehouden.

4.5.

De moeder heeft weliswaar terecht aangevoerd dat [minderjarige 2] pas leerplichtig is wanneer zij vijf jaar is, maar vast staat dat het altijd de bedoeling van partijen is geweest dat [minderjarige 2] naar school zou gaan vanaf het moment waarop zij vier wordt. Daarnaast heeft de moeder desgevraagd ter zitting meegedeeld dat zij niet beschikt over opvang voor [minderjarige 2] , als zij nog niet naar school zou gaan. [minderjarige 2] kan wanneer zij vier wordt niet meer naar de crèche, terwijl zowel de vader als de moeder vaak werkt en er ook geen andere opvang beschikbaar is. Dit alles maakt dat het in het belang is van [minderjarige 2] dat zij vanaf de start van het nieuwe schooljaar naar school gaat. Nu [minderjarige 2] vooralsnog woont in de nabije omgeving van de [basisschool] en de moeder geen bezwaren heeft geuit tegen deze school op zich, zal de voorzieningenrechter de vader vervangende toestemming verlenen om [minderjarige 2] op deze school in te schrijven.

4.6.

Als de moeder in hoger beroep alsnog toestemming zou verkrijgen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 2] , kan [minderjarige 2] zonder problemen weer worden uitgeschreven van de [basisschool] . Datzelfde geldt wanneer de moeder zou verhuizen naar een eigen woning in (de regio) [plaats 1] . In dat geval ligt het op de weg van partijen om met elkaar te overleggen welke school het beste past bij de kinderen. Dat betekent weliswaar dat [minderjarige 2] in dat geval van school zou moeten wisselen, maar dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder belastend voor [minderjarige 2] dan dat zij na de start van het schooljaar niet naar school gaat terwijl er geen opvang voor haar beschikbaar is.

Verbod belastende uitingen

4.7.

De vader vordert dat de moeder niet langer uitlatingen mag doen over het haar beweerdelijk aangedaan huiselijk geweld, op internet en daarbuiten. De vader grondt zijn vordering op onrechtmatige daad. Hij stelt dat de moeder met haar berichten op Facebook, Instagram en LinkedIn, en ook met haar mededelingen aan bekenden en hulpverleners, inbreuk heeft gemaakt op zijn recht op eer en goede naam. De mededelingen van de moeder dat zij slachtoffer is van huiselijk geweld zijn ten onrechte gepresenteerd als feiten, terwijl dat niet waar is en iedere onderbouwing van haar beschuldigingen ontbreekt. De moeder is pas begonnen met haar (social) mediaoffensief nadat zij geen vervangende toestemming van de rechtbank heeft gekregen om met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen. Daaruit leidt de vader af dat de moeder de berichten slechts plaatst om sterker te staan in de echtscheidingsprocedure. Hoewel de moeder in haar berichten over huiselijk geweld de naam van de vader niet noemt, is volgens de vader duidelijk dat de moeder op hem doelt. Nu de moeder op Facebook en LinkedIn nog steeds zijn achternaam gebruikt, komen de berichten van de moeder naar voren wanneer via Google wordt gezocht op de achternaam “ [achternaam] ”. De berichten van de moeder bereiken de familie, vrienden en zakelijke relaties van de vader, waardoor hij (imago)schade lijdt.

4.8.

De moeder betwist dat zij onrechtmatig tegenover de vader heeft gehandeld. Zij is tijdens het huwelijk slachtoffer geworden van huiselijk geweld door de vader. Dit is een maatschappelijk probleem, dat bespreekbaar moet worden gemaakt. Het staat haar vrij om tegen wie ook melding te maken van wat zij heeft meegemaakt en van de dingen waarvan de kinderen getuige zijn geweest. De moeder betwist daarnaast dat de vader door haar uitlatingen schade lijdt. Zij plaatst de berichten op haar persoonlijke social media accounts, die alleen bekeken worden door een beperkte groep mensen. Dat zij de berichten plaatst met gebruikmaking van de achternaam van de vader is logisch, omdat deze naam nog steeds in haar paspoort staat.

4.9.

Het geschil tussen partijen op dit punt gaat om een botsing van twee fundamentele rechten, namelijk het recht van de vader op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer (artikel 8 lid 1 Europees verdrag voor de rechten van de mens, hierna: EVRM) enerzijds en het recht van de moeder op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 lid 1 EVRM) anderzijds. Het antwoord op de vraag welke van deze (in beginsel gelijkwaardige) rechten in het concrete geval zwaarder weegt, moet worden gevonden door een afweging van alle omstandigheden van het geval.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat zij in het kader van deze procedure niet kan vaststellen of de bewering van de moeder dat zij tijdens het huwelijk slachtoffer is geworden van huiselijk geweld, juist is of niet. Niet in geschil is dat aan de vader twee keer een huisverbod is opgelegd, dat de moeder drie keer aangifte tegen de vader heeft gedaan en dat de moeder een aantal keer naar een blijf-van-mijn-lijfhuis is vertrokken. Dat er tijdens het huwelijk van partijen het nodige “rumoer” is geweest, staat dus wel vast. Tegelijkertijd kan de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure niet vaststellen wie van partijen ervoor heeft gezorgd dat de situatie in huis escaleerde, te meer nu de vader ter zitting gemotiveerd heeft betoogd dat de moeder zich tijdens het huwelijk regelmatig agressief gedroeg. Evenmin kan echter zonder meer worden aangenomen dat de moeder zich onrechtmatig jegens de vader gedraagt door zich te presenteren als slachtoffer van huiselijk geweld: op basis van de hiervoor genoemde feiten valt immers niet uit te sluiten dat het verhaal van de moeder juist is.

4.11.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de moeder zich schuldig maakt aan smaad en laster. Dat betekent dat het de moeder vrij staat om zich in haar privésfeer (waaronder haar persoonlijke accounts op Facebook en Instagram worden begrepen) uit te laten over haar beleving van gebeurtenissen tijdens het huwelijk van partijen. Dat is echter anders voor wat betreft de uitlatingen van de moeder op LinkedIn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de moeder geen redelijk belang bij het plaatsen van berichten over door haar ondervonden huiselijk geweld op LinkedIn, nu dit netwerk bij uitstek bestemd is voor berichten in de zakelijke sfeer. De benadeling van de vader door het plaatsen van deze berichten op LinkedIn is evident, nu niet is betwist dat een groot deel van het netwerk van de moeder op LinkedIn bestaat uit zakelijke relaties van de vader. Dit betekent dat het de moeder in het kader van een afweging van de belangen van partijen niet is toegestaan zich op LinkedIn te presenteren als slachtoffer van huiselijk geweld. De vordering van de vader zal in zoverre worden toegewezen, dat de moeder zal worden veroordeeld haar posts op LinkedIn waarin zij zich presenteert als slachtoffer van huiselijk geweld te verwijderen en verwijderd te houden, en dat het de moeder zal worden verboden op LinkedIn nieuwe berichten te plaatsen die betrekking hebben op haar eigen ervaringen met huiselijk geweld. De voorzieningenrechter zal aan deze veroordeling bovendien een dwangsom verbinden als hierna gespecificeerd.

proceskosten

4.12.

Omdat partijen nog met elkaar gehuwd en zij samen de ouders zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. In hetgeen de vader heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te beslissen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent aan de vader vervangende toestemming, die de toestemming van de moeder vervangt, om de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] , in te schrijven op de [basisschool] te [plaats 1] ;

5.2.

bepaalt dat de moeder met onmiddellijke ingang de door haar geplaatste berichten op LinkedIn, waarin zij zich presenteert als slachtoffer van huiselijk geweld, moet verwijderen en verwijderd moet houden;

5.3.

veroordeelt de moeder tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat zij aan het onder 5.2. bepaalde geen uitvoering geeft, met een maximum van € 5.000,-;

5.4.

verbiedt het de moeder zich op LinkedIn te presenteren als slachtoffer van huiselijk geweld;

5.5.

veroordeelt de moeder tot betaling van een dwangsom van € 250,- per overtreding van het in 5.4 opgelegde verbod, met een maximum van € 5.000,-;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.8.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2020.

km