Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4983

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
05-06-2020
Zaaknummer
NL20.8356
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Uganda, homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig. (-) heeft niet geconcretiseerd waarom de aangehaalde onderzoeken specifiek op hem van toepassing zijn. Ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8356


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 7 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 mei 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.8357, plaatsgevonden op 28 mei 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Nakamya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Ugandese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en hiervan problemen heeft ondervonden in zijn land van herkomst. Eiser heeft zowel een periode tijdens de middelbare school als in 2016 een relatie gehad met [naam] [achternaam] . In april 2016 heeft er in een bar een incident plaatsgevonden waarbij omstanders eiser en [naam] sloegen en de eigenaar van de bar de politie heeft gebeld. Eiser is aan de ontstane situatie ontsnapt en naar zijn broer gegaan. In juni 2016 is eiser naar Dubai vertrokken om daar ongeveer twee jaar en een maand te verblijven. In juli 2018 is hij teruggekeerd naar Uganda. Eiser heeft vernomen dat de politie nog steeds naar hem op zoek zou zijn en begin oktober 2018 heeft hij Uganda verlaten om naar Nederland te reizen.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- seksuele gerichtheid;

- ondervonden problemen die verband houden met de gerichtheid.

Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst vindt verweerder geloofwaardig.

De homoseksuele gerichtheid van eiser en de daarmee verband houdende problemen vindt verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser voert aan dat verweerder in strijd met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) heeft gehandeld door tijdens het nader gehoor van 5 april 2019 en 10 oktober 2019 geen gebruik te maken van een registertolk in de Luganda taal. Er was geen sprake van spoed gelet op het feit dat verweerder ruim een jaar over de asielaanvraag heeft gedaan. Het valt niet vol te houden dat in deze periode geen registertolk beschikbaar was. Verweerders gestelde werkwijze betekent dat hij ervan uitgaat dat hij steeds een niet-beëdigde tolk mag inzetten zodra een beëdigde tolk niet beschikbaar is op het moment dat een gehoor wordt gepland. Verweerder hanteert een verkeerde uitleg van het woord ‘spoed’ als bedoeld in artikel 28 van de Wbtv.

4.1

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid van dat artikel kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.

4.2

Het is vaste jurisprudentie dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv, wat betreft de motivering, geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het bestreden besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van de State (de Afdeling) heeft deze lijn recentelijk nog bevestigd in haar uitspraak van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395).

4.3

Niet in geschil is dat verweerder bij het nader gehoor van 5 april 2019 en 10 oktober 2019 geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk. In het verslag van het nader gehoor van 5 april 2019, 27 juli 2019 en 10 oktober 2019 heeft verweerder gemeld dat op 5 april 2019 en 10 oktober 2019 geen gebruik is gemaakt van een registertolk omdat een registertolk in deze taal tijdig niet beschikbaar is voor verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven dat er landelijk slechts één registertolk in de taal Luganda beschikbaar is en dat daarmee, ook gelet op de hoge aantallen gehoren in de Luganda taal en het feit dat de beslistermijn spoedig zou verlopen, sprake is van de vereiste spoed zoals omschreven in artikel 28, derde lid, Wbtv. Nu uit eerder genoemde jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in een dergelijk geval kan worden volstaan met het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking, hoefde verweerder geen nadere onderbouwing te geven. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 28 van de Wbtv. Eiser is gehoord met behulp van een tolk in de eigen taal. Eiser heeft niet aangevoerd dat hij de tolk niet heeft kunnen verstaan en heeft bovendien gebruik gemaakt van de correcties en aanvullingen indien al sprake zou zijn van een miscommunicatie tussen eiser en zijn tolk. Gesteld noch gebleken is dat eiser door het gebruik van een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser voert aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld doordat het nader gehoor verspreid over drie dagen in een periode van zes maanden heeft plaatsgevonden. Uit onderzoek door onder anderen Herlihy, Scragg en Turner blijkt dat vaker horen leidt tot inconsistenties in het verhaal.

5.1

De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de door verweerder gevolgde gang van zaken, te weten het verspreiden van het nader gehoor over 3 momenten die in tijd ook ver van elkaar liggen, niet wenselijk is. Eiser heeft evenwel niet aangetoond dat hij door het verspreid horen in zijn belangen is geschaad. De artikelen die eiser heeft overgelegd om aan te tonen dat deze manier van horen nadelig zou zijn, acht de rechtbank onvoldoende om tot het oordeel te komen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Eiser heeft niet aangetoond dat de resultaten van de overgelegde onderzoeken op zijn specifieke zaak van toepassing zijn. Hij heeft niet concreet gemaakt in welk opzicht deze handelswijze voor hem nadelig is geweest. Voor zover eiser betoogt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard, omdat vaker horen leidt tot inconsistenties, oordeelt de rechtbank dat (bijna) alle tegenwerpingen volgen uit de verklaringen van eiser op 17 juli 2019. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn standpunt dat de tegenstijdigheden in zijn verklaringen het gevolg zijn van de wijze van horen. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser voert voorts aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de culturele aspecten in eisers zaak en met zijn referentiekader, zoals zijn opleidingsniveau, leeftijd en religie. Verweerder heeft hiermee in strijd met zijn eigen Werkinstructie 2019/17 gehandeld. Eiser verwijst hiertoe onder anderen naar een onderzoek van Calogero Giametta “The sexual politics of asylum” waaruit volgt dat het hebben van cultureel kapitaal van grote invloed is op de uitkomst van de asielprocedure. Verder heeft eiser een rapport van Buro Kleurkracht overgelegd, waaruit volgt dat het tonen van gevoelens voor Ugandezen niet vanzelfsprekend is. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de verschillen in cultuur. Dit geldt ook voor de negen keer dat verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard met betrekking tot tijdsaanduidingen. Verweerder kan niet volhouden dat deze argumenten valide zijn om de geaardheid van eiser in twijfel te trekken. Door de geloofwaardigheid van een geaardheid voor een groot deel op te hangen aan onjuiste tijdsduidingen, gaat verweerder voorbij aan de essentie van de toets aan artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in het kader van de beoordeling van een seksuele geaardheid.

6.1

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet heeft gemotiveerd op welke wijze de door hem aangehaalde onderzoeken en rapporten op eisers asielrelaas van toepassing zijn en op de wijze van beoordelen door verweerder in zijn zaak. Uit de recente uitspraken van de Afdeling van 6 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:341 en ECLI:NL:RVS:2020:342) volgt immers dat het aan de vreemdeling is om aan de hand van landeninformatie, wetenschappelijke artikelen of een rapport aannemelijk te maken dat verweerder in zijn individuele geval zijn verklaringen door een cultuurverschil verkeerd heeft begrepen of geduid. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daar niet in geslaagd. Eiser heeft immers geen concrete voorbeelden in zijn individuele zaak naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank kan oordelen dat verweerder in het kader van zijn Werkinstructie onzorgvuldig zou hebben gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

6.2

Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele geaardheid niet juist heeft beoordeeld en ten onrechte te veel waarde heeft gehecht aan de tegengeworpen tijdsaanduidingen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit niet alleen tegenwerpt dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over tijdsaanduidingen, maar ook dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over andere zaken die met name van belang zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers homoseksuele geaardheid. Dit gaat met name over zijn verklaringen over het moment dat eiser zich bewust werd van zijn homoseksuele geaardheid en de acceptatie daarvan en over zijn relatie met [naam] . Nu eiser geen beroepsgronden hiertegen heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het besluit alleen daarom al stand kan houden.

7. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.