Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
NL20.7255
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:2408, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin-Italië, beroep op het CK-arrest vanwege coronavirus slaagt. Niet in geschil is dat eiser vanwege nierfalen, waarvoor hij driemaal per week nierdialyse ondergaat, behoort tot de risicogroep van het coronavirus. De rechtbank moet in deze procedure en niet in een latere procedure tegen de feitelijke overdracht volledig en ex nunc beoordelen of overdracht van eiser naar Italië op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand kan inhouden. De aanwezigheid van het coronavirus dient daarbij als feit te worden betrokken. Het behoren tot die risicogroep impliceert dat eiser een relatief grote kans heeft op ernstige medische gevolgen als hij wordt besmet met het coronavirus. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat de kans op een besmetting met het coronavirus groter is bij verplaatsingen en reisbewegingen dan in het geval iemand op één locatie verblijft c.q. er niet gereisd wordt. Onder deze omstandigheden had verweerder nader medisch advies moeten inwinnen over de weerslag van een overdracht op de gezondheidstoestand van eiser en over eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen als bedoeld in punt 77 van het arrest C.K. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7255


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Saakjan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1982. Op 8 november 2019 heeft hij de voorliggende asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hem uit het Europese Visa Informatiesysteem (EU-Vis) is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten eiser in het bezit hebben gesteld van een Schengenvisum. Dit visum was geldig van 4 november 2019 tot en met 16 november 2019 voor de duur van 13 dagen. Verweerder heeft daarom op 3 januari 2020 de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, tweede dan wel vijfde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben niet binnen een termijn van twee maanden gereageerd, waardoor per 4 maart 2020 de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag is komen vast te staan op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening. In hetgeen eiser tijdens het aanmeldgehoor en de zienswijze heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding gezien om de aanvraag toch in behandeling te nemen.

3. Eiser is het daar niet mee eens. Op hetgeen hij tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd zal de rechtbank hieronder nader ingaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

5.1.

In artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

5.2.

In artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming behandelen dat door een onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde criteria verantwoordelijk is.

5.3.

In artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat geen overdracht plaatsvindt aan de lidstaat die als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, als ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor eisers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

5.4.

In artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat als een verzoeker houder is van een geldig visum de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

5.5.

In artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van deze verordening, elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5.6.

Volgens het beleid, neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in onder meer de volgende situaties:

  • -

    er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt; of

  • -

    bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke EU-lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

6. De rechtbank concludeert dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat Italië op grond van de Dublinverordening in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen voor de behandeling van het verzoek om internationale rechtsbescherming van eiser. In geschil is onder meer de vraag of sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Italië waardoor het op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening niet mogelijk is eiser over te dragen aan Italië, dan wel of verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aanleiding had moeten vinden om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel: algemeen

7. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst daarbij naar het rapport van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van januari 2020 ten aanzien van de situatie van asielzoekers, in het bijzonder Dublin-terugkeerders, in Italië. SFH/OSAR is van mening dat er talrijke systematische tekortkomingen zijn in het Italiaanse opvangsysteem voor asielzoekers en statushouders. In het bijzonder heeft eiser erop gewezen dat de toegang tot de (specialistische) gezondheidszorg voor Dublin-terugkeerders in Italië in de praktijk beperkt is. Daarbij merkt eiser op dat dit rapport is uitgebracht voor de uitbraak van het coronavirus, waar Italië hard door is getroffen.

7.1.

De rechtbank overweegt dat Italië is aangesloten bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag). In Italië gelden eveneens de Terugkeerrichtlijn, Procedurerichtlijn, Kwalificatierichtlijn en de Opvangrichtlijn. Verweerder mag er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan hun internationale verplichtingen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan en dat in Italië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de gronden van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het EVRM of dat er sprake is van (andere) bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.

7.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) geoordeeld dat de algemene omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem geen reden zijn om te concluderen dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook in meer recente uitspraken heeft de Afdeling dit bevestigd (zie onder meer de uitspraken van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845) en 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986 en ECLI:NL:RVS:2020:987).

7.3.

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986), heeft betrokken dat uit het rapport van de SFH/OSAR van januari 2020 geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië voor Dublinclaimanten naar voren komt dan al bekend was ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2019. Anders dan eiser in zijn beroepschrift heeft aangevoerd, is het rapport van januari 2020 inmiddels dus wel betrokken in de jurisprudentie van de Afdeling.

7.4.

Ook eisers beroep op de volgens hem inmiddels wezenlijk gewijzigde situatie in Italië wegens het coronavirus slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank overweegt dat zij volledig en ex nunc moet toetsen of eiser door overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat eiser terecht aanvoert dat de aanwezigheid van het coronavirus in die toetsing als feit dient te worden betrokken. Het is voorts juist dat in de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 niet – kenbaar – is betrokken en gewogen of de coronacrisis gevolgen heeft voor de beschikbaarheid en de kwaliteit van de opvang en zorg in Italië voor Dublin-terugkeerders. Dat laat echter onverlet dat het nog steeds aan eiser is om zijn stelling dat de feitelijke opvangsituatie en de medische zorg in Italië door de coronacrisis dermate is gewijzigd, dat eiser door overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM, te onderbouwen. Eiser is hierin niet geslaagd, nu uit niets volgt dat eiser bij terugkeer in Italië vanwege het coronavirus niet langer de benodigde zorg of opvang zal krijgen. De verwijzing naar de algemene beelden uit de media, waaruit volgens eiser volgt dat vooral de medische zorg door het coronavirus ernstig onder druk is komen te staan, is daartoe onvoldoende. Eiser heeft daarmee namelijk niet aannemelijk gemaakt dat deze tijdelijke situatie ten tijde dat het coronavirus in Italië tot structurele wijzigingen in de opvang en medische zorg heeft geleid, die maken dat er nu een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling is op een situatie in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het betoog faalt.

Interim measures

8. Eiser heeft aangevoerd dat hij nierfalen heeft. Daarvoor krijgt hij driemaal per week hemodialyse. Ter onderbouwing heeft hij zijn patiëntendossier en een brief van dr. [naam] , internist-nefroloog van 23 januari 2020 overgelegd. Tevens staat hij onder behandeling voor longproblematiek ten gevolge van tuberculose. Ook ervaart eiser psychische klachten. Symptomen hierbij zijn onder meer stress, vergeetachtigheid, slapeloosheid en piekeren. Verweerder heeft het voorgaande niet betwist.

9. Vanwege zijn medische situatie is eiser van mening dat hij kan worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, hierna: het Tarakhel-arrest). Daarom heeft eiser verzocht om aanhouding van het beroep gelet op de interim measures van het EHRM van 6 september 2019 (46595/19), van 16 september (48062/19), van 17 september 2019 (48397/19) en van 24 september 2019 (49569/19) in het kader van de opvang van bijzonder kwetsbare asielzoekers in de zin van het Tarakhel-arrest. Eiser heeft daarbij gewezen uitspraken van:

  • -

    rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 6 november 2019, NL19.23741, NL19.23742 NL19.23746, NL19.23774, NL19.23775 en NL19.23776;

  • -

    rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 15 november 2019, NL19.24297;

  • -

    rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 29 november 2019, NL19.28349 en NL19.28351;

  • -

    rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 2 december 2019, NL19.27208;

9.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen aanvullende garanties zijn vereist in de zin van het Tarakhel-arrest. Daar is namelijk voor vereist dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen in Italië. Eiser heeft onderbouwd dat hij ernstige medische problematiek heeft, maar niet dat hij geen zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen in Italië. Daarbij acht de rechtbank van belang dat reeds is gebleken dat ten opzichte van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij komt dat verweerder terecht betoogt dat hij met zijn ter zitting beschreven werkwijze heeft gewaarborgd dat eiser ook na zijn overdracht de door hem benodigde voorzieningen zal ontvangen. Momenteel is de overdracht van eiser vanwege het coronavirus tijdelijk feitelijk opgeschort, maar zodra dit beletsel is opgeheven, zal verweerder in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, informatie verzenden aan de Italiaanse autoriteiten over de bijzondere behoeften van eiser en zal hij de feitelijke overdracht opnieuw opschorten indien de Italiaanse autoriteiten hem informeren dat zij op dat moment niet aan deze behoeften kunnen voldoen. Gelet hierop zijn in het geval van eiser, anders dan voor de vreemdelingen in de zaak Tarakhel, geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig.

9.2.

Ten overvloede wijst de rechtbank nog op de reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986), waaruit blijkt dat er ten opzichte van Italië ook voor bijzonder kwetsbare personen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waardoor verweerder voor die kwetsbare personen geen extra eisen hoeft te stellen of individuele garanties moet verkrijgen als bedoeld in het arrest Tarakhel. Dat die situatie thans door het coronavirus anders is, heeft eiser – zoals hiervoor reeds overwogen – niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft aldus op goede gronden geen individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten gevraagd voor de overdracht van eiser aan Italië. Hieruit volgt ook dat het beroep niet wegens de interim measures aangehouden hoeft te worden. Daar komt bij dat de interim measures niet van een motivering zijn voorzien, wat naar het oordeel van de rechtbank betekent dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen en, zo ja, welke betekenis dit zou kunnen zijn. De rechtbank verwijst ook hiervoor naar de genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel: persoonlijk

10. Eiser is van mening dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Eiser heeft er voorts ook op gewezen dat hij als chronisch zieke long- en nierpatiënt behoort tot de algemeen bekende risicogroep van het coronavirus, hetgeen door verweerder op zitting is bevestigd. Omdat (i) het coronavirus zeer besmettelijk is, waardoor geadviseerd wordt dat iedereen zoveel mogelijk moet thuisblijven en (ii) Italië zwaar door dit virus is getroffen, is er volgens eiser in zijn geval bij uitstek sprake van een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bij overdracht aan Italië. Eiser beroept zich in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie (het Hof) van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, C.K. tegen Slovenië (hierna: het arrest C.K.). Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder het BMA had moeten vragen om advies uit te brengen over de vraag of vanwege de gezondheidstoestand van eiser van overdracht had moeten worden afgezien.

- Medische voorzieningen

10.1.

De rechtbank overweegt dat gezien het interstatelijk vertrouwensbeginsel als uitgangspunt heeft te gelden dat Italië dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden kent als Nederland en daarom in staat moet worden geacht om de medische klachten van eiser goed te kunnen behandelen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. De rechtbank overweegt dat uit de door eiser overgelegde medische informatie dit niet blijkt, noch blijkt hieruit dat de benodigde medische behandeling niet voor hem beschikbaar is in Italië. De overgelegde medische informatie ziet alleen op de gezondheidstoestand van eiser zelf, maar zegt niets over de toegang tot de benodigde medische behandeling daarvan in Italië. Eisers niet-onderbouwde stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat het zorgstelsel door het coronavirus is overbelast maakt dat niet anders. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder rechtsoverweging 7.4. Het betoog faalt.

- Ten aanzien van eisers beroep op het arrest C.K.

10.2.

De Afdeling heeft in meerdere uitspraken (bijvoorbeeld de uitspraken van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980 en ECLI:NL:RVS:2017:2986 en de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:560) uitleg gegeven aan het arrest C.K. Uit deze uitspraken volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Of dit het geval is moet volgens het Hof worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die asielzoeker of in het geval van een rechterlijke procedure, wanneer wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit, omdat de tenuitvoerlegging daarvan tot een onmenselijke of vernederende behandeling van die asielzoeker zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat als een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit dient te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.

10.3.

Verweerder heeft – zoals eerder al gezegd – ter zitting niet betwist dat eiser ernstige medische klachten heeft (tbc en nierfalen, waarvoor hij driemaal per week nierdialyse krijgt) en daarom (vanwege nierfalen) behoort tot de risicogroep van het coronavirus. Hij heeft erop gewezen dat in de overgelegde medische informatie echter geen aanwijzingen zijn te vinden dat de overdracht van eiser aan Italië een reëel en bewezen risico zal inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. De medische stukken behandelen alleen de gezondheidstoestand van eiser zelf, maar niet de overdracht aan Italië en de daarmee gepaard gaande risico’s. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat momenteel alle overdrachten aan Italië zijn opgeschort, waardoor een reëel en bewezen risico op een onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zich op dit moment niet voordoet. Hoe de situatie zal zijn wanneer het feitelijke beletsel wordt opgeheven, kan op dit moment niemand voorspellen, waardoor dit risico nu ook niet kan worden ingeschat en getoetst. Als de overdrachten weer worden opgestart zijn er echter met de eerder genoemde procedure van artikel 32 van de Dublinverordening en de aan de overdracht voorafgaande fit-to-fly check volgens verweerder voldoende waarborgen voor eisers gezondheidstoestand tijdens de overdracht geboden. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht van eiser aan Italië op dit moment een reëel en bewezen risico zal inhouden op een onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand, is verweerder van mening dat hij ook niet gehouden is om nader onderzoek te laten doen naar de gezondheidstoestand van eiser.

10.4.

De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest C.K. en de daarop gebaseerde jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:129) blijkt dat in deze rechterlijke procedure moet worden beoordeeld of de overdracht van eiser op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zal inhouden, omdat in deze procedure wordt geoordeeld over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet hierop ten onrechte heeft volstaan met de motivering dat thans alle overdrachten naar Italië feitelijk zijn opgeschort vanwege de situatie omtrent het coronavirus waardoor het door eiser gestelde risico zich op dit moment niet kan voordoen en dat voor het geval er op een later moment weer overgedragen kan gaan worden er met betrekking tot de medische omstandigheden van eiser ten aanzien van de overdracht voldoende waarborgen zijn geboden met de procedure van artikel 32 van de Dublinverordening en de fit-to-fly check. Dit laatste impliceert dat de toetsing op een later moment plaatsvindt, maar de rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat eiser het besluit om hem ondanks zijn gezondheidstoestand aan Italië over te dragen en de vraag of eventuele door verweerder te nemen voorzorgsmaatregelen volstaan, moet kunnen laten toetsen in deze procedure over het overdrachtsbesluit en niet pas in een procedure tegen de feitelijke overdracht. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:560.

10.5.

De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure daarom volledig en ex nunc dient te beoordelen of overdracht van eiser naar Italië op zichzelf een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand kan inhouden. Ook hier geldt dat de aanwezigheid van het coronavirus in die toetsing als feit dient te worden betrokken. De rechtbank overweegt in dat verband voorts dat verweerder niet heeft betwist dat eiser behoort tot de risicogroep van het coronavirus gezien zijn ernstige medische omstandigheden, zoals beschreven in rechtsoverweging 8. Het behoren tot die risicogroep impliceert dat eiser een relatief grote kans heeft op ernstige medische gevolgen als hij wordt besmet met het coronavirus. De rechtbank acht het voorts een feit van algemene bekendheid dat de kans op een besmetting met het coronavirus groter is bij verplaatsingen en reisbewegingen dan in het geval iemand op één locatie verblijft c.q. er niet gereisd wordt. De rechtbank wijst daarbij bijvoorbeeld op de door de Nederlandse rijksoverheid getroffen maatregelen zoals het thuiswerken waar mogelijk, zo veel mogelijk beperken van persoonlijke contacten en het houden van 1,5 meter afstand van elkaar, waaruit dit feit van algemene bekendheid ook opgemaakt kan worden.

10.6.

Nu het verweerder objectief gezien voldoende duidelijk had moeten zijn dat de overdracht van eiser aan Italië een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zal inhouden, ligt het, gezien de aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling, op de weg van verweerder om bij het nemen van het overdrachtsbesluit te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich bij de overdracht voordoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden nader medisch advies had moeten inwinnen over de weerslag van een overdracht op de gezondheidstoestand van eiser en over eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen als bedoeld in punt 77 van het arrest C.K. Volgens punt 76 van het arrest C.K. is het immers aan de autoriteiten om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling weg te nemen. Verweerder heeft dat ten onrechte in het geval van eiser niet gedaan.

10.7.

Gelet op voorgaande, heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie

11. Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 en het motiveringsbeginsel van 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht en komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is gegrond.

12. Ondanks dat het bestreden besluit reeds op basis van het voorgaande voor vernietiging in aanmerking komt, zal de rechtbank de beroepsgronden omtrent het niet inschakelen van een registertolk om proceseconomische redenen ook nu reeds bespreken.

Registertolk

13. Eiser voert in beroep aan dat bij het aanmeldgehoor geen registertolk is ingeschakeld. Hij verwijst daarbij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 26 april 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3084) en zittingsplaats Rotterdam van 21 juni 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4970) waarin soortgelijke situaties, met een niet-registertolk, tot een gegrond beroep hebben geleid. Eiser is daarom van mening dat de besluitvorming van verweerder in strijd is met het zorgvuldigheidsvereiste.

13.1.

Op grond van artikel van 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid van dat artikel kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld.

13.2.

De rechtbank overweegt dat het inmiddels vaste jurisprudentie is van de Afdeling dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv, wat betreft de motivering, geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het bestreden besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden één van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. De Afdeling heeft deze lijn recentelijk nog bevestigd in haar uitspraak van 24 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395).

13.3.

Niet in geschil is dat verweerder bij het aanmeldgehoor van 25 maart 2019 geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk. In het verslag van het aanmeldgehoor Dublin heeft verweerder vermeld dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk omdat geen registertolk beschikbaar is voor verweerder in deze taal. In het bestreden besluit heeft verweerder het volgende opgenomen: “Tijdens het gehoor is gebruik gemaakt van een niet registertolk. De reden hiervoor is dat er geen registertolk tijdig beschikbaar is voor de IND.” Nu uit eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in een dergelijk geval kan worden volstaan met het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking, was verweerder niet gehouden om een nadere onderbouwing te geven of een niet-leveringsverklaring van het tolk- en taalcentrum over te leggen. Anders dan eiser, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van verweerders aangevoerde reden te twijfelen. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 28 van de Wbtv. Eiser is gehoord met behulp van een tolk in zijn eigen taal (Tigrinja). Uit het verslag van het aanmeldgehoor Dublin kan voorts niet worden afgeleid dat eiser de tolk op – in het kader van de Dublinprocedure relevante onderwerpen – niet goed heeft begrepen. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser in zijn belangen is geschaad. Het betoog van eiser faalt derhalve.

14. Omdat beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C.A. Wilschut, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Mestrom, griffier.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op: 2 juni 2020

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.