Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4864

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
AWB 20/3766
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het COa heeft bij besluit van 10 april 2020 verzoeker op grond van artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005 geplaatst in de handhavings- en toezichtlocatie (htl) in Hoogeveen (het plaatsingsbesluit). De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft vanwege het plaatsingsbesluit eveneens bij besluit van 10 april 2020 met toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verzoeker de verplichting opgelegd om met ingang van 10 april 2020 te verblijven op het terrein van de htl en het naastgelegen park.

Verzoeker heeft tegen het plaatsingsbesluit beroep ingesteld en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Ook heeft hij tegen de artikel 56Vw-maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 25 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4558, het beroep tegen de artikel 56Vw-maatregel ongegrond verklaard, omdat, kortgezegd, in het geval van verzoeker geen sprake is van vrijheidsontneming.

De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. De voorzieningenrechter vindt dat in dit geval niet kan worden gezegd dat door het plaatsingsbesluit alleen al sprake is van vrijheidsontneming. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/3766

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , in Hoogeveen, verzoeker,

[V-nummer]

(gemachtigden: mr. P.Th. van Alkemade en mr. L.J. Meijering),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. E.C. Pietermaat).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2020 heeft het COa verzoeker op grond van artikel 11, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) geplaatst in de handhavings- en toezichtlocatie (htl) in Hoogeveen (het plaatsingsbesluit). Bij besluit van eveneens 10 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (de staatssecretaris) met toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verzoeker de verplichting opgelegd om met ingang van genoemde datum te verblijven op het terrein van de htl en het naastgelegen park (de artikel 56 Vw-maatregel).

Op 5 mei 2020 heeft verzoeker tegen het plaatsingsbesluit beroep ingesteld en een verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Ook heeft verzoeker op die dag beroep ingesteld tegen de artikel 56 Vw-maatregel.

Het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerknummer AWB 20/3765. Het beroep tegen de artikel 56 Vw-maatregel staat bij de rechtbank geregistreerd onder kenmerknummer NL20.10089.

Op 15 mei 2020 heeft verzoeker voor alle genoemde beroeps- en verzoekschriftprocedures dezelfde gronden ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat de werking van het plaatsingsbesluit wordt geschorst en dat verzoeker weer wordt geplaatst in het AZC in Assen.

Op 18 mei 2020 hebben het COa en de staatssecretaris gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

Op 19 mei 2020 heeft verzoeker een repliek ingediend.

Op 20 mei 2020 hebben het COa en de staatssecretaris een dupliek ingediend.

Op 21 mei 2020 heeft verzoeker een pleitnota ingediend.

Op 22 mei 2020 hebben het COa en de staatssecretaris een verslag van een met verzoeker gevoerd mentorgesprek overgelegd.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 22 mei 2020. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het COa heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat. Ook waren bij de zitting aanwezig C. van de Vreede, locatiemanager van de htl, mr. R. Visser, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, en mr. A Tardjopawiro, senior jurist bij het COa.

Op de zitting hebben partijen toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten, als het beroep tegen de artikel 56 Vw-maatregel ongegrond wordt verklaard.

Bij uitspraak van 25 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4558, heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep tegen de artikel 56 Vw-maatregel ongegrond verklaard. Daarna is op dezelfde dag het onderzoek in het nu aan de orde zijnde verzoek om een voorlopige voorziening gesloten.

Overwegingen

Inleiding 1

1. Verzoeker is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Gambiaanse nationaliteit.

2. Op 7 mei 2019 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend. Op deze aanvraag is nog niet beslist.

3. Vanaf 7 mei 2019 heeft verzoeker in de centrale opvanglocatie (col) Ter Apel verbleven. Op 13 mei 2019 is hij in de procesopvanglocatie (pol) Assen geplaatst.

4. Op 19 mei 2019 hebben COa-medewerkers verzoeker naar een andere vleugel van de pol Assen verhuisd, omdat andere medebewoners over hem hadden geklaagd.

5. Op 18 juni 2019 veroorzaakte verzoeker in de pol Assen een incident waarvoor hij een

zogeheten ROV-1-maatregel heeft gekregen. Hij sloeg een kind hard op de borst, nadat

dit hem over het hoofd had gestreken.

6. Op 26 november 2019 veroorzaakte verzoeker opnieuw een incident dat geringe impact

had. Nadat COa-medewerkers de deur van verzoekers kamer op slot hadden gedaan om

diefstal te voorkomen, stelde hij zich tegenover hen verbaal agressief op. Met

uitspraken dat "hij de ene medewerker in zijn zak wilde stoppen" en de andere "te

jong was om hem aan te spreken" veroorzaakte hij bij deze medewerkers veel

onrust. Met zijn gedrag veroorzaakte hij tegelijkertijd veel overlast voor de rest van de

bewoners. Voor dit incident is aan verzoeker een ROV-2-maatregel opgelegd.

7. Op 29 november 2019 stelde verzoeker zich eerst respectloos op tegen COa-medewerkers. Hij bleef bij hen om koffie vragen, waarbij hij aangaf dat alles zo slecht

was. Ook zei hij tegen medewerkers dat "ze hun mond moeten spoelen met koffie". Dezelfde dag, op een later moment, veroorzaakte verzoeker een incident dat zeer grote

impact had. Twee bewoners meldden zich bij de receptie van de pol Assen en meldden

dat zij ernstig werden lastig gevallen door verzoeker. Zij gaven aan dat hij hen lastigviel

met ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij toonden een filmpje waarin te zien

was dat verzoeker met zijn geslachtsdeel in zijn hand in hun deuropening stond. Volgens de

twee bewoners gaf verzoeker daarbij aan dat hij hen zou verkrachten. Verzoeker zou tegen de een hebben gezegd "I want to fuck you in my room, and I want to fuck her in her

room and you better call your husband" en tegen de ander "I am going to rape you,

and I am also going to rape her". Toen COa-medewerkers met deze bewoners ter plaatse gingen, troffen zij verzoeker in de gang aan. Toen hij hen zag aankomen, begon hij ernstig agressief gedrag te vertonen en begon hij "call your husband" te roepen naar de twee bewoners. De twee bewoners voelden zich door het gedrag van verzoeker zeer onveilig. Zij verklaarden dat zij doodsangsten uitstonden.

8. Naar aanleiding van dit incident is op 29 november 2019 besloten om verzoeker in de extra begeleiding en toezichtlocatie (ebtl) te plaatsen.

9. Verzoeker is op 29 november 2019 ook daadwerkelijk in de ebtl geplaatst. Die avond

overtrad hij daar meteen de huisregels, door niet mee te werken aan het verplichte

corvee. In het daarover gevoerde gesprek gaf hij aan dat hij "alleen wilde werken wat

hij wilde doen" en hij "pornoacteur was" en dat "ze hem een vrouw moesten geven en

dan video's kunnen verkopen".

10. Ook op 30 november 2019 weigerde verzoeker mee te werken aan het verplicht gestelde corvee. Hij heeft hiervoor een waarschuwing gekregen.

11. Op 1 december 2019 is met verzoeker in de ebtl opnieuw een gesprek gevoerd over zijn gedrag, nu omdat hij de meldplicht niet naleefde en de inrichting van zijn kamer had

veranderd en weigerde ruimte te maken voor een tweede bewoner. Over de meldplicht

gaf verzoeker ten onrechte aan dat hij "aan het slapen was" (medewerkers hadden hem in

de recreatieruimte zien staan pingpongen). In het gesprek over de inrichting van de

kamer gaf verzoeker aan: "doe wat je wil, ik ben hoger dan jullie, ik zweef met Allah".

12. Op 3 december 2019 is verzoeker voor het consequent niet naleven van de meldplicht en de huisregels een ROV-4-maatregel opgelegd. Hij had in vier dagen vijfmaal de

huisregels overtreden en eenmaal de meldplicht verzuimd. In het hierover gevoerde gesprek gaf verzoeker aan dat hij "super rijk is en hier dus niet gaat werken" en "dat dit mijn keuze is" en "me niet uitmaakt dat ik weg moet want ik ben super rijk".

13. Na dit gesprek veroorzaakte verzoeker een incident dat opnieuw grote impact had. In het gesprek bouwde hij frustraties op en verliet vervolgens plotseling de gespreksruimte. Nadat hij zich in zijn kamer opsloot, weigerde daaruit te komen en COa-medewerkers

zich genoodzaakt zagen de deur te forceren, vroegen de medewerkers eerst nogmaals

of verzoeker aan de ROV-4-wilde meewerken. Vervolgens haalde verzoeker uit naar een van de medewerkers en pakte hij hem bij zijn gezicht. Daarop ontstond een worsteling waarinverzoeker zich fysiek agressief opstelde tegenover COa-medewerkers. Uiteindelijk kregen zij verzoeker onder controle en is de politie gebeld. Vanwege dit incident is verzoeker een ROV-7-maatregel opgelegd, die inhield dat alle COa-verstrekkingen aan verzoeker werden ingehouden t/m 31 december 2019 en verzoeker tijdelijk niet in de ebtl mocht verblijven.

14. Verzoeker keerde na 31 december 2019 niet terug in de ebtl. Wel meldde hij zich op 3 januari 2020 en 7 februari 2020 in Ter Apel voor opvang; daar is hem verteld dat hij in

de ebtl respectievelijk htl terecht kon.

15. Op 7 april 2020 meldde verzoeker zich bij AZC Hoogeveen voor opvang. Vanaf 10 april 2020 verblijft hij in de (per 1 februari 2020 geopende) htl.

De standpunten van partijen

16. Het COa stelt zich op het standpunt dat de gedragingen van verzoeker, gelet op hun aard en omvang, zodanig ernstig zijn dat zij plaatsing in een htl rechtvaardigen.

17. Verzoeker heeft schriftelijk, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd. De tenuitvoerlegging van de maatregel in de htl is vrijheidsontneming. Artikel 56 van de Vw 2000 biedt daarvoor geen grondslag en ook overigens is er geen wettelijke grondslag voor de detentie van verzoeker. Op grond van artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in gevallen omschreven in dat artikel en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure. Gelet hierop is volgens verzoeker de aan hem opgelegde maatregel onrechtmatig. Ter onderbouwing van het standpunt dat er sprake is van vrijheidsontneming wijst verzoeker erop dat de htl op een voormalig gevangenisterrein staat, omringd door muren en hekken, en dat er een sanctiesysteem geldt dat te vergelijken is met dat in een penitentiaire inrichting. Onder andere kan hij op de zogenaamde time-out kamer worden geplaatst. Verder is hij onderworpen aan een verplicht dagprogramma waarbij hij verplicht is om te werken en een intensief programma te volgen, gericht op gedrag beïnvloeden, structuur bieden en activeren. Hij wijst erop dat de methodiek die wordt gehanteerd bij dit dagprogramma gelijk is aan het dagprogramma voor strafrechtelijk gedetineerden. Hij is ook verplicht om behandelingsgesprekken te voeren met zijn mentoren. De goede bedoelingen die het COa heeft doordat met de behandelingsgesprekken en het sanctiesysteem wordt aangestuurd op positieve gedragsverandering bij verzoeker, vormen geen wettelijke grondslag voor de vrijheidsontneming (zie het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:10170). Verzoeker mag de htl ook niet verlaten wanneer hij dat wil, mag geen bezoek ontvangen, heeft te voldoen aan een tweedaagse meldplicht en is verplicht om mee te werken aan het in kaart brengen van zijn sociale netwerk. Daarnaast vindt er toezicht plaats door kamerinspectie, alcoholcontrole en fouilleringen en wordt hij op het htl-terrein 24 uur per dag met camera’s geobserveerd. Anders dan het COa stelt, geschiedt plaatsing in de htl niet op vrijwillige basis. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst verzoeker onder andere op de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 februari 2020 in de zaak H.M. tegen Zwitserland (no. 39187/98), van 4 oktober 2004 in de zaak H.L. tegen het Verenigd Koninkrijk (no. 45508/99), van 17 januari 2012 in de zaak Stanev tegen Bulgarije (no. 36760/06), van 6 november 1980 in de zaak Guzzardi tegen Italië (no. 7367/76) en van 16 juni 2015 in de zaak Storck tegen Duitsland, (no. 61603/00). Verzoeker wijst er verder op dat niet is gebleken dat hij voor de incidenten waar het COa naar verwijst, strafrechtelijk is veroordeeld. Als het COa de samenleving en de openbare orde wenst te beschermen door het opsluiten van verzoeker, dient het COa de aan hem toegekende bevoegdheden en middelen op grond van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering te gebruiken. Artikel 56 van de Vw 2000 biedt geen grondslag om op deze manier de samenleving te beschermen.

18. Volgens het COa is plaatsing in de htl vrijheidsbeperking en geen vrijheidsontneming. Het COa wijst hierbij op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 15 augustus 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:8422), waarin is geoordeeld dat plaatsing van een vreemdeling in een ebtl vrijheidsbeperking is, en geen vrijheidsontneming in strijd met artikel 5 van het EVRM. De situatie in de htl komt grotendeels overeen met de situatie in de ebtl. Allereerst kunnen ook bewoners van de htl te allen tijde besluiten om de opvangvoorziening te verlaten. Dit is een sterke aanwijzing dat geen sprake is van vrijheidsontneming (zie het arrest van het EHRM van 21 november 2019 in de zaak Ilias en Ahmed tegen Hongarije, no. 47287/15). Als een bewoner van de htl aangeeft te willen vertrekken, dan wordt hij daarbij begeleid naar een locatie buiten de gemeente Hoogeveen. Er is geen risico op vreemdelingendetentie als gevolg van vertrek uit de htl, en anders dan verzoeker stelt, hoeft hij zijn asielaanvraag niet in te trekken als hij de htl verlaat. Verzoekers asielaanvraag wordt ook niet afgewezen als hij uit de htl vertrekt. Ten tweede geldt ook voor bewoners van de htl dat plaatsing in deze locatie het gevolg is van hun gedrag in reguliere opvanglocaties. In het geval van verzoeker is dit zijn agressieve en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het COa wijst er ook op dat bewoners van de htl invloed hebben op de duur van hun verblijf; bij goed gedrag kunnen zij terugkeren naar een AZC. Ten derde is het ook voor bewoners van de htl mogelijk om vrij over het terrein te bewegen. Kamerdeuren blijven open, de gemeenschappelijke binnen- en buitenruimte en de sanitaire voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Bewoners mogen tussen 08:00 uur en 22:00 uur bezoek ontvangen, mogen mobiele telefoons gebruiken en internet is beschikbaar. De ‘time-out-kamer’ waar verzoeker op wijst, is alleen van binnenuit op slot te doen en de vreemdeling die daar wordt geplaatst kan deze kamer verlaten. Ten vierde duidt het toezicht en de begeleiding door de COa-medewerkers ook niet op vrijheidsontneming, maar op vrijheidsbeperking. Er is sprake van persoonsgerichte behandeling om te bereiken dat vreemdelingen inzicht in hun eigen gedrag krijgen, waarbij gewenst gedrag wordt versterkt om herhaling te voorkomen. Gelet op de ernst van de incidenten die aan de plaatsing van verzoeker ten grondslag liggen, ligt een dergelijke behandeling zeer voor de hand. Verzoeker kan zich bovendien aan het toezicht en de begeleiding onttrekken door vrijwillig uit de htl te vertrekken. Ten aanzien van het dagprogramma voert het COa aan dat de zelfwerkzaamheidstaken taken zijn die iedereen thuis moet doen om alles net en leefbaar te houden. Bewoners van de htl krijgen een kleine taak waar maximaal twee uur voor staat, maar waar bewoners vaak in samenwerking met het COa veel sneller klaar mee zijn. Deze taken zorgen voor gemeenschapszin. De bewoners krijgen in ruil voor deze taken € 14,- per week om zelf te besteden. Tijdens het dagprogramma kunnen bewoners ook naar buiten, maar het niet volgen van dit verplichte programma kan wel gevolgen hebben. Dit verschilt niet van de ebtl en er is geen sprake van dwangarbeid. Het COa wijst er ten slotte op dat er naast het htl-terrein een nieuw (openbaar) park is aangelegd waar bewoners vrij kunnen bewegen, wandelen en sporten. De verschillen in vrijheidsbeperking tussen de ebtl en de htl worden bovendien gerechtvaardigd door de doelstellingen die ten grondslag liggen aan de htl. De verdere vrijheidsbeperking die bij de htl is doorgevoerd, is noodzakelijk in het belang van toezicht op, handhaving bij en voorkoming van overlast. Tijdens de ebtl-periode vonden er op structurele basis ernstige incidenten plaats en de politie-eenheid Hoogeveen heeft aangegeven dat met deze incidenten een buitensporig hoge inzet van de plaatselijke politiecapaciteit was gemoeid. Dit was niet te doen, waardoor incidenten zich bleven voordoen. Deze omstandigheden geven grond om aan bewoners van de htl minder bewegingsvrijheid toe te kennen, zonder dat daarbij sprake is van vrijheidsontneming. Hierbij is ook van belang dat het de doelstellingen van de htl zijn om streng op te treden tegen onaanvaardbaar gedrag van overlastgevende asielzoekers en om de veiligheid in de htl en daarbuiten te vergroten. Tijdens de ebtl-periode is gebleken dat het bereiken van deze doelen niet goed mogelijk was als bewoners de mogelijkheid hadden om Hoogenveen in te trekken. Het COa benadrukt in dit verband dat de vrijheidsbeperking ook een essentiële voorwaarde is voor het draagvlak onder inwoners voor de aanwezigheid van de htl in Hoogeveen. De ervaringen met de htl zijn positief; het is rustiger op de locatie, personeel voelt zich veiliger en er is geen overlast voor de omgeving. Bewoners van de htl geven zelf ook aan dat verblijf op de htl hen rust geeft.

19. Op de zitting heeft verzoeker toegelicht dat in de schriftelijke gronden ligt besloten dat alleen al het plaatsingsbesluit tot vrijheidsontneming leidt. Uit de huisregels van de htl en de plichten, zoals die zijn opgesomd in het document “HTL rechten & plichten document + toestemmingsverklaring verwerken persoonsgegevens” volgt immers dat verzoeker zich niet buiten de htl mag begeven.

20. In reactie hierop heeft het COa erop gewezen dat alleen de artikel 56 Vw-maatregel tot vrijheidsbeperking leidt. Het plaatsingsbesluit gaat over de plaatsing en kan alleen al daarom geen vrijheidsontneming met zich brengen. Mocht de vreemdeling zich niet houden aan de huisregels, dan blijft hij altijd onderdak en eten in de htl houden.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

21. Uitgangspunt van de wet is dat het instellen van beroep de werking van een besluit niet opschort. Dat staat in artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er beroep tegen is ingesteld. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daarvoor is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als bij de bestuursrechter tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde – dus onmiddellijke – spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de uitspraak op het beroep). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die later in de beroepszaak uitspraak zal doen, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed

22. Verzoeker verblijft op dit moment op grond van het plaatsingsbesluit en de artikel 56 Vw-maatregel in de htl. Met eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van 25 mei 2020 is in rechte komen vast te staan dat in het geval van verzoeker de oplegging en tenuitvoerlegging van de artikel 56 Vw-maatregel vrijheidsbeperking is en geen vrijheidsontneming. Als, zoals verzoeker heeft betoogd, alleen al het plaatsingsbesluit leidt tot vrijheidsontneming, dan vindt de voorzieningenrechter daarmee het spoedeisend belang gegeven. De voorzieningenrechter zal hierna dan ook de vraag beantwoorden of door het plaatsingsbesluit sprake is van vrijheidsontneming.

23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het plaatsingsbesluit is genomen op grond van artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005. In dat artikellid, voor zover hier van belang, is bepaald dat het COa bevoegd is een asielzoeker naar een andere voorziening, mede daaronder begrepen de htl, over te plaatsen.

24. Dit artikellid is op 1 februari 2020 in werking getreden (Stcrt. 2020, 7025). In de toelichting bij de Regeling van de staatssecretaris van 30 januari 2020, nummer 2808499, houdende wijziging van de Rva 2005 (Stcrt. 2020, 7025) staat onder meer:

"Met de brief van 18 december 2019 (Kamerstukken II 2019/2020, 19 637, nr. 2572) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de komst van de HTL en de beëindiging van (de pilot aangaande) de extra begeleidings- en toezichtlocatie (ebtl). Een opvanglocatie voor personen die ernstige overlast hebben veroorzaakt, zoals (herhaaldelijk) agressief gedrag richting medebewoners of personeel, het aanrichten van vernielingen of het discrimineren of intimideren van medebewoners, blijft nodig. Met de HTL, die primair gericht is op streng toezicht en begrenzing, wordt beoogd: (a) stringent op te treden tegen onaanvaardbaar gedrag van overlastgevende asielzoekers, (b) de veiligheid op reguliere opvanglocaties te vergroten, (c) de overlast rond de reguliere opvanglocaties te beperken, (d) de veiligheid op de HTL te vergroten, en (e) overlast en criminaliteit in de omgeving van de HTL te voorkomen. Om overlast voor winkeliers en bewoners te beperken, zal er een zo strak mogelijke gebiedsbeperking worden opgelegd en zal streng worden toegezien op de handhaving. Verder zullen in de HTL strenge huisregels gelden.

Met de onderhavige wijziging van de Rva 2005 wordt niet beoogd een wijziging aan te brengen in de rechten en plichten, dan wel het voorzieningenniveau, volgend uit de Rva 2005 waarop bewoners op de HTL recht hebben, ten opzichte van de voorzieningen waarop een bewoner op de EBTL recht had. Bewoners van de HTL ontvangen net als de bewoners van de EBTL geen financiële verstrekkingen ten behoeve van voedsel en geen bedrag ten behoeve van kleding en andere persoonlijke uitgaven, zoals in de reguliere opvang. Ook krijgen de bewoners van de HTL net als de bewoners van de EBTL maaltijden en overige noodzakelijke (verzorgings-)producten in natura. Gedragsbeïnvloeding gericht op gedragsverandering zal geen hoofddoel van de overplaatsing naar de HTL zijn. Niettemin zal hier in de begeleiding van het COA aandacht voor blijven. Vreemdelingen blijven ook in de HTL verplicht om aan dit dagprogramma deel te nemen.

Deze wijziging behelst gelet op het voorgaande niet meer dan een technische wijziging door, daar waar in de Rva 2005 de EBTL wordt genoemd, dit te vervangen door HTL."

25. Uit de tekst van en de toelichting bij artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005 blijkt niet meer en niet minder dan de bedoeling van de regelgever het COa in staat te stellen om een asielzoeker, die ernstige overlast heeft veroorzaakt, naar de htl over te kunnen plaatsen. Er is geen wettelijke grondslag aan te wijzen waaruit volgt dat het COa ook bevoegd is om de vreemdeling bij zo’n plaatsing diens vrijheid te ontnemen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat de staatssecretaris vanwege het plaatsingsbesluit ertoe is overgegaan aan verzoeker een artikel 56 Vw-maatregel op te leggen. Met name door die maatregel is de vrijheid van verzoeker in het geding: hij heeft op grond van die maatregel de verplichting om te verblijven op het terrein van de htl en het naastgelegen park.

26. Bovendien heeft de rechtbank in meergenoemde uitspraak van 25 mei 2020 bij de beantwoording van de vraag of sprake is van vrijheidsontneming, onder meer het regime in de htl waaraan verzoeker is onderworpen, betrokken (zie met name de rechtsoverwegingen 32, 33 en 41) om dan vervolgens te overwegen:

"42. In het geval van een maatregel ex artikel 56 Vw gekoppeld aan plaatsing in de HTL heeft echter te gelden dat een geplaatste de HTL eenvoudig met behoud van aanspraak op opvangvoorzieningen en zonder nadelige juridische gevolgen kan verlaten. De geplaatste hoeft immers slechts zijn gedrag zodanig aan te passen aan geldende basale fatsoens- en omgangsvormen dat hij geen overlast veroorzaakt in een reguliere opvanglocatie. Zodra een geplaatste overtuigend stelt dat hij zich aan de huisregels en gedragsnormen zal conformeren komt de aanleiding om door middel van een vrijheidsbeperkende maatregel iemand in de HTL te plaatsen te vervallen en kan de maatregel ex artikel 56 Vw worden opgeheven omdat voortgezet verblijf in de HTL niet langer noodzakelijk is in verband met handhaving van de openbare orde. Op geen enkele wijze valt in te zien waarom van eiser niet kan worden verlangd en kan worden verwacht dat hij de keuze maakt om zijn gedrag te veranderen en aan te passen aan hetgeen is vereist om in de reguliere opvang te kunnen verblijven. Van enige medische, psychische of anderszins aanwezige problematiek die met zich zou brengen dat eiser niet in staat is een keuze te maken en de consequentie van zijn handelen te overzien is niet gebleken.

43. De rechtbank concludeert derhalve dat eiser op zeer eenvoudige wijze kan bewerkstelligen dat hij geoorloofd en zonder nadelige juridische gevolgen de HTL kan verlaten en zodoende de maatregel ex artikel 56 Vw wordt opgeheven. Dit is een dermate sterke aanwijzing dat in het geval van eiser de maatregel gekwalificeerd dient te worden als vrijheidsbeperking dat de rechtbank aan deze omstandigheid een doorslaggevende betekenis toe zal kennen."

27. De voorzieningenrechter sluit zich bij deze overwegingen aan. Niet in geschil is dat de in deze procedure aan de orde zijnde plaatsing in de htl wordt gerechtvaardigd door gedragingen van verzoeker, zoals deze hiervoor onder het kopje inleiding zijn beschreven. Zodra blijkt dat verzoeker zijn gedrag zodanig heeft aangepast aan geldende basale fatsoensnormen en omgangsvormen dat kan worden aangenomen dat hij geen overlast meer zal veroorzaken in een reguliere opvanglocatie, zal de plaatsing in de htl niet meer gerechtvaardigd zijn. Het COa is dan gehouden om verzoeker terug te plaatsen in een regulier AZC. Verzoeker kan dus op een eenvoudige wijze bewerkstelligen dat hij niet langer in de htl hoeft te verblijven. Overigens is gesteld noch gebleken dat verzoeker zijn gedrag inmiddels voldoende heeft aangepast in vorenbedoelde zin.

28. Op grond van het voorgaande kan in dit geval niet worden gezegd dat door het plaatsingsbesluit sprake is van vrijheidsontneming. Dat betekent tevens dat de voorzieningenrechter in dit geval geen spoedeisend belang aanneemt.

Conclusie

29. Gelet op rechtsoverweging 28 en aangezien verzoekers (inhoudelijke) gronden tegen het plaatsingsbesluit ook uitsluitend het hiervoor besproken betoog betreffen dat sprake is van vrijheidsontneming, komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen.

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S. Henkelman, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 3 juni 2020.

griffier de voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 De feiten zijn overgenomen uit het verweerschrift