Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4861

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
NL19.24992 en NL19.25189
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VK – beroepen niet tijdig beslissen – inmiddels beslist – beroepen n-o – bestuursrechter niet bevoegd om te oordelen over de verschuldigdheid van de rechterlijke dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL19.24992 en NL19.25189

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres,

V-nummers: [nummer 1] ( [eiser] ) en [nummer 2] ( [eiseres] )

(gemachtigde: mr. A. Agayev),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Op respectievelijk 18 oktober 2019 en 22 oktober 2019 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 na de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2019.

Bij besluit van 16 januari 2020 heeft verweerder alsnog besluiten genomen, de aanvragen ingewilligd en één bestuurlijke en één rechterlijke dwangsom toegekend.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 23 augustus 2019 heeft deze rechtbank verweerder onder meer opgedragen binnen acht weken na de dag van bekendmaking van die uitspraak (in dit geval uiterlijk 19 oktober 2019) eisers te horen in de algemene asielprocedure. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Op 4 december 2019 heeft het eerste gehoor plaatsgevonden.

2. Op 16 januari 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvragen van eisers beslist. Verweerder heeft in die besluiten erkend dat de beslistermijn is overschreden en heeft aan eisers daarom een (totale) maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend. Daarnaast heeft verweerder in die besluiten erkend dat hij eisers een rechterlijke dwangsom verschuldigd is van € 4.600,- voor overschrijding van de door de rechter bij uitspraak van 23 augustus 2019 vastgestelde termijn. Nu verweerder op de asielaanvragen van eisers heeft beslist, hebben eisers geen procesbelang meer bij hun beroep. De beroepen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. In geschil is verder hoe hoog de verbeurte is van de dwangsom die de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan een eerdere uitspraak had verbonden. Uit deze bepaling en de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51) volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Met verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3777 en van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152 is niet de bestuursrechter bevoegd om te oordelen over de verschuldigdheid van de rechterlijke dwangsom, maar de burgerlijke rechter. De bevoegdheid tot het nemen van die beslissing is niet aan het publiekrecht ontleend, zodat die beslissing geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb oplevert. Dat verweerder in zijn beschikking van 16 januari 2020 heeft aangegeven wat zijns inziens de hoogte is van de uit te keren rechterlijke dwangsom, is bestuursrechtelijk gezien een mededeling en maakt dat dus niet anders.

4.1.

Hoewel de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken.

4.2.

De zaken met procedurenummer NL19.24992 en NL19.25189 zijn samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In artikel 3, eerste lid, van het Bpb is bepaald dat samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak. Samenhangende zaken zijn, zo blijkt uit het tweede lid van dit artikel, door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. In de twee zaken komen het onderwerp en het toetsingskader in zodanige mate overeen dat het redelijk is ervan uit te gaan dat in vergelijking met de behandeling van één zaak de behandeling van meer dan één zaak voor de rechtshulpverlener geen reële extra inspanning hoefde te vergen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de beroepschriften vrijwel gelijkluidend zijn.

4.3.

De rechtbank stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van C.J.H. Lamens-van den Bulk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.