Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
26-05-2020
Zaaknummer
NL20.8165
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in het geval van eiser nog zicht is op uitzetting ten aanzien van Tunesië. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het boeken van een vlucht op dit moment nog niet aan de orde is, nu er eerst een vervangend reisdocument moet worden verkregen. Thans is nog niet gebleken dat er door de Tunesische autoriteiten geen LP zal worden afgegeven. Verweerder rappelleert ook op deze aanvraag en handelt daarmee voldoende voortvarend, ook gelet op de gehouden vertrekgesprekken, De omstandigheid dat eiser niet is gepresenteerd is onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. Ook wijst verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat eiser niet actief en volledig

meewerkt aan zijn terugkeer, hoewel hij daartoe wel verplicht is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8165


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 januari 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

De rechtbank heeft partijen op 14 april 2020 in verband met de ontwikkelingen rondom het
coronavirus gevraagd of zij toestemming geven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 15 en 16 april 2020 medegedeeld dat zij een telefonische behandeling van de zaak wenst, waarbij zij instemde met het horen van alleen de gemachtigden.

Eiser heeft op 9 april 2020 de beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 14 april 2020 een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft de gemachtigden op 20 april 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank
heeft het onderzoek daarna met toestemming van de gemachtigden gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 april 2020 (in de zaak NL20.6941) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 30 maart 2020 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. In de gronden van beroep en tijdens de telefonische behandeling van deze zaak is namens eiser het volgende aangevoerd. Primair voert eiser aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is, omdat er geen aanwijzingen zijn dat aan hem op korte termijn een laissez-passer (hierna: LP) zal worden verstrekt of dat op korte termijn daartoe een presentatie zal plaatsvinden. Subsidiair voert eiser aan dat hij onevenredig wordt geschaad in zijn belangen door de voortduring van onderhavige maatregel. In dat kader brengt hij, naast dat er geen zicht op presentatie is, naar voren dat hij inmiddels acht maanden in bewaring zit en de huidige detentieomstandigheden in strijd zijn met het recht op menselijke waardigheid en integriteit, alsmede het recht op vrijheid en veiligheid als bedoeld in de artikelen 1, 3 en 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Zo mogen gedetineerden geen bezoek ontvangen en is hun bewegingsvrijheid verminderd. Daarnaast wordt eiser onnodig blootgesteld aan het risico op besmetting met het coronavirus. In dat kader verwijst eiser naar de conclusie van de Advocaat-Generaal (hierna: de AG) van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) in de procedure C-18/19 (Stadt Frankfurt am Main) waaruit volgt dat de bewaringsrechter ook de detentieomstandigheden dient te betrekken bij zijn overwegingen, en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:3270).

4.1

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de uitspraak van 3 april 2020, op het standpunt dat het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van eiser, gezien het risico op onttrekking aan het toezicht. Er ontbreekt geen zicht op uitzetting, gelet op de LP-aanvraag die nog loopt. Voor het laatst is op 18 maart 2020 gerappelleerd op de aanvraag om een LP en is op 7 april 2020 een vertrekgesprek gevoerd. Daar komt bij dat eiser niet meewerkt. Voorts stelt verweerder dat fysieke uitzetting niet aan de orde is, omdat eerst een vervangend reisdocument voor eiser moet worden verkregen. De coronamaatregelen maken evenmin dat zicht op uitzetting ontbreekt, nu dit slechts een tijdelijke belemmering betreft. Verweerder wijst in dat verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 september 2019 (ECLI:NL:RVS:2018:3075).
Ten aanzien van de detentieomstandigheden stelt verweerder dat de klacht van eiser over de omstandigheden in het detentiecentrum betrekking heeft op de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum en derhalve niet kan leiden tot het oordeel dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Ten overvloede merkt verweerder daarbij op dat de maatregelen in het detentiecentrum zijn genomen om de gezondheid van de gedetineerden te beschermen en verspreiding van het virus te voorkomen. De conclusie van de AG waarnaar eiser verwijst is niet bindend en betreft een casus met andere omstandigheden.

4.2

De rechtbank overweegt als volgt. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan 6 maanden, kan deze toch voortduren indien sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek, passief of actief. De Vw stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in het geval van eiser nog zicht is op uitzetting ten aanzien van Tunesië. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat het boeken van een vlucht op dit moment nog niet aan de orde is, nu er eerst een vervangend reisdocument moet worden verkregen. Thans is nog niet gebleken dat er door de Tunesische autoriteiten geen LP zal worden afgegeven. Verweerder rappelleert ook op deze aanvraag en handelt daarmee voldoende voortvarend, ook gelet op de gehouden vertrekgesprekken, De omstandigheid dat eiser niet is gepresenteerd is onvoldoende zwaarwegend om tot een ander oordeel te komen. Ook wijst verweerder er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat eiser niet actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer, hoewel hij daartoe wel verplicht is.

4.4

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het niet aan de bewaringsrechter is om zich een oordeel te vormen over de toepassing van het regime in het detentiecentrum. Verweerder wijst er terecht op dat daarvoor een andere rechtsgang openstaat. In de conclusie van de AG in de door eiser aangehaalde procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank overweegt in dit kader dat de gestelde prejudiciële vraag ziet op een andere situatie, verder heeft het Hof de vraag nog niet beantwoord zodat allerminst zeker is dat het advies wordt gevolgd.

4.5

Voor zover eiser betoogt dat het voortduren van de detentie door de getroffen maatregelen inzake het coronavirus onevenredig bezwarend is geworden, waardoor de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, volgt de rechtbank dat standpunt niet. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaarder valt door de getroffen voorzorgsmaatregelen. Deze maatregelen zijn echter mede getroffen om eiser en andere gedetineerden te beschermen. Verweerder brengt ook terecht naar voren dat er wegens het risico op onttrekking aan het toezicht een zwaarwegend belang is bij het laten voortduren van de maatregel van bewaring.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Naganathar, griffier.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.