Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4566

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1586
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door intrekking van de beslissing op bezwaar, is het procedureel verblijf van eiseres hervat tot de datum dat verweerder opnieuw op haar bezwaar heeft beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR19/1586

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Erik),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) vanaf 26 september 2018 ingetrokken en een bedrag van € 131,81 aan bijstand over de periode van 26 september 2018 tot en met 30 september 2018 teruggevorderd.

Bij besluit van 30 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door de tolk M.A. Budak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren in Bulgarije. Op 21 november 2012 heeft eiseres zich opnieuw in Nederland gevestigd en sindsdien staat zij weer geregistreerd in de basisregistratie personen (BRP). Eiseres verbleef bij haar partner de heer [de man] , die op 23 oktober 2017 uit de BRP is uitgeschreven. Eiseres heeft op gelijke datum een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij besluit van 12 december 2017 heeft verweerder eiseres per 23 oktober 2017 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

2. Op 2 oktober 2018 heeft verweerder een melding ontvangen van de IND dat eiseres per 26 september 2018 niet rechtmatig in Nederland verblijft. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder bij besluit van 4 oktober 2018 de uitkering van eiseres per 26 september 2018 beëindigd en een bedrag van € 131,81 van haar teruggevorderd. Dit betreft de bijstand over de periode van 26 september 2018 tot en met 30 september 2018. Verweerder heeft dit besluit na bezwaar gehandhaafd en hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres geen geldige verblijfstitel heeft die recht geeft op bijstand.

3. Eiseres betwist dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Bij brief van 9 augustus 2019 heeft de IND laten weten dat het besluit van 26 september 2018 is ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaarschrift zal worden beslist. Bij besluit van 28 augustus 2019 heeft de IND een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen. De IND heeft het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 3 december 2018 rechtmatig in Nederland verblijft. Eiseres stelt dat zij door de intrekking van het besluit van 26 september 2018 weer in de bezwaarfase is beland, waardoor haar recht op een bijstandsuitkering is herleefd. Daarnaast stelt eiseres dat verweerder zelf onderzoek moet doen naar de rechtmatigheid van haar verblijf. Enkel contact opnemen met de IND is onvoldoende.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De te beoordelen periode loopt van 26 september 2018 tot en met 4 oktober 2018.

4.2.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de PW heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge het tweede lid, wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG. Op grond van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW wordt voor zover hier van belang, voor de toepassing van de PW met een Nederlander gelijk gesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die, na rechtmatig verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 (toegelaten was in Nederland), in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder g of h, van de Vw 2000 (procedureel rechtmatig verblijf heeft) en die aan de in het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (Besluit gelijkstelling) gestelde voorwaarden voldoet.

4.2.2

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit gelijkstelling is, voor zover van belang, bepaald dat voor de toepassing van de PW met een Nederlander gelijk wordt gesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 (toegelaten is geweest), binnen de termijn van artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van de toelating. In het tweede lid is, voor zover van belang, bepaald dat deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

4.2.3

Artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

4.2.4

In artikel 73 van de Vw 2000 is bepaald dat de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken, of indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.

4.3

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder niet had mogen volstaan met enkel contact op nemen met de IND en zelf onderzoek had moeten doen, overweegt de rechtbank als volgt. De bijstandverlenende instantie mag uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de IND. Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. In deze situatie mocht verweerder, anders dan eiseres aanvoert, afgaan op de juistheid van de toepassing van het Unierecht op het geval van eiseres door de staatssecretaris en behoefde hij niet nader in contact te treden met de staatssecretaris en/of zelf te beoordelen of eiseres met ingang van de te beoordelen periode rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.

5.1

Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) volgt, dat de zogenoemde Koppelingswet, Stb. 1998, 203, zoals nadien toegepast bij de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000, Stb. 2000, 496 (Invoeringswet) met zich brengt dat het recht op uitkeringen en voorzieningen van overheidswege, zoals bijstand, gekoppeld zijn aan het hebben van (een vorm van) rechtmatig verblijf. Dit betekent dat de gelijkstelling met een Nederlander in de zin van artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de PW, (ook) eindigt, wanneer het daar bedoelde rechtmatig verblijf een einde neemt. Met de gelijkstelling op grond van artikel 11, derde lid, van de PW in samenhang met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling is beoogd om vreemdelingen waarvan – na toegelaten te zijn geweest – die toelating is beëindigd en die dus niet meer gelijkgesteld zijn op grond van artikel 11, tweede lid, van de WWB, recht op bijstand toe te kennen in de periode dat de voortzetting van die toelating onzeker is, maar zij wel procedureel rechtmatig verblijf hebben in Nederland op grond van het voeren van een procedure omtrent de voortzetting van die toelating. Dit heeft tot beoogd gevolg dat die vreemdelingen, die tijdens hun toelating al konden beschikken over middelen om te voorzien in hun levensonderhoud, in afwachting van de uitkomst van de procedure over voortzetting van de toelating daarover kunnen blijven beschikken.

5.2

In de Memorie van Toelichting van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, ) is, in verband met het voorgestelde artikel 71, het volgende opgemerkt:

“In reguliere zaken bestaat op grond van artikel 71 [thans artikel 73] in het algemeen opschortende werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of administratief beroep, en indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat daarop is beslist. De in artikel 71, tweede lid, Vw genoemde uitzonderingen doen zich hier niet voor en hoeven derhalve niet te worden besproken.

5.3

Lopende de bezwaarprocedure had eiseres op basis van een procedureel verblijf recht op een bijstandsuitkering. Dit recht op procedureel verblijf is door de beslissing op bezwaar van 26 september 2018 beëindigd. De beslissing op bezwaar van 26 september 2018 is echter op 9 augustus 2018 ingetrokken. Met de intrekking van het besluit van 26 september 2018 is de procedure weer terug gekomen in de bezwaarfase. De bezwaarfase is doorgelopen tot 28 augustus 2019, de datum waarop de IND alsnog op het bezwaar van eiseres heeft beslist. Eiseres had aldus in de periode van 26 september 2018 tot en met 4 oktober 2018 procedureel rechtmatig verblijf. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het ontbreken van een geldige verblijfstitel aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

5.4

Het beroep van eiseres slaagt.

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

de griffier is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.