Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:44

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-01-2020
Datum publicatie
06-01-2020
Zaaknummer
AWB 19/9993
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring, mr. Moszkowicz heeft namens eiser beroep ingediend. Hij kan echter niet als raadsman ter zitting worden aanvaard. Uit artikel 98, derde lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – volgt dat ter zitting als raadsman alleen wordt toegelaten een in Nederland ingeschreven advocaat. Mr. Moszkowicz is sinds 13 oktober 2005 voor onbepaalde tijd geschorst en geschrapt op 23 juni 2006.

Mr. Moszkowicz heeft ter zitting gesteld dat hij wel als adviseur van eiser kan optreden en uit dien hoofde het woord zou kunnen voeren. De rechtbank verwerpt de stelling van mr. Moszkowicz. Met deze handelwijze wordt de waarborg van artikel 98 van de Vw 2000 omzeild, dat de vreemdeling ter zitting wordt bijgestaan door een ter zake deskundige - en desnoods tuchtrechtelijk ter verantwoording te roepen - raadsman.

De rechtbank heeft vervolgens eiser zelf in de gelegenheid gesteld gronden aan te voeren tegen de omzetting van de bewaringsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/9993

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1982, van Albanese nationaliteit, eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Morina (2906). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

  1. Namens eiser heeft zijn gemachtigde (mr. Moszkowicz) beroep ingediend tegen het bestreden besluit. Gezien het bepaalde in artikel 98 van de Vw 2000 kan mr. Moszkowicz ter zitting niet worden geaccepteerd als raadsman. Uit artikel 98, derde lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – volgt dat ter zitting als raadsman alleen wordt toegelaten een in Nederland ingeschreven advocaat. Mr. Moszkowicz is echter door de tuchtrechter sinds 13 oktober 2005 voor onbepaalde tijd geschorst en geschrapt op 23 juni 2006.

  2. Mr. Moszkowicz heeft hierover ter zitting gesteld dat hij wel als adviseur van eiser kan optreden en uit dien hoofde het woord zou kunnen voeren en pleitaantekeningen overgelegd. Verweerder heeft zich hiertegen verzet met het oog op artikel 98 van de Vw 2000.

  3. De rechtbank verwerpt de stelling van mr. Moszkowicz. Met deze handelwijze wordt de waarborg van artikel 98 van de Vw 2000 omzeild, dat de vreemdeling ter zitting wordt bijgestaan door een ter zake deskundige - en desnoods tuchtrechtelijk ter verantwoording te roepen - raadsman. De pleitaantekeningen die mr. Moszkowicz heeft overgelegd heeft de rechtbank dan ook buiten beschouwing gelaten.

  4. De rechtbank heeft eiser wel in de gelegenheid gesteld gronden aan te voeren tegen zijn inbewaringstelling. Eiser heeft om onduidelijke redenen geweigerd dat te doen met tussenkomst van de aanwezige tolk Albanees en aangegeven het woord in het Engels te willen doen. De rechtbank heeft, gegeven het tot dan geheel ontbreken van gronden, eiser zijn gronden in het Engels, dat voor partijen en de rechtbank verstaanbaar was, naar voren laten brengen.

5. In het besluit tot inbewaringstelling heeft verweerder overwogen dat de bewaring van eiser noodzakelijk is omdat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken en dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dit leidt verweerder af uit de volgende feiten en omstandigheden:
(zware gronden)
- Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
- zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser voert aan dat zijn inbewaringstelling niet noodzakelijk is omdat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht of vertrek onttrekt. Eiser heeft een vrouw en twee kinderen waarmee hij samen leeft. Eiser heeft zijn vrouw en kinderen nodig, en zij hem. Als verweerder hem zoekt, zal hij altijd bij zijn gezin te vinden zijn.

7. De rechtbank overweegt dat de hiervoor genoemde gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet zijn bestreden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat daaruit het risico op onttrekking wel degelijk volgt. Dat eiser nu zegt dat hij zich niet zal onttrekken omdat hij nu eenmaal bij zijn gezin wil zijn, biedt onvoldoende grond om aan te nemen dat het onttrekkingsrisico ondanks voornoemde gronden afwezig is.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van der Bruggen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op
6 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.