Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4298

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
R/15/202
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt voor de invulling van de inspanningsverplichting zijn de Recofa-richtlijnen 2018 waarin is bepaald dat wanneer geen sprake is van een fulltime dienstverband naar een dienstbetrekking van 36 uur per week moet worden gesolliciteerd. Op grond van dit uitgangspunt rust op schuldenares in beginsel een aanvullende sollicitatieverplichting, waaraan zij niet heeft voldaan. Nu echter sprake is van bijzondere omstandigheden zal worden afgeweken van het uitgangspunt.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/15/[000] R

Vonnis van 16 april 2020

in de zaak van:

[schuldenares],

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende [adres, postcode en woonplaats],

schuldenares,

advocaat: mr. A.A.G. Balkenende.

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 12 maart 2015 is ten aanzien van schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk, mr. A.C.M. Höppener tot rechter-commissaris en van J.M. Hoogland (Sociaal.nl Schuldsanering) kantoorhoudende te Purmerend, tot bewindvoerder.

1.2

Bij vonnis van 27 september 2017 heeft de rechtbank de looptijd van de regeling verlengd met 24 maanden, dus tot en met 12 maart 2020.

1.3

De bewindvoerder heeft 9 december 2019 een eindverslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Op grond hiervan luidt het advies van de bewindvoerder vooralsnog om geen schone lei te verlenen. Aan de informatieplicht en de sollicitatieplicht wordt niet voldaan, er zijn aanzienlijke nieuwe schulden ontstaan en de boedelstand is niet vast te stellen.

1.4

Bij e-mail van 31 maart 2020 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken. Hieruit volgt dat alsnog is voldaan aan de informatieverplichting en de afdrachtverplichting en dat ter zake van de ontstane nieuwe schulden (door de beschermingsbewindvoerder) regelingen zijn getroffen die ook worden nagekomen. Aan de sollicitatieverplichting is niet voldaan, nu er over de maanden januari tot en met april, juni tot en met augustus, november en december 2019 geen of onvoldoende bewijsstukken zijn ontvangen waaruit blijkt dat (aanvullend) is gesolliciteerd. De bewindvoerder adviseert daarom niet de schone lei te verlenen.

1.5

Bij brief van 31 maart 2020 heeft de advocaat namens schuldenares een verweerschrift met diverse producties overgelegd.

1.6

In verband met de situatie omtrent het coronavirus heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw telefonisch plaatsgevonden op 6 april 2020. Bij die gelegenheid zijn ondergenoemden gelijktijdig gehoord:

- schuldenares;

- mr. A.A.G. Balkenende, advocaat van schuldenares;

- de bewindvoerder.

1.7

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 13 maart 2020 verstreken. De rechtbank staat nu voor de vraag of schuldenares tijdens de schuldsaneringsregeling, tekort is geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenares kan worden toegerekend.

2.2

Ter zitting is gebleken dat schuldenares de ontbrekende stukken heeft overgelegd en de boedelachterstand heeft ingelopen. Schuldenares heeft hiermee voldaan aan haar informatie- en afdrachtverplichting.

2.3

Schuldenares erkent dat zij niet conform de richtlijnen van de WSNP heeft gesolliciteerd. Zij voegt daaraan toe dat echter niet gesteld kan worden dat zij zich niet tot het uiterste heeft ingespannen. Schuldenares heeft dit als volgt toegelicht.

2.4

Schuldenares verklaart dat zij een arbeidsovereenkomst heeft van 28 uur per week, maar dat zij gemiddeld genomen meer uren werkzaam is. Daar komt bij dat zij haar werkzaamheden dient te combineren met de zorg als alleenstaande voor haar drie kinderen (van zeven, acht en tien jaar). Verder volgt zij een BBL-opleiding tot verzorgende en is zij druk bezig met haar studieopdrachten. Dit maakt dat het voor haar niet mogelijk is om vier keer per maand te solliciteren, aldus schuldenares.

2.5

De raadsman van schuldenares erkent ook dat schuldenares, gelet op de uitgangspunten die hiervoor gelden, onvoldoende heeft gesolliciteerd. Echter, gelet op de door schuldenares genoemde bijzondere omstandigheden, verzoekt hij om de tekortkoming niet te laten leiden tot onthouding van de schone lei. In aanvulling op het verweerschrift heeft de raadsman betoogd dat schuldenares haar huidige baan heeft gevonden door te voldoen aan haar sollicitatieverplichting. Hierbij wordt bovendien, gelet op het uurloon, de gewerkte uren en de onregelmatigheidstoeslagen, een hoger inkomen gegenereerd dan het geval zou zijn bij ongeschoold werk. Het is dus maar de vraag of en in hoeverre schuldenares haar schuldeisers heeft benadeeld, aldus de advocaat.

2.6

De rechtbank overweegt als volgt. Het hoofddoel van de schuldsaneringsregeling is dat wordt tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen, tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Dit doel kan worden bereikt door de schuldsaneringsregeling zodanig te doorlopen dat wordt voldaan aan de verschillende verplichtingen die daarmee gepaard gaan. In deze zaak heeft schuldenares aan alle verplichtingen voldaan, met uitzondering van de inspanningsverplichting. Uitgangspunt voor de invulling daarvan zijn de Recofa-richtlijnen 2018 waarin is bepaald dat wanneer geen sprake is van een fulltime dienstverband naar een dienstbetrekking van 36 uur per week moet worden gesolliciteerd. Op grond van dit uitgangspunt rust op schuldenares in beginsel een aanvullende sollicitatieverplichting, waaraan zij niet (steeds) heeft voldaan.

2.7

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren. Verzoekster is een alleenstaande moeder en heeft (alleen) de zorg over haar drie minderjarige kinderen. Hiernaast volgt schuldenares – met succes – een (verplichte) BBL-opleiding in welk verband zij (meestal meer dan) 28 uur per week onregelmatig werkt. Het onregelmatige werk in de zorg bemoeilijkt het vinden van aanvullend werk. Zou schuldenares fulltime ander werk hebben gevonden, dan kan – gelet op de opleiding en ervaring – zonder meer worden aangenomen dat de inkomsten daardoor niet zouden zijn gestegen. Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat ter zake van de tekortkoming door schuldenares moet worden vastgesteld dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze buiten beschouwing dient te blijven.

2.8

De overige verplichtingen zijn correct nagekomen. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen en van zodanige redenen zijn ook niet gebleken. De rechtbank zal beslissen zoals hierna vermeld. Kort gezegd brengt deze beslissing mee dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van schuldenares eindigt met de zogenoemde “schone lei”.

2.9

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder vaststellen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenares tekort is geschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;

- bepaalt dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard buiten beschouwing blijft;

- verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares zijn geëindigd op 13 maart 2020;

- stelt de vergoeding van de bewindvoerder vast op € 3.530,92 (inclusief de verschuldigde omzetbelasting), voor zover de boedel toereikend is;

- stelt het vastrecht vast op € 646,-, voor zover de boedel toereikend is.

Gewezen door mr. R.G.C. Veneman, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2020 in tegenwoordigheid van C.D. Woodley, griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag.