Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4235

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
21-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2528
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Drank+horecavergunning, exploitatievergunning en aanwezigheidsvergunning speelautomaten afgewezen. Leidinggevende van slecht levensgedrag ivm veroordelingen. Overschrijding redelijke termijn, toewijzen schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Goemmatov),

en

De Burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. R. den Ouden).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een drank- en horecawetvergunning, een exploitatievergunning voor horeca en een aanwezigheidsvergunning speelautomaten afgewezen.

Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Vanwege de uitbraak van het coronavirus en de getroffen strenge maatregelen om verdere uitbreiding daarvan te voorkomen heeft de rechtbank partijen gevraagd of er voorkeur bestaat de zaak uit te stellen of dat de zaak kan worden afgedaan op de stukken. Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak op de stukken af te doen. Vervolgens heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van deze gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 18 juli 2017 voornoemde vergunningen aangevraagd ten behoeve van de overname van [horeca-inrichting] aan de [adres] te [plaats] (hierna: de horeca-inrichting).

2. In het kader van de aanvraag heeft verweerder de politie eenheid Den Haag gevraagd advies uit te brengen. Bij rapport van 18 september 2017 heeft de politie laten weten geen bezwaar te hebben tegen het afgeven van een exploitatievergunning. Wel is de kanttekening gemaakt dat eiser in 2013 is veroordeeld vanwege een overtreding van de Wet op de Kansspelen (hierna: Wok).

3. Verweerder heeft voorts in het kader van de beoordeling van de aanvraag een uittreksel Justitiële Documentatie opgevraagd. Uit dit uittreksel, gedateerd op 3 oktober 2017, blijkt het volgende:

- in februari en april 2008 is eiser veroordeeld vanwege overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994);

- in 2012 is aan eiser een schadevergoedingsmaatregel opgelegd vanwege een veroordeling voor mishandeling;

- in 2014 is eiser veroordeeld tot een geldboete vanwege het medeplegen van opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 1, onder a van de Wok in de periode van 1 maart 2012 tot en met 21 maart 2012 en de periode van 1 april 2012 tot en met 13 september 2012;

- in januari en februari 2016 zijn aan eiser in het kader van de recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten geldboetes van respectievelijk € 425,- en € 500,- opgelegd, wederom vanwege overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wvw 1994.

4. Verweerder heeft bij bestreden besluit de aanvragen afgewezen. Vanwege de eerdergenoemde veroordelingen voor overtreding van de Wok en de Wvw 1994 moet eiser een Drank- en Horecawetvergunning worden geweigerd. Het hebben van een dergelijke vergunning is een vereiste om een exploitatie- en aanwezigheidsvergunning te kunnen verlenen, waardoor ook deze aanvragen zijn afgewezen. Vanwege het dwingende karakter van de betreffende wetgeving is voor een belangenafweging geen ruimte, aldus verweerder.

5. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen. Op hetgeen door eiser is aangevoerd wordt in het hiernavolgende – voor zover relevant –ingegaan.

6. De relevante bepalingen van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW), het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit), de Wok, de Wvw 1994 en de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: de APV) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

Drank- en horecavergunning

7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 27 van de DHW volgt onder meer dat een vergunning moet worden geweigerd indien een leidinggevende niet voldoet aan de moraliteitseisen zoals omschreven in artikel 8 van de DHW. Zo mag een leidinggevende niet van slecht levensgedrag zijn. Volgens vaste rechtspraak zijn geen beperkingen gesteld aan feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Strafrechtelijke antecedenten kunnen ook als zij in de privésfeer zijn gepleegd, worden betrokken bij de beoordeling en veroordelingen van langer dan vijf jaar geleden eveneens. De eisen waaraan een leidinggevende qua levensgedrag moet voldoen zijn nader uitgewerkt in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit). Zo mogen op grond van artikel 4, eerste lid, onder d en e van het Besluit leidinggevenden niet binnen de laatste vijf jaar meer dan één maal onherroepelijk zijn veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van strafrecht wegens overtreding van onder meer artikel 8 van de Wvw 1994 en artikel 1, onder a van de Wok.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat eiser in 2014 onherroepelijk is veroordeeld tot een geldboete van € 1000,- wegens overtreding van artikel 1, onder a van de Wok. Ook is eiser in 2016 in het kader van de recidiveregeling veroordeeld tot geldboetes van € 425,- en € 500,- wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wvw 1994. Gelet op deze veroordelingen heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser van slecht levensgedrag is en daarmee niet voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 8 van de DHW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op voornoemde veroordelingen in samenhang beschouwd met het dwingende karakter van artikel 27 van de DHW, eisers aanvraag voor een drank- en horecavergunning terecht afgewezen. Voor zover eiser de veroordeling op grond van de Wok heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat eiser voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld. Het standpunt dat de veroordeling enkel is voortgevloeid uit het ontbreken van een advocaat, is op geen enkele manier onderbouwd en kan niet tot een ander oordeel leiden. Hetgeen door eiser is aangevoerd over de evenredigheid van de weigering van de vergunning kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu een beoordeling van de evenredigheid van de afwijzing van de vergunning – gelet op het dwingende karakter van de relevante wetgeving – niet mogelijk is. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel of verbod op willekeur is de rechtbank bovendien niet gebleken. Ten aanzien van de door eiser in dit kader genoemde gevallen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt en/of door verweerder afdoende gemotiveerd bestreden, dat dit rechtens relevante gevallen betreft.

Exploitatievergunning

7.1

Uit artikel 2.28, vijfde lid, aanhef en onder b, van de APV volgt dat een exploitatievergunning moet worden geweigerd indien de ondernemer in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In artikel 2.28, vijfde lid, aanhef en onder f van de APV is bepaald dat een exploitatievergunning moet worden geweigerd indien voor de horeca-inrichting een drank- en horecavergunning is vereist en die vergunning is geweigerd. Verweerder heeft daarom – gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7 is overwogen – terecht de exploitatievergunning geweigerd nu voor eisers beoogde horeca-inrichting een drank- en horecavergunning is vereist en deze terecht is geweigerd.

Aanwezigheidsvergunning

7.2

Op grond van artikel 30e, eerste lid, aanhef en onder a in samenhang gelezen met artikel 30 c, eerste lid, onder b, van de Wok kan een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten slechts worden verleend indien het houden van een inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan. Uit hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 7 en 7.1 volgt dat verweerder terecht en op goede gronden eiser een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning heeft geweigerd. Nu de exploitatievergunning is geweigerd, is geen sprake van een inrichting als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wok. Verweerder heeft aldus terecht de gevraagde aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten geweigerd.

Gronden van bezwaar

7.3

Voor zover eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard, overweegt de rechtbank als volgt. Eisers stelling dat de Adviescommissie bezwaarschriften de nadere gronden van het bezwaar is kwijtgeraakt dan wel bewust niet heeft betrokken bij haar advies, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat na niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift is gebleken dat wel gronden zijn ingediend. Verweerder heeft de commissie daarom verzocht deze gronden alsnog inhoudelijk te beoordelen. Blijkens het bestreden besluit heeft de Adviescommissie met dit verzoek ingestemd en de gronden van bezwaar inhoudelijk beoordeeld.

Overschrijding redelijke termijn

7.4

Ten aanzien van eisers betoog dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden nu de besluitvorming van verweerder te lang op zich heeft laten wachten, overweegt de rechtbank als volgt. Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.

Het is vaste rechtspraak dat de redelijke termijn voor een procedure bij een bestuursorgaan en de rechtbank in beginsel twee jaar is, waarbij de termijn voor de bezwaarfase een half jaar en voor de beroepsfase anderhalf jaar is. Wat betreft de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding wordt in het algemeen een vergoeding gepast geacht van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit dateert van 15 januari 2018. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn twee jaar en ruim drie maanden verstreken.

De rechtbank heeft in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiser aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de bezwaarprocedure en de beroepsprocedure bij de rechtbank in totaal meer dan twee jaren hadden mogen bedragen. Daarmee is de redelijke termijn met ruim drie maanden overschreden. Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder ruim een jaar geduurd. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan verweerder is toe te rekenen. De rechtbank zal daarom verweerder veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-.

Aanleiding bestaat voorts om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser ter zake van het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, wegingsfactor 0.5).

Het griffierecht wordt geacht te zijn betaald voor de indiening van de beroepsgronden tegen het bestreden (reële) besluit, terwijl voor de indiening van het verzoek om vergoeding van schade wegens het overtreden van de redelijke termijn geen griffierecht verschuldigd is op grond van artikel 8:94, tweede lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten (beroep redelijke termijn) van eiser tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon-Overdijk, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage bij uitspraak inzake SGR 19/2528

Drank- en Horecawet

Artikel 8

1. Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen:

a. zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

c. zij mogen niet onder curatele staan.

Artikel 27

1. en vergunning wordt geweigerd indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;

(…)

Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999

Artikel 4

1. Onverminderd artikel 3, is een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van:

(…)

d. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

e. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Den Haag

Artikel 2:28

(…)

5. De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien:

a. de vestiging of de exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

b. de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat;

d. de ondernemer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

e. de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;

f. voor de horeca-inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.

(…)

Wet op de kansspelen

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer kansspelautomaten:

a. in een hoogdrempelige inrichting;

b. in een inrichting, anders dan onder a, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.

Artikel 30e

1. De vergunning wordt geweigerd indien:

a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde;