Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4190

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
19/7061
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod vanwege strafrechtelijke veroordelingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de intrekking en het inreisverbod geen strijd opleveren met artikel 8 van het EVRM. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/7061

[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1996, van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Dkhissi).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanaf 16 maart 2017. Ook heeft verweerder eiser in dit besluit een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van vijf jaar. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 augustus 2019 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 17 september 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij een ingevulde verklaring van afwezigheid van inkomen en vermogen overgelegd. Gelet daarop wijst de rechtbank het verzoek toe.

2. Verweerder heeft eiser in 2011 een verblijfsvergunning verleend, omdat eiser bij zijn moeder wilde verblijven. Sinds zijn verblijf in Nederland is eiser meerdere keren veroordeeld tot onherroepelijke gevangenisstraffen. Vanwege eisers veroordelingen heeft verweerder op 29 oktober 2015 het voornemen uitgebracht om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken en om hem een inreisverbod op te leggen. Eiser heeft hiertegen een zienswijze ingediend. Daarna is een hoorzitting gehouden. Op basis van de informatie die toen naar voren is gekomen, heeft verweerder op 23 december 2016 besloten om zijn voornemen niet uit te voeren. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat als hem een nieuwe veroordeling bekend wordt wegens een misdrijf, hij opnieuw zal beoordelen of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht. Hierna heeft verweerder de beperking van de verblijfsvergunning van eiser in januari 2017 op verzoek van eiser gewijzigd naar ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Eiser heeft zich daarna weer schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Dit is voor verweerder aanleiding geweest om het primaire besluit te nemen.

3. In deze rechtszaak gaat het over het besluit van verweerder om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken per 16 maart 2017. Verweerder heeft deze intrekking gebaseerd op de zogenoemde glijdende schaal van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Aan de norm uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb is voldaan zodat zijn vergunning kon worden ingetrokken. Vanwege eisers strafrechtelijke veroordelingen is verweerder daarnaast overgegaan tot het opleggen van een inreisverbod voor de duur van vijf jaar. Verweerder heeft daarbij gemotiveerd waarom hij vindt dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Ook heeft verweerder toegelicht waarom de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod volgens hem geen strijd opleveren met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Mocht verweerder de verblijfsvergunning van eiser intrekken en een inreisverbod opleggen?

4. Eiser voert aan dat verweerder de intrekking van zijn verblijfsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens eiser is de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing, omdat zijn verblijfsvergunning ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ voortbouwt op zijn vergunning om bij zijn moeder te mogen verblijven.1 Verweerder had op grond van het arrest G.S. en V.G. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 december 2019 aan de hand van een individuele beoordeling moeten motiveren waarom de gepleegde strafbare feiten zodanig ernstig van aard zijn dat het noodzakelijk is het verblijfsrecht van eiser in te trekken.2 Verweerder heeft de intrekking gebaseerd op de glijdende schaal, maar die voldoet niet aan de criteria uit dit arrest. In de glijdende schaal wordt namelijk onvoldoende rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten in verhouding tot de noodzakelijkheid van verblijfsbeëindiging. Verder voert eiser over het inreisverbod aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Over de actualiteit van de bedreiging voert eiser aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de vorderingen binnen de ISD-maatregel (maatregel inrichting stelselmatige daders) niet heeft onderbouwd. Er zijn namelijk aantoonbare acties ondernomen in dit traject, maar als gevolg van verweerders besluitvorming is het resocialisatietraject stopgezet. Ook heeft eiser er op gewezen dat hij sinds september 2019 weer vrij is en dat hij sindsdien niet meer is aangehouden voor misdrijven. Dit duidt op een positieve gedragsverandering. Over de ernst van de bedreiging voert eiser kort gezegd aan dat verweerder zijn complexe persoonlijke problemen onvoldoende bij het bestreden besluit heeft betrokken. Ten slotte wijst eiser er op dat zijn strafblad grotendeels bestaat uit vermogensdelicten en dat ook daarom niet kan worden gesproken van een ernstige bedreiging.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser mocht intrekken. Voor de onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar overweging 6. Daar zal de rechtbank uitleggen dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Omdat aan dit - strengere - criterium is voldaan, wordt ook voldaan aan de criteria die op basis van de Gezinsherenigingsrichtlijn gelden voor het intrekken van een verblijfsrecht. Het antwoord op de vraag of de criteria van de Gezinsherenigingsrichtlijn in het geval van eiser van toepassing zijn, kan dus in het midden blijven.

6. De rechtbank overweegt dat verweerder een inreisverbod van vijf jaar mag opleggen als het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich gelet op het strafblad van eiser en zijn gedrag niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit het geval is. Eiser is meermalen veroordeeld voor het plegen van diefstallen. Onder andere in 2015 is hem jeugddetentie opgelegd voor de duur van vijf maanden. Daarnaast is hij in 2015 tot jeugddetentie veroordeeld voor opzetheling en handel in harddrugs. Op 16 maart 2017 heeft eiser zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het betreft een woninginbraak, een poging daartoe, een bedreiging met zware mishandeling en een diefstal. Voor deze misdrijven is eiser veroordeeld tot een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. De strafrechter heeft voor deze straf gekozen en niet voor een minder vergaande straf, omdat uit rapporten blijkt dat eerdere hulptrajecten door toedoen van eiser voortijdig zijn beëindigd en er niet voor hebben gezorgd dat eiser zijn gedrag heeft aangepast. De ISD-maatregel heeft onder andere het doel om de maatschappij te beveiligen. Bij de oplegging van deze straffen en maatregelen heeft de strafrechter rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden en problematiek van eiser. Gelet daarop en op de mislukte hulptrajecten, heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de persoonlijke problematiek van eiser niet maakt dat geen sprake is van een voldoende ernstige bedreiging. De rechtbank heeft oog voor de door eiser aangevoerde omstandigheden dat hij sinds zijn vrijlating in september 2019 niet in aanraking is geweest met de politie en dat het resocialisatietraject is gestopt vanwege de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Deze omstandigheden maken echter niet dat de bedreiging niet meer actueel zou zijn. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser vanaf zijn zestiende jaarlijks misdrijven heeft gepleegd en dat de trajecten die aan eiser zijn aangeboden niet voor een positieve gedragsverandering hebben gezorgd. Ook de waarschuwing die verweerder eiser bij zijn eerste voornemen om eisers verblijfsvergunning in te trekken heeft gegeven, heeft geen effect gehad op zijn gedrag. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn gedrag op een andere manier structureel heeft veranderd. Enkel op basis van de door eiser genoemde omstandigheden kan dus niet worden geconcludeerd dat zijn gedrag niet langer een actuele bedreiging vormt. Dat betekent dat verweerder aan eiser een inreisverbod van vijf jaar mocht opleggen. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht verweerder de verblijfsvergunning van eiser intrekken met terugwerkende kracht?

7. Eiser voert aan dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op zijn bezwaargrond dat intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht niet is toegestaan. Eiser heeft verwezen naar een artikel van professor [naam] , waarin staat dat het nauwelijks mogelijk is om een duidelijk moment vast te stellen waarop iemand er niet langer op mocht vertrouwen dat voortzetting van zijn verblijf zou worden toegestaan.

8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser op het artikel van professor [naam] niet slaagt. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, heeft verweerder eiser op 23 december 2016 gewaarschuwd dat een nieuwe veroordeling wegens een misdrijf zou kunnen leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. Eiser wist dus dat het plegen van de strafbare feiten op 16 maart 2017 intrekking van zijn verblijfsvergunning tot gevolg zou kunnen hebben. Daarnaast is van belang dat uit de geldende regelgeving niet volgt dat intrekking met terugwerkende kracht niet zou zijn toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

9. Eiser is het niet eens met het standpunt van verweerder dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod geen strijd opleveren met artikel 8 van het EVRM. Voordat de rechtbank een oordeel geeft over de argumenten die eiser op dit punt naar voren heeft gebracht, wordt hieronder eerst een korte samenvatting gegeven van eisers persoonlijke omstandigheden.

10. Eiser is naar Nederland gekomen toen hij vijftien jaar oud was. Voordat eiser naar Nederland kwam, woonde hij bij zijn vader in Marokko en ging hij daar naar school. Zijn ouders zijn gescheiden toen hij twee jaar oud was. Op zijn vijfde is hij aan zijn vader toegewezen. Daarna heeft hij zijn moeder niet meer gezien totdat hij in Nederland kwam. In het begin van 2011 heeft de partner van eisers moeder namens eiser een aanvraag gedaan om in Nederland te mogen verblijven. Nadat verweerder deze aanvraag aan het einde van 2011 heeft ingewilligd, is eiser in Nederland komen wonen bij zijn moeder, de partner van zijn moeder, zijn twee halfbroertjes en zijn halfzusje. Kort daarna is zijn vader overleden. Omdat het niet goed ging bij zijn moeder in huis, is hij het huis uitgegaan. Daarna heeft hij op verschillende plekken verbleven. Eiser is onder andere begeleid gaan wonen en heeft in detentie gezeten.

11. Eiser voert aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de inmenging in zijn privéleven gerechtvaardigd is. Eiser vindt dat verweerder niet kenbaar in zijn belangenafweging heeft betrokken dat eisers naaste familieleden in Nederland wonen en dat eiser er belang bij heeft om zijn bestaan in Nederland voort te zetten. Eiser is zich er bewust van dat zijn jaren in Nederland problematisch zijn geweest, maar vindt dat dit niet los kan worden gezien van zijn persoonlijke problematiek. Volgens eiser heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat niet is aangetoond dat sprake zou zijn van problemen bij terugkeer naar Marokko. Eiser wijst er op dat hij inmiddels een aanzienlijke periode in Nederland verblijft, dat hij zeer geringe banden heeft met Marokko en dat zijn verblijf daar uiterst problematisch is geweest.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder alle door eiser aangevoerde omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de oplegging van het inreisverbod niet in strijd zijn met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarbij sterk in het nadeel van eiser kunnen laten meewegen dat hij vanaf zijn zestiende jaarlijks misdrijven heeft gepleegd, dat hij nauwelijks heeft gewerkt en dat hij geen positieve bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse maatschappij. Daarnaast heeft verweerder geen groot gewicht kunnen toekennen aan de persoonlijke problematiek van eiser, omdat eiser hiervoor meerdere trajecten zijn aangeboden en geen van deze trajecten heeft geleid tot een gedragsverandering. Verder hoefde verweerder geen groot gewicht toe te kennen aan eisers stelling dat hij zeer geringe banden heeft met Marokko en kon verweerder zich op het standpunt stellen dat van eiser kan worden verwacht dat hij zich daar staande kan houden. Eiser heeft namelijk zijn vormende jaren doorgebracht in Marokko en spreekt daar de taal. Gelet op deze omstandigheden hoefde verweerder geen doorslaggevend belang toe te hechten aan de duur van eisers verblijf in Nederland en aan het feit dat eiser hier familieleden heeft. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de belangen van de Nederlandse samenleving en openbare orde zwaarder wegen dan de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Hoorplicht

13. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar, omdat zijn bezwaar niet kennelijk ongegrond was.

14. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond slaagt. Gelet op de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd, kon verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet op het standpunt stellen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de conclusie dat het bezwaar van eiser ongegrond was. Er is dus een gebrek in de besluitvorming. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft eiser namelijk gehoord nadat hij het voornemen had uitgebracht om het primaire besluit te nemen. De gemachtigde van eiser was bij deze hoorzitting aanwezig. Ook heeft eiser zijn standpunt samen met zijn gemachtigde nog een keer toegelicht tijdens de zitting over deze beroepszaak. De rechtbank concludeert daarom dat eiser niet is benadeeld doordat verweerder hem niet heeft gehoord in de bezwaarfase.

Conclusie

15. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

16. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 525,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiser een toevoeging is verleend, dan moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C.H. Hersbach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging

2 ECLI:EU:C:2019:1072 .