Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4188

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
SGR 19/2334
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking parkeervergunning / het voertuig is 16 centimeter hoger dan de in de APV toegestane hoogte van 2,40 meter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: V.M.M. Albers).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de parkeervergunning van eiser in te trekken.

Bij besluit van 19 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij verweerder.

Verweerder heeft op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep doorgestuurd aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting behandeld op 9 maart 2020.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten de parkeervergunning van eiser in te trekken gelet op artikel 225 van de Gemeentewet en artikel 6 van de Verordening Parkeerregulering en Parkeerbelastingen Rijswijk (hierna: de Parkeerverordening), omdat uit controle is gebleken dat het voertuig van eiser te hoog of te lang is en dat er dus niet wordt voldaan aan de voor verlening van de parkeervergunning gestelde voorwaarden.

1.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard met verwijzing naar artikel 6 van de Parkeerverordening, artikel 11 van de Beleidsregels parkeervergunningen gemeente Rijswijk 2017 en artikel 5.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rijswijk (hierna: de APV) en het bijbehorende

Uitvoeringsvoorschrift nr. 12/17.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zijn voertuig 5,50 meter lang is en binnen de toegestane lengte van 6 meter past. Eiser heeft foto’s van in zijn woonwijk geparkeerde auto’s overgelegd om aan te tonen dat er meer voertuigen buiten het parkeervak uitsteken. Eiser stelt dat sprake is van ongelijke behandeling nu ten aanzien van de eigenaars van deze voertuigen de parkeerregels niet worden gehandhaafd. Eiser stelt dat de omwonenden geen last ondervinden van zijn geparkeerde voertuig, omdat eiser zijn voertuig tegen een park aan, op minimaal van 50 of 100 meter afstand van woonhuizen parkeert. Door de intrekking van de parkeervergunning is eiser voor een parkeerplek aangewezen op de bedrijfsterreinen [bedrijventerrein 1] en [bedrijventerrein 2] , maar dit is voor eiser geen geschikte oplossing omdat de parkeerplaatsen daar al vroeg op de dag vol zijn.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Per 23 december 2019 is een nieuwe APV (Gemeenteblad 2019, nr. 312282) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht gelden besluiten genomen krachtens de APV van 2017 die op het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe verordening golden en waarvoor de nieuwe verordening overeenkomstige besluiten kent, als besluiten genomen krachtens de nieuwe verordening.

De rechtbank stelt vast dat artikel 5:8 van de thans geldende APV, ten opzichte van de ten tijde van het bestreden besluit geldende APV geen relevante wijziging voor de onderhavige zaak bevat.

In de APV (nieuw) is in artikel 5:8, met titel ‘Grote voertuigen’, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

3. (…);

4. (…);

5. Het college kan, in uitzonderlijke gevallen, ontheffing verlenen van de verboden. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden.

6. (…).

Artikel 5:8 is opgenomen in hoofdstuk 5, in afdeling 1 met titel ‘Parkeerexcessen’, van de APV en bevat regels waarmee het parkeren van grote voertuigen kan worden tegengegaan.

Gezien de toelichting (Gemeenteblad 2019, nr. 312282, pag. 108) beoogt het eerste lid van artikel 5:8 van de APV aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan.

Het tweede lid van dit artikel beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg.

3.2

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Parkeerverordening, kan het college een vergunning intrekken of weigeren om redenen van openbaar belang.

3.3

Niet in geschil is dat het parkeerverbod voor grote voertuigen, op alle plaatsen en wegen binnen de bebouwde kom geldt met uitzondering van de plaatsen en wegen vermeld in het Uitvoeringsvoorschrift nr. 12/17 (de bedrijventerreinen [bedrijventerrein 2] en [bedrijventerrein 1] ).

3.4

Het voertuig van eiser is 5,35 meter lang en 2,56 meter hoog.

3.5

De rechtbank stelt vast dat de lengte van het voertuig de in artikel 5:8, eerste en tweede lid, van de APV gestelde lengte van 6 meter niet overschrijdt. Het voertuig is wel 16 centimeter hoger dan de in het eerste lid van dit artikel toegestane hoogte van 2,40 meter. Gelet hierop is op het voertuig van eiser het verbod van het eerste lid van artikel 5:8 van de APV van toepassing. Dit is echter niet duidelijk aangegeven in het bestreden besluit. Door in het bestreden besluit te overwegen dat het voertuig te groot is voor een normaal parkeervak en over de normale rijbaan uitsteekt, heeft verweerder ten onrechte de indruk gewekt dat de intrekking van de parkeervergunning te maken heeft met de lengte van het voertuig. Ook kan de overweging in het bestreden besluit, dat het parkeren van het voertuig “buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte”, worden opgevat als een verwijzing naar het tweede lid van artikel 5:8 van de APV. Dat artikellid is echter niet van toepassing in deze zaak, omdat het daarin opgenomen verbodsbepaling niet op de hoogte, maar op de lengte van de voertuigen ziet. Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering.

4. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

5. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat verweerder niet opnieuw op het bezwaar dient te beslissen. De reden hiervoor is dat gezien de door verweerder ter zitting gegeven toelichting, het nemen van een nieuw besluit op bezwaar in deze procedure niet tot een andere uitkomst voor eiser zal leiden dan intrekking van de parkeervergunning. Immers, het voertuig valt vanwege zijn hoogte onder de verbodsbepaling van het eerste lid van artikel 5:8 van de APV. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de parkeervergunning voor dit voertuig ten onrechte is verleend door een omissie in het systeem en dat voor het parkeren van dit voertuig in de directe omgeving van de woning van eiser geen ontheffing van het parkeerverbod mogelijk is. Hierdoor is het ook niet mogelijk voor verweerder om in het kader van een nieuw te nemen besluit in een belangenafweging – in weerwil van het hiervoor omschreven verbods- en ontheffingsstelsel – doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het belang van eiser om zijn bedrijfsauto in de nabijheid van zijn woning te parkeren. De omstandigheid dat ook andere grote voertuigen in de woonwijk van eiser parkeren, betekent voorts niet dat verweerder de parkeervergunning van eiser niet zou mogen intrekken. De door eiser overgelegde foto’s betreffen momentopnames en tonen niet aan dat verweerder ten aanzien van de bedoelde voertuigen de parkeerregels niet handhaaft. De rechtbank merkt ten slotte op dat door verweerder ter zitting is aangegeven dat aan eiser op aanvraag mogelijk een ontheffing van het parkeerverbod kan worden verleend voor (één bepaalde strook van) de Laan te Blotinghe, hetgeen voor eiser, gelet op de afstand tot zijn woning, een betere optie is dan parkeren op de bovengenoemde bedrijventerreinen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu niet is gebleken dat in de beroepsprocedure van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake is geweest.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand

blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 april 2020.

De griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te tekenen.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.