Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4067

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
NL20.9159
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring, rechtmatig verblijf door TKB beeindigd, voldoende gronden, vooruitzicht op verwijdering binnen redelijke termijn ontbreekt niet, terecht geen lichter middel. beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.9159

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 19 april 2020 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft op 22 april 2020 gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 april 2020 een verweerschrift ingediend. Omdat er geen nadere vragen waren naar aanleiding van de stukken, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens op 28 april 2020 gesloten.

Gelet op de maatregelen die zijn getroffen bij de Rechtspraak vanwege de Corona uitbraak en ter voorkoming van verdere besmettingen is het onderhavige beroep schriftelijk behandeld.

Overwegingen

  1. Eiser stelt dat hij de Chileense nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1989] .

  2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van

het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Rechtmatig verblijf

3. Eiser voert aan dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft en dat verweerder eiser gelet daarop op 18 april 2020 niet in bewaring mocht stellen. Eiser is vanuit Chili naar Frankrijk gereisd en verblijft nog in zijn vrije termijn van drie maanden na aankomst in Frankrijk. Uit het dossier blijkt niet dat Frankrijk het rechtmatig verblijf van eiser heeft beëindigd.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat aan eiser vóór het opleggen van de bewaringsmaatregel op 18 april 2020 een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. Daarmee is het rechtmatig verblijf van eiser beëindigd. Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, zodat deze besluiten niet ter toetsing voorliggen. Dat uit het dossier niet blijkt dat Frankrijk het rechtmatig verblijf van eiser in de vrije termijn heeft beëindigd, is gelet op het voorgaande niet relevant. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

en als lichte gronden2 vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

6. Eiser betwist alle bewaringsgronden. Verweerder heeft de lichte grond onder 4e laten vallen. Zoals uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 maart 20203 volgt, kan bij de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware gronden worden volstaan met een toelichting waaruit de feitelijke juistheid van de grond blijkt. Naar het oordeel van de rechtbank is bij grond 3a duidelijk toegelicht dat verweerder op goede gronden vermoedt dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser kon namelijk geen

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

3 ECLI:NL:RVS:2020:829.

paspoort overleggen waardoor het niet mogelijk was om te controleren of eiser op de voorgeschreven wijze is ingereisd. De enkele verklaring van eiser dat hij op 14 maart 2020 vanuit Peru naar Frankrijk is gevlogen en dat hij op 20 maart 2020 vanuit Amsterdam weer terug zou vliegen naar Peru is daartoe onvoldoende. Ook grond 3d is feitelijk juist. In de maatregel heeft verweerder toegelicht dat uit het gedrag van eiser blijkt dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Zo bleek dat de vingertoppen van eiser zijn beschadigd en dat grote vellen van de toppen van zijn vingers zijn af gestript. Dat de vingertoppen van eiser zijn beschadigd door een ziekte, zoals hij heeft verklaard tijdens het verhoor op 2 april 2020, is op geen enkele wijze onderbouwd. De bewaringsgronden onder 3a en 3d zijn samen voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze twee gronden kunnen de maatregel dus al dragen. De overige gronden van de bewaring behoeven daarom geen bespreking meer.

Het zicht op verwijdering

7. Eiser voert verder aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Gelet op de omstandigheden met het coronavirus is er een gebrek aan vluchten en zal eiser dus niet binnen korte termijn worden uitgezet naar Chili.

8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de sluiting van het luchtruim een tijdelijke belemmering is die niet meebrengt dat het zicht op verwijdering naar Chili op het moment van de inbewaringstelling ontbrak. Gelet op de ontwikkelingen rond het coronavirus is het aannemelijk dat deze situatie nog enige tijd gaat duren. Dat de situatie zo lang zal duren dat uitzetting niet binnen een redelijke termijn kon plaatsvinden, is niet gebleken. De rechtbank voegt hier aan toe dat er ten tijde van het opleggen van de maatregel nog geen (vervangend) reisdocument voor eiser beschikbaar was en het boeken van een vlucht dus nog niet aan de orde was. De beroepsgrond slaagt niet.

Een lichter middel

9. Eiser voert aan dat verweerder voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.

10. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht geen lichter middel heeft gekozen dan de inbewaringstelling. Verweerder mag daarbij niet alleen verwijzen naar de bewaringsgronden, maar moet in de maatregel specifiek motiveren waarom hij de bewaring noodzakelijk vindt. Daarbij moet verweerder ook ingaan op de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Dit is vaste rechtspraak.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder dat in deze zaak heeft gedaan en dus terecht geen lichter middel heeft toegepast. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in de maatregel staat vermeld dat een lichter middel zal worden overgewogen zodra het paspoort van eiser beschikbaar is. Nadat verweerder het paspoort van eiser op 19 april 2020 had ontvangen, heeft verweerder de maatregel heroverwogen en is de maatregel dezelfde dag nog opgeheven. Daarnaast blijkt ook uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen een risico op onderduiken. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht overwogen dat een lichter middel zoals een meldplicht, niet zal leiden tot het zelfstandig vertrek van eiser. Bovendien heeft de gemachtigde van

4 ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het HvJEU van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

eiser ook niet toegelicht waarom van meet af aan had kunnen volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

30 april 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.