Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4064

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
AWB 19/10111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

MVV. 8 EVRM. Eritrese. Broer en minderjarige zus. Toestemmingsverklaringen biologische ouders. Belangenafweging. Belangen van het kind. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/10111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om aan haar een mvv1 te verlenen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en het beroep aangevuld met gronden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2004 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Ten behoeve van haar is een mvv aangevraagd door [Naam 2] (referent). Aan hem is hier te lande een asielvergunning verstrekt. Hij stelt de broer van eiseres te zijn.

2. Bij besluit van 1 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen ondertekende antecedentenverklaring en geen ondertekende verklaring van bereidheid voor het ondergaan van een TBC-onderzoek is overgelegd.

3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan referent gehoord. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder neemt aan dat eiseres in bewijsnood verkeert voor het onderbouwen van haar identiteit. Verweerder neemt ook aan dat tussen eiseres en referent gezinsleven bestaat. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat het belang van de Nederlandse staat bij handhaving van het vreemdelingenbeleid, de openbare orde en het economisch welzijn zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het uitoefenen van gezinsleven met referent in Nederland. Om die reden heeft verweerder geen onderzoek gedaan naar de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent. Ook werpt verweerder aan eiseres tegen dat zij geen toestemmingsverklaringen van haar biologische ouders heeft overgelegd.

4. Op wat eiseres daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Toestemmingsverklaringen

5. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte van haar verlangt dat zij toestemmingsverklaringen van haar biologische ouders overlegt. Daarbij wijst eiseres erop dat zij sinds 2016 gescheiden leeft van haar ouders, zodat van een onrechtmatige onttrekking aan het ouderlijk gezag geen sprake kan zijn.

6. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Met de enkele omstandigheid dat eiseres en haar ouders sinds 2016 niet bij elkaar wonen, is niet aannemelijk gemaakt dat de ouders van eiseres instemmen met haar vertrek naar Nederland. Verweerder vereist deze instemming terecht gelet op de stelling van eiseres dat zij minderjarig is. In dit geval kan het ontbreken van toestemmingsverklaringen echter niet dragend zijn voor de afwijzing van de mvv. Verweerder heeft eiseres namelijk niet in de gelegenheid gesteld om door middel van stukken of anderszins te onderbouwen waarom zij niet in staat is om toestemmingsverklaringen over te leggen. De rechtbank komt dan ook toe aan toetsing van de door verweerder verrichte belangenafweging.

Belangenafweging

7. Op grond van artikel 8 van het EVRM2 heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn gezinsleven.

8. Dit recht strekt echter niet zo ver dat de keuze van een immigrant voor een land van verblijf en voor uitoefening van gezinsleven steeds moet worden gerespecteerd. Wel moet steeds een redelijk evenwicht worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het algemene Nederlandse belang anderzijds. Alle van belang zijnde individuele feiten en omstandigheden moeten daarbij kenbaar worden betrokken. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van het EHRM3. Omdat verweerder bij het maken van deze belangenafweging beoordelingsruimte heeft, moet de rechtbank deze enigszins terughoudend toetsen.

9. Niet in geschil is dat tussen eiseres en referent gezinsleven bestaat en dat alle van belang zijnde feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging zijn meegewogen.

10. Verweerder heeft niet ten onrechte als uitgangspunt genomen dat het gaat om een aanvraag voor een eerste toelating tot Nederland, zodat er geen inmenging plaatsvindt in een bestaande uitoefening van gezinsleven in Nederland. Anders dan eiseres aanvoert, komt er om die reden gewicht toe aan de omstandigheid dat zij geen binding heeft met Nederland.

11. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op asielgerelateerde aspecten. Verweerder heeft immers overwogen dat niet van eiseres wordt verwacht dat zij zich weer bij haar ouders in Eritrea vestigt vanwege de veiligheidssituatie aldaar. Van asielgerelateerde aspecten op grond waarvan uitoefening van het gezinsleven niet op een andere plaats buiten Nederland zou kunnen plaatsvinden, is niet gebleken. De beoordeling van verweerder is dan ook in overeenstemming met de door eiseres aangehaalde bronnen4.

12. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiseres eerst en vooral belang heeft bij het uitoefenen van gezinsleven met haar biologische ouders. De omstandigheid dat dit op dit moment niet in Eritrea mogelijk is, maakt dat niet anders. Verweerder heeft hierbij kunnen wijzen op de verklaringen van referent tijdens de hoorzitting van 9 juli 2019 dat de ouders van eiseres de zorg voor haar droegen tot haar vertrek uit het gezin in 2016 en dat hijzelf slechts ondergeschikte opvoedtaken op zich nam.

13. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen onderbouwing heeft geleverd van haar stelling dat het onmogelijk is om het gezinsleven met referent in Ethiopië uit te oefenen, waar zij sinds 2016 verblijft, omdat referent geen toegang tot Ethiopië zou krijgen. Ook anderszins is niet gebleken van een objectieve belemmering voor eiseres en referent om gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

14. De tegenwerping van verweerder dat referent gelet op zijn huidige inkomenspositie niet in staat zal zijn om eiseres te onderhouden, is niet betwist. De stelling van eiseres dat zij mede gelet op de behoefte op de Nederlandse arbeidsmarkt aan arbeidsmigranten5 in de toekomst mogelijk zelf een goed inkomen in Nederland zal kunnen genereren, kan in de belangenafweging geen gewicht krijgen omdat dit een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft.

15. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiseres laten uitvallen. De rechtbank volgt eiseres wel in haar stellingen dat verweerder ten onrechte heeft gewezen op het vrijwillige vertrek van eiseres uit het ouderlijk gezin, omdat dit in ieder geval naar gesteld noodgedwongen is geweest. Ook volgt de rechtbank eiseres in haar stelling dat verweerder ten onrechte heeft gewezen op de lange duur van de scheiding van eiseres en haar ouders, nu dit deels is veroorzaakt door de trage behandeling van het bezwaar door verweerder. Dit is echter gelet op wat hiervoor is overwogen onvoldoende om de belangenafweging alsnog in het voordeel van eiseres te laten uitvallen.

Belangen van het kind

16. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende belang heeft gehecht aan haar minderjarigheid. Daarbij beroept eiseres zich op artikel 3, eerste lid, van het IVRK6 waarin is neergelegd dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten vormen. Ook voert eiseres aan dat zij in strijd met artikel 12, eerste lid, van het IVRK niet is gehoord. Ter onderbouwing heeft eiseres gewezen op het commentaar op deze artikelleden7.

17. Verweerder heeft er in de eerste plaats terecht op gewezen dat artikel 3 van het IVRK slechts rechtstreekse werking heeft voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het kind worden betrokken. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling8. Wel dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind.

18. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat in de besluitvorming op diverse manieren rekening is gehouden met de minderjarigheid van eiseres. Zo heeft verweerder vanwege de minderjarigheid van eiseres bewijsnood aangenomen ten aanzien van haar identiteit en heeft verweerder de gestelde familierechtelijke relatie met referent aangenomen. Maar ook heeft verweerder vanwege de minderjarigheid van eiseres acht geslagen op het ontbreken van toestemmingsverklaringen van haar biologische ouders. Verder heeft verweerder erop gewezen dat eiseres en referent hetzelfde belang hebben en dat om die reden kon worden volstaan met het horen van referent. Eiseres heeft dit alles in de reactie op het verweerschrift niet betwist. Wel voert eiseres aan dat het niet mogelijk is om duurzaam het gezinsleven uit te oefenen in Ethiopië, maar dit is met de enkele stelling dat er relatief veel Eritrese vluchtelingen in Ethiopië verblijven9 onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten aanzien van eiseres voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind.

Conclusie

19. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.

20. Het beroep is ongegrond.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020.

De griffier is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen.

De rechter is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Machtiging tot voorlopig verblijf.

2 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3 Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2006 (Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland), ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599.

4 Europees Migratienetwerk, Gezinshereniging van derdelanders in Nederland, mei 2017 en de Werkinstructie 2019/15 van verweerder.

5 Zoals beschreven in: Adviescommissie voor vreemdelingenzaken, Oproep voor een duurzaam migratiebeleid, maart 2000.

6 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.

7 Zoals opgenomen in de General Comments van het VN-Kinderrechtencomité.

8 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922.

9 Aldus het Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van oktober 2019.