Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4036

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5351
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag afgifte verblijfsdocument EU/EER afgewezen - artikel 20 VWEU - arrest Chavez-Vilchez - geen sprake van zodanige afhankelijkheidsverhouding - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Demoud).

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen.

Bij besluit van 14 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Salhi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1964 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 4 juni 2018 heeft eiser een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend voor verblijf bij zijn zoon [A] (referent), geboren op 25 april 2011 en van Nederlandse nationaliteit. Met deze aanvraag verzoekt eiser om toetsing aan het gemeenschapsrecht. Eiser stelt dat hij op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een verblijfsrecht in Nederland heeft. Eiser verblijft op dit moment in Nederland bij zijn echtgenote en hun vier kinderen, waaronder referent.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen omdat niet is gebleken dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en referent, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 10 mei 2017 in de zaak Chavez-Vilchez (ECLI:EU:C:2017:354), dat aangenomen moet worden dat referent gedwongen zal worden om samen met eiser het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien aan eiser geen EU/EER-verblijfsdocument wordt verstrekt.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent, nu de rol van eiser onmisbaar is in het leven van referent. Gezien de toenemende gezondheidsbeperkingen van zowel de moeder als de grootouders van referent, kunnen zij weinig zorgtaken op zich nemen. Dit wordt onderbouwd door de overgelegde verklaring van de moeder van referent, de brief van 19 april 2005 van het UWV waaruit blijkt dat de moeder van referent voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard en de overgelegde foto’s waarop onder meer eiser en referent te zien zijn bij diverse gelegenheden. Eiser voert daarnaast aan dat zijn verblijfsrecht als bloedverwant van een EU-burger van rechtswege is ontstaan, waardoor verweerder ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd. Verweerder had tot slot niet van de hoorplicht mogen afgezien.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van EU-burger ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in een lidstaat waar zijn minderjarige kinderen, die staatsburger zijn van die lidstaat en te zijnen laste komen, verblijven. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest volgt dat de vreemdeling die een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan dit artikel ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er al dan niet een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat, dat bij een weigering om aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Gelet op het vorenstaande slaagt de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte de bewijslast zou hebben omgekeerd dan ook niet.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat referent bij weigering van het verblijfsrecht aan eiser genoodzaakt is het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser lange tijd niet in het leven van referent aanwezig is geweest, vanwege zijn verblijf in Marokko. Pas sinds april 2018 (referent was toen zeven jaar) verblijft eiser in Nederland. De kinderen van eiser, waaronder referent, hebben die gehele periode bij hun moeder verbleven en bij haar lag derhalve ook het zwaartepunt in de zorg- en opvoedingstaken. Verweerder heeft de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent derhalve beperkt kunnen achten. Uit de overgelegde foto’s zou kunnen worden opgemaakt, dat eiser op momenten een rol speelt in het leven van referent en zijn andere kinderen, maar zij vormen onvoldoende onderbouwing dat eiser zodanig nauw betrokken is bij de opvoeding en zorgtaken van referent dat sprake is van voormelde afhankelijkheidsrelatie. De stelling dat moeder niet in staat zou zijn om voor de kinderen, waaronder referent, te zorgen is onvoldoende onderbouwd. De enkele verklaring van de moeder waarin zij dit stelt, is niet uit objectieve bron afkomstig en wordt niet ondersteund door (medische) stukken. Aan het schrijven van het UWV uit 2005 kan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien, nu deze zeer gedateerd is en ook hier niet wordt ondersteund door overige stukken. Recente (medische) stukken om voormelde stelling mee te onderbouwen ontbreken derhalve. Voorts is van belang dat moeder, ondanks de omstandigheid dat zij sinds 2005 afgekeurd zou zijn, toch in staat is geweest om vier kinderen op te voeden zonder hulp van eiser. Zij heeft gedurende die periode kennelijk ook geen aanleiding gezien om zich bij eiser in Marokko te voegen. Ook de stelling dat de grootouders niet meer in staat zouden zijn om de moeder van referent bij te staan, is niet met stukken onderbouwd. Reeds gelet op vorenstaande gaat de vergelijking met de ter zitting door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6516) niet op.

5.3.

Ten aanzien van het beroep van eiser op de schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.