Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4035

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5390
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'niet-tijdelijke humanitaire gronden' afgewezen - artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, Vb 2000 - niet gedurende drie jaar een duurzame relatie gehad - artikel 4:84 Awb - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5390

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Demoud).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden” afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Turkse nationaliteit. Met ingang van 22 januari 2014 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ”, met een geldigheidsduur tot 22 januari 2019. [A] was de partner van eiser. Op 2 november 2018 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de in artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) genoemde vereisten. Eiser heeft namelijk niet drie jaren een duurzame relatie met [A] gehad en derhalve niet drie jaren voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. Daarnaast is niet gebleken dat eiser in aanmerking komt voor de overige gronden van de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden” zoals bedoeld in artikel 3.50 en 3.51 van het Vb 2000. Volgens verweerder is geen sprake van bijzondere omstandigheden, waardoor geen aanleiding is gezien om artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. Verweerder heeft verder ambtshalve getoetst of eiser in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van zijn huidige verblijfsvergunning, maar wegens beëindiging van de relatie tussen eiser en [A] bestaat hier geen aanleiding toe. Evenmin komt eiser in aanmerking voor verblijf op grond van artikel 6 van het Associatiebesluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit 1/80), omdat uit Suwinet niet is gebleken dat hij een jaar ononderbroken legale arbeid heeft verricht bij dezelfde werkgever.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat hij een leven heeft opgebouwd in Nederland ten tijde van zijn relatie met [A] . Hij heeft daarnaast voor verschillende werkgevers gewerkt en doet mee aan maatschappelijke activiteiten. Het kan daarom redelijkerwijs niet van eiser worden verlangd dat hij terugkeert naar Turkije. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder ambtshalve had behoren te toetsen naar welk doel de verblijfsvergunning zou kunnen worden gewijzigd. Het is aan verweerder om te onderzoeken of eiser recht had op een zoekjaar na het eindigen van de relatie met [A] .

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Ingevolge artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 kan de vergunning onder de beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, worden verleend aan de vreemdeling op wie artikel 13 van het Besluit 1/80 van toepassing is, indien hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

Ingevolge paragraaf B9/8.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover relevant, verleent de IND op grond van artikel 3.51, achtste lid, van het Vb 2000 de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 van het Besluit 1/80 van toepassing is als hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet gedurende drie jaar een duurzame relatie met [A] heeft gehad.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds in het primaire besluit, waarnaar verwezen wordt in het bestreden besluit, gemotiveerd uiteengezet dat eiser gelet op het hiervoor overwogene niet voldoet aan de in artikel 3.51, achtste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 genoemde vereisten en zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden”. Ook heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat gelet op het vorenstaande evenmin aanleiding bestaat om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van eiser onder de beperking “verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ” te verlengen.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om artikel 4:84 van de Awb toe te passen. Niet is gebleken van dermate bijzondere omstandigheden dat dient te worden afgeweken van het beleid. De enkele stelling dat hij meedoet aan maatschappelijke activiteiten, een leven hier te lande heeft opgebouwd en heeft gewerkt, is daartoe onvoldoende.

6.4.

De in beroep aangevoerde stelling van eiser dat verweerder ambtshalve had behoren te toetsen naar welk doel de verblijfsvergunning zou kunnen worden gewijzigd, slaagt evenmin. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen rechtsregel is die dit gebiedt. Daarbij heeft eiser op zijn aanvraagformulier zelf aangekruist dat hij in aanmerking wenst te komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Niet is aangegeven dat hij verblijf op grond van arbeid in loondienst of een zoekjaar wil. Ook in de bezwaarfase is dit niet door eiser naar voren gebracht. Dit klemt te meer nu eiser in het verleden al eerder arbeid in loondienst heeft aangevraagd. Nu eiser het voorgaande heeft nagelaten, dient dit voor zijn rekening te komen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.