Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:4028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag artikel 9 Vw 2000 document afgewezen - Richtlijn 2004/38/EG - niet gebleken van daadwerkelijke relatie - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5511

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Demoud).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Ujvari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 14 mei 2013 is hij in het bezit gesteld van een document waaruit zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, met ingang van 2 oktober 2012. Het document is afgegeven voor het doel “familielid van een burger van de Unie”. Zijn partner, [A] (referente), heeft de Britse nationaliteit en is ook van Nigeriaanse afkomst.

1.2.

Op 13 september 2017 heeft eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een document “duurzaam verblijf burgers van de Unie”. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder nader onderzoek verricht. Uit de beschikbare informatie heeft verweerder twijfels gekregen omtrent de duur en de echtheid van de relatie tussen eiser en referente, waardoor de aanvraag op 13 februari 2018 is afgewezen en verweerder heeft vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als familielid van een Unieburger is geëindigd met ingang van 2 oktober 2012. Het hiertegen ingestelde bezwaar van eiser is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank van 22 januari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:519) is het beroep van eiser eveneens ongegrond verklaard.

1.3.

Eiser heeft op 5 juli 2018 onderhavige aanvraag ingediend om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 vanwege zijn gestelde relatie met referente.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser en referent een relatie zouden zijn aangegaan met als enig doel het in de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Op grond van verscheidene indicatoren heeft verweerder een onderzoek naar de gestelde relatie tussen eiser en referente ingesteld. Eén van die (individuele) indicatoren was de vaststelling dat uit informatie van de Britse Home Office bleek dat referente staat ingeschreven op een adres in het Verenigd Koninkrijk (VK) en zij in de afgelopen jaren vanuit Engeland jaarlijks voor enkele weken naar Nigeria afreisde om vervolgens weer terug naar Engeland te keren. Verweerder heeft daarom geconcludeerd dat het erop lijkt dat referente woonachtig is in Engeland en niet bij eiser in Nederland. Het door verweerder ingestelde onderzoek bestond uit het horen van eiser en referente op 9 januari 2019. Naar aanleiding van deze hoorzitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser en referente over essentiële en belangwekkende alsmede over recente onderwerpen tegenstrijdige, bevreemdingwekkende en vage verklaringen hebben afgelegd, zoals over de reisbewegingen van referente in 2018, de gestelde samenwoning, de gezamenlijke bankrekening en het gestelde dienstverband van referente bij Black Beauty Afro Cosmetics. Ook nadat eiser en referente met elkaars verklaringen werden geconfronteerd, bleef dit beeld bestaan. De voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 22 januari 2019 onderstreept bovendien het voorgaande, aldus verweerder. De door eiser overgelegde stukken – te weten zeven foto’s van eiser en referente, een brief van een telecommaatschappij gericht aan referente op het gestelde adres van samenwoning, een arbeidsovereenkomst tussen referente en Black Beauty Afro Cosmetics, een werkgeversverklaring, salarisspecificaties alsmede afschriften van de gezamenlijke bankrekening – heeft verweerder onvoldoende geacht om tot een ander oordeel te leiden. Door voormelde omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de relatie tussen eiser en referente een schijnrelatie is. Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referente niet in Nederland heeft verbleven. Ten aanzien van de afgelegde verklaringen voert eiser aan dat niet kan worden tegengeworpen dat eiser niet kan aangeven wanneer referente op reis is gegaan, als referente daar zelf ook geen juist antwoord op kan geven. Referente was bovendien zenuwachtig tijdens de hoorzitting. Daarnaast zien de vragen die zijn gesteld ten onrechte voornamelijk op het verblijf van referente in Nederland en met name op de door haar ondernomen reizen. Eiser voert aan dat er juist indicaties zijn dat sprake is van een duurzame relatie tussen hen. Hij is namelijk op de hoogte van de werkzaamheden van referente. Daarnaast hebben beiden verklaard dat zij een gezamenlijke rekening hebben en dat David de hoofdbewoner is van de woning waarin zij allen wonen.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn kunnen de lidstaten maatregelen nemen om een in de richtlijn neergelegd recht in het geval van misbruik of fraude, zoals schijnhuwelijken, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Artikel 35 van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 8.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), waarin staat dat verweerder het rechtmatig verblijf kan beëindigen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf. In overweging 28 van de Verblijfsrichtlijn worden schijnhuwelijken omschreven als huwelijken die zijn aangegaan met als enig doel het in de richtlijn neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. De definitie van schijnhuwelijken kan naar analogie worden uitgebreid tot andere vormen van relaties. Uit paragraaf 4.2 van de in COM 2009, 313, neergelegde richtsnoeren inzake de Verblijfsrichtlijn blijkt dat lidstaten individuele gevallen mogen onderzoeken wanneer er een gegrond vermoeden van misbruik of fraude bestaat, waarbij zij zich kunnen baseren op eerdere analyses en ervaringen die aantonen dat er een duidelijk verband bestaat tussen gevallen waarin misbruik is bewezen en bepaalde kenmerken van deze gevallen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat met de uitspraak van deze rechtbank van 22 januari 2019, aangehaald onder 1.2., in rechte is vast komen te staan dat het niet aannemelijk is dat eiser gedurende de periode 2012 tot en met 2017 een duurzame en exclusieve relatie met referente heeft gehad en dat terecht is vastgesteld dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn gehad. Eiser heeft vervolgens op 5 juli 2018 onderhavige aanvraag ingediend, omdat volgens eiser nog immer sprake is van een duurzame relatie met referente en is aangetoond dat referente hier te lande werkzaam is.

Aan de orde is dan ook de vraag of er inmiddels alsnog sprake is van een daadwerkelijke relatie tussen eiser en referente. Het is aan eiser om dit aan te tonen.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat tussen eiser en referente sprake is van een daadwerkelijke relatie. Gelet hierop heeft verweerder geen rechtmatig verblijf als familielid van een Unieburger gehad. Hiertoe is redengevend dat verweerder in het bestreden besluit en het besluit in primo uitgebreid en afdoende heeft gemotiveerd waarom eiser en referente er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke relatie. De omstandigheid dat eiser en referente tijdens de hoorzitting tegenstrijdige, bevreemdingwekkende en vage verklaringen hebben afgelegd over essentiële onderdelen van hun relatie, heeft verweerder onder andere tot deze conclusie kunnen brengen. Dat referente zenuwachtig zou zijn geweest tijdens de hoorzitting, doet daar niet aan af. Referente heeft weliswaar op enig moment aangegeven dat ze spanning en druk ervaarde, maar heeft blijkens het verslag van de hoorzitting juist goed haar grenzen kunnen aangegeven. Dat op enkele punten gelijkluidend is verklaard, doet niet af aan de omstandigheid dat over essentiële onderdelen van hun relatie tegenstrijdig is verklaard.

Ook de omstandigheid dat referente blijkens informatie van de Britse Home Office nog immer staat ingeschreven op een adres in het VK is door verweerder terecht meegewogen. De overgelegde foto’s zijn reeds in de vorige procedure overgelegd, waardoor deze geen bewijs vormen voor een relatie vanaf 2018. De overige stukken zijn voornamelijk van administratieve aard en vormen geen onderbouwing van de (feitelijke invulling van de) gestelde relatie. De stelling dat referente haar adres in het VK heeft aangehouden in verband met haar kinderen, leidt niet tot een ander oordeel. Tot slot leidt de stelling dat referente rechtmatig verblijf heeft als EU-onderdaan evenmin tot een ander oordeel, nu in onderhavige zaak niet het verblijfsrecht van referente, maar dat van eiser in geschil is.

6.3.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 mogen afwijzen.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Frieling, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.