Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3988

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
NL20.2298
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet tijdig beslissen op asielaanvraag, beroep gegrond, nieuwe beslistermijn van zes weken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.2298

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-

nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: Y.W.M. Schrijver).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Overwegingen

  1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van de algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.

  2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.

  3. Partijen zijn het met elkaar eens dat verweerder te laat is met het beslissen op de aanvraag van eiser. In zijn verweerschrift van 14 februari 2020 geeft verweerder dit ook aan. De rechtbank stelt vast dat eiser verweerder op 6 januari 2020 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

  4. Het beroep is kennelijk gegrond.

  5. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de

daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, van de Awb).

7. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog (artikel 8:55c van de Awb). De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 21 januari 2020 tot 3 maart 2020 en bedraagt € 1.442,-.

8. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, lid 3, van de Awb).

9. In zijn verweerschrift zegt verweerder dat er achterstanden zijn in de behandeling van de asielaanvragen. Dit komt doordat er meer zaken zijn en de samenstelling van de zaken anders is dan verwacht. Verweerder geeft aan dat de doorlooptijden van de asielaanvragen nog steeds stijgen en noemt in zijn verweerschrift de maatregelen die hij neemt om de doorlooptijden te verminderen. Verweerder is namelijk extra personeel aan het werven en analyseert zijn processen om te kijken of er sneller en slimmer gewerkt kan worden. In het specifieke geval van eiser wijst verweerder erop dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn asielaanvraag te onderbouwen, maar dat er nog geen besluit is genomen. Als verweerder een voornemen uitbrengt zal eiser in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken zijn zienswijze op het voornemen te geven. Verweerder houdt bovenop deze vier weken nog rekening met één postweek. Als verweerder de zienswijze heeft ontvangen probeert verweerder binnen twee weken op de asielaanvraag van eiser te beslissen. Gelet hierop verzoekt verweerder de rechtbank om te bepalen dat binnen acht weken na verzending van de uitspraak op de asielaanvraag van eiser moet worden beslist. Verweerder stelt voorts dat een ‘standaard’ dwangsom op overschrijding van de termijn van € 100,- per dag onevenredig is en verzoekt de rechtbank dit bedrag te verlagen.

10. Eiser vindt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een beslissing moet nemen. Volgens eiser is zijn aanvraag compleet en kan er op worden beslist. Hij heeft alle gehoren gehad en heeft waar nodig correcties en aanvullingen ingediend. Daar merkt eiser bij op dat hij zijn asielaanvraag op 19 juli 2018 heeft ingediend en dat de beslistermijn ruim is overschreden. Volgens eiser maakt verweerder met de verwijzing naar de algemene praktijk niet duidelijk waarom er in zijn procedure niet eerder beslist kan worden.

11. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser zijn asielaanvraag heeft kunnen onderbouwen. Zoals hij stelt, heeft hij meerdere gehoren gehad (aanmeldgehoor, eerste gehoor, nader gehoor, aanvullend gehoor) en is hij in de gelegenheid gesteld om zijn correcties en aanvullingen hierop in te dienen. Verder blijkt uit de stukken dat eisers asielaanvraag in de Verlengde Asielprocedure (VA-procedure) wordt behandeld.

12. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding om aan verweerder een beslistermijn van zes weken op te leggen. Zoals eiser stelt, ligt er al geruime tijd een complete aanvraag waar verweerder een voornemen op kan nemen. Dit is al zo sinds

16 september 2019, het moment dat eiser zijn correcties en aanvullingen op het aanvullend gehoor heeft ingediend. Dit is dus anders dan in die gevallen waarin een vreemdeling nog

geen eerste gehoor heeft gehad en nog in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn asielaanvraag te onderbouwen. In die gevallen geeft de rechtbank een uiterste beslistermijn van acht weken. In dit geval kan worden volstaan met een kortere termijn, maar de door eiser genoemde termijn van twee weken acht de rechtbank niet reëel. Eiser moet immers nog wel in de gelegenheid worden gesteld om zijn zienswijze op het voornemen te geven en verweerder moet dit vervolgens ook betrekken in zijn besluit. Eiser heeft ook niet aangegeven dat hij geen gebruik wil maken van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De rechtbank acht een termijn van zes weken in dit geval een redelijke termijn, waarbij zowel recht wordt gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op zijn aanvraag.

13. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lager bedrag toe te kennen, zoals door verweerder is verzocht. In afwijking van het landelijk beleid van een maximum van € 15.000 wordt het maximum bepaald op € 7.500.1 De rechtbank verlaagt dit maximum om de termijn dat een dwangsom wordt verbeurd te verkorten. Als de dwangsom nog niet volledig is verbeurd, is het voor een vreemdeling immers lastig een nieuw beroep niet tijdig zonder nieuwe feiten en omstandigheden, gehonoreerd te zien.2 Dat betekent dat de vreemdeling, als aan de termijnen niet wordt voldaan en bij een maximum van € 15.000, nog 150 dagen moet wachten voordat alle dwangsommen zijn verbeurd. Deze termijn acht de rechtbank te lang en daarom verkort de rechtbank deze termijn tot 75 dagen. Hiermee komt de rechtbank tegemoet aan het belang van eiser om, wanneer verweerder aan de uitspraak geen gevolg geeft, de zaak zonder nieuwe feiten en omstandigheden opnieuw aan de rechter voor te kunnen leggen. Ook komt de rechtbank hiermee tegemoet aan wat verweerder in zijn verweerschrift heeft gesteld over de hoogte van de dwangsom.

13. Het beroep is gegrond. Dat betekent ook dat eiser een vergoeding krijgt voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.

1. Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2019:5181

2 Rb. Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 25 oktober 2019, r.o. 3 (ECLI:NL:RBDHA:2019:11476)

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • -

    stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van

€ 7.500,-;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Westerhof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

28 april 2020

Documentcode: DSR11449634

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.