Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3615
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verleende vergoeding - artikel 12, tweede lid, aanhef en onder B van de Wrb, Kenniswijzer onder O030 - hobbymatig karakter - indirect en afgeleid belang - ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3615

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , kantoorhoudende te [plaats] , eiser

en

de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: G. van Dort).

Procesverloop

Bij besluit met verzenddatum 15 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de vergoeding van de toevoeging met het nummer [toevoegingsnummer] ingetrokken.

Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de intrekking ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is advocaat en neemt deel aan het High Trust-programma van verweerder, variant steekproefcontrole. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door verweerder naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

2. Op 24 april 2018 heeft eiser namens [A] (de rechtzoekende) een toevoeging aangevraagd. Aan deze toevoegingsaanvraag ligt een geschil ten grondslag dat betrekking heeft op de beëindiging van het lidmaatschap van rechtzoekende bij de tuinvereniging ‘Ons Buiten’ wegens overlast door zijn hond. Rechtzoekende ontkent deze overlast en wenst dit aan te vechten. Bij de toevoegingsaanvraag is een financieel belang van € 8.000,-- gesteld, bestaande uit de aankoopprijs van het zomerhuisje (à € 5.000,--) en de verbouwingskosten

(à € 3.000,--) hiervan. Rechtzoekende vreest deze investering door de beëindiging van het lidmaatschap bij de tuinvereniging te verliezen. Bij bericht van 16 mei 2018 heeft verweerder aan eiser een vergoeding toegekend van € 902,22.

3. Verweerder heeft naar aanleiding van een steekproef op 5 februari 2019 de voornoemde toegekende toevoeging, ingetrokken. Gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en de Kenniswijzer onder O030 (geschil verbintenissenrecht) acht verweerder deze zaak niet toevoegwaardig omdat sprake is van een geschil dat voortvloeit uit hobbymatige uitoefening dan wel vrijetijdsbesteding, waarbij niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een (materieel) financieel belang van minimaal € 500,--. Zo betreft de waarde van het mogelijke verlies van de gedane investering, te weten het op de grond aanwezige zomerhuisje, een indirect en afgeleid belang. Bovendien betreft dit een onzekere toekomstige gebeurtenis, afhankelijk van het feit of rechtzoekende het zomerhuisje kan verkopen. Verweerder oordeelt dat de aanvraag om toevoeging op immateriële belangen ziet zonder, in dit stadium van het geschil, enig financieel belang. De toevoeging is dan ook ten onrechte verstrekt. Om die reden dienen de kosten van rechtsbijstand voor eigen rekening van de rechtzoekende te komen.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe – zakelijk weergegeven – het volgende aan. Eiser wijst erop dat rechtzoekende door de opzegging van het lidmaatschap het stukje grond en de daarop aanwezige opstal als investering dreigt te verliezen. Eiser voert aan dat hij een financieel belang heeft bij de aanvraag van € 8.000,-- nu hij het zomerhuisje voor € 5.000,-- heeft gekocht en er voor nog eens € 3.000,-- aan heeft verbouwd. Daarbij gaat verweerder er aan voorbij dat de huur van het stukje grond bij de tuinvereniging en de aankoop van het zomerhuisje onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Rechtzoekende had juist dit stukje grond met zomerhuisje gehuurd om hier zomers met zijn vader en hond te kunnen verblijven, aangezien zij kleinbehuisd zijn.

Voorts wijst eiser erop dat op het moment dat de rechtsbijstand werd ingeschakeld de huurovereenkomst al op korte termijn was opgezegd en rechtzoekende het stukje land diende te verlaten en te ontruimen. Door achterlating van het tuinhuisje zou dit door natrekking eigendom worden van de tuinvereniging.

Ten slotte is het aannemelijk dat het verlies meer dan € 500,-- zal bedragen omdat bij gedwongen verkoop een zaak nooit dezelfde vraagprijs oplevert en waarschijnlijk zelfs minder dan de taxatieprijs (à € 3.694,97) zal opbrengen. Eiser verzoekt het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb volgt dat verweerder bij het verlenen van toevoeging ter behartiging van immateriële belangen een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt en dat toevoeging in die gevallen slechts bij uitzondering wordt verleend. In de wetsgeschiedenis zijn enkele voorbeelden gegeven, waaronder voorbeelden van belangen die direct samenhangen met vrijetijdsbesteding (Kamerstukken II, 1992-1993, 22 609, nrs. 6 en 11, blz. 11 en 4).

6.1

In de werkinstructie ‘O030 geschil verbintenissenrecht’ (te vinden op http://kenniswijzer.rvr.org) onder het kopje ‘Hobby-zaken / Vrijetijdsbesteding / Huisdieren’ heeft verweerder zijn beleid ten aanzien van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb uitgewerkt. Hierin is bepaald dat voor aanvragen die betrekking hebben op materiële vorderingen voortkomend uit hobby-gerelateerde zaken kan worden toegevoegd. Denk hierbij aan geschillen over de aankoop en verkoop van hobbygerelateerde zaken en huisdieren. Het financieel belang moet wel hoger zijn dan € 500,---. Hierbij is aangegeven dat wanneer het financieel belang lager is dan € 500,-- en de rechtzoekende beroept zich op immateriële belangen de aanvraag wordt afgewezen. Daarnaast is bepaald dat aanvragen met uitsluitend immateriële belangen worden afgewezen op grond van artikel 12 lid 2 sub b Wrb. Hierbij is aangegeven dat dan gedacht kan worden aan geschillen over het lidmaatschap van een vereniging of de jachtvergunning of geschillen over huisdieren waarbij alleen immateriële belangen spelen, bijvoorbeeld informatieverstrekking over een huisdier.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verleende vergoeding heeft mogen intrekken op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat het geschil waarvoor de toevoeging is aangevraagd een geschil betreft dat voortvloeit uit vrijetijdsbesteding dan wel hobbymatige uitoefening, te weten het verweer tegen de opzegging van het lidmaatschap van de tuinvereniging. De rechtzoekende heeft weliswaar geïnvesteerd in zijn tuin door het zomerhuisje dat daarin staat te kopen van het vorige lid en te verbouwen, maar dat brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat daarmee het hobbymatige karakter van deze vrijetijdsbesteding is komen te ontvallen. Verweerder heeft zich in dat kader op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijke verlies van de gedane investering een indirect en afgeleid belang van het oorspronkelijke geschil betreft dat op het moment van toetsing nog niet aan de orde was, zodat de toevoegingsaanvraag ten tijde van belang enkel zag op immateriële belangen zonder enig financieel belang. Het betoog van eiser dat de rechtzoekende de tuin heeft gehuurd zodat hij en/of zijn vader in de zomermaanden van het zomerhuisje gebruik kan/kunnen maken, laat de rechtbank onbesproken omdat daarover in de toevoegingsaanvraag niets is vermeld.

8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgehouden aan de intrekking van de toevoeging. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 14 april 2020 gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. B.P.C. Vonck, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.