Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3925

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 / 3712
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning ingetrokken wegens verplaasting hoofdverblijf buiten Nederland. Niet gebleken van gedwongen opname in het buitenland. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3712

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken en een terugkeerbesluit opgelegd.

Bij besluit van 18 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn de ouders van eiser verschenen, met als tolk B.P. den Butter.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is met ingang van 27 juli 1995 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Verweerder heeft daartoe gesteld dat uit de Basisregistratie Personen blijkt dat eiser van 1 november 2013 tot en met 12 april 2017 niet stond ingeschreven in Nederland, met als reden van uitschrijving ‘Registratie Niet Ingezetene’, en niet is gebleken dat eiser sinds 12 april 2017 weer in Nederland zijn hoofdverblijf heeft. Verweerder heeft in het bezwaar van eiser geen aanleiding gezien om tot een andere beslissing te komen.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat hij buiten zijn wil en schuld om meer dan zes maanden buiten Nederland heeft verbleven. Eiser heeft last van psychische problemen en is in Turkije meerdere keren opgenomen in een psychiatrische kliniek. Gelet op zijn psychische problemen kan hij niet handelen als een redelijk denkend persoon. Hij stelt dat verweerder dan ook niet kan vaststellen dat eiser de wil heeft gehad om zijn hoofdverblijf te verplaatsen en verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 20 juli 2010 (ECLI:NL:RBSGR:2010:BN3917). Voorts betoogt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het daarin neergelegde recht op eerbiediging van familieleven en privéleven. Eiser heeft twintig jaar lang rechtmatig verblijf gehad in Nederland; zijn ouders, ex-partner en drie kinderen wonen in Nederland; in Turkije heeft hij geen familieleden en ontbreekt toekomstperspectief; in Nederland heeft hij financiële belangen en hij heeft hier een sociaal netwerk opgebouwd. Verweerder heeft ten onrechte niet meegenomen dat eiser geen criminele antecedenten heeft en nimmer in detentie heeft gezeten. Tot slot stelt eiser dat hij had moeten worden gehoord.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en paragraaf B12/2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) wordt de verblijfsvergunning ingetrokken wanneer de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Volgens paragraaf B1/6.2.1., onder b, van de Vc wordt een verplaatsing van het hoofdverblijf aangenomen als de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen.

4.2.

Niet in geschil is dat eiser meer dan zes maanden buiten Nederland heeft verbleven noch dat hij psychische problemen heeft. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser buiten Nederland heeft verbleven wegens omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. Het is aan eiser om deze omstandigheden naar voren te brengen en aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.

4.3.

Daartoe is van belang dat de stukken die eiser (in de zienswijzefase) heeft overgelegd en waaruit blijkt dat hij een acupunctuurbehandeling heeft gehad in februari 2011, in dezelfde periode opgenomen is geweest wegens een manisch psychotisch toestandsbeeld en in april 2011 is onderzocht door een huisarts en een afspraak heeft gehad voor verdere diagnostiek in verband met een depressie, van vóór de periode zijn waarin eiser niet meer stond ingeschreven in de BRP.

4.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven te beschikken over aanvullende (onvertaalde, Turkse) stukken waaruit blijkt dat eiser in de relevante periode in Turkije opgenomen is geweest. Gemachtigde heeft verzocht deze stukken te mogen overleggen. Desgevraagd heeft hij verklaard deze stukken op de ochtend van de zitting te hebben gekregen van de ouders van eiser die de stukken een week voor de zitting toegestuurd hebben gekregen van een vriend uit Turkije. Volgens gemachtigde zijn eisers ouders langere tijd bezig geweest om de stukken uit Turkije te verkrijgen, maar is het hen eerder niet gelukt. Verweerder heeft zich tegen overlegging van de stukken verzet. De rechtbank heeft eisers verzoek ter zitting afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat verweerder eiser heeft gewezen op de noodzaak om bewijsstukken te overleggen en hem hiervoor ruimschoots de gelegenheid heeft gegeven – blijkens het voornemen, het e‑mail- en telefooncontact tussen partijen en het primaire besluit. Eiser heeft echter geen stukken overgelegd, noch (onderbouwd) gesteld dat stukken werden verzameld in Turkije of op enige moment voorafgaand de zitting verklaard waarom hij (nog) geen stukken kon indienen. Ook omdat de bestuursrechter in beroep toetst naar de stand van zaken ten tijde van het bestreden besluit mag de rechtbank geen rekening houden met stukken die verweerder niet heeft kunnen betrekken in zijn beoordeling (de ex-tunc toetsing). De stukken kunnen dus niet worden betrokken bij de beoordeling van deze beroepszaak.

4.5.

Bij deze stand van zaken is dus geen sprake van stukken die onderbouwen dat eiser gedurende de periode van 1 november 2013 tot en met 12 april 2017 een of meerdere keren gedwongen opgenomen is geweest in een psychiatrische kliniek in Turkije. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat als er sprake is van voortdurende ernstige psychiatrische problematiek niet in te zien valt dat er niet (meer) recente medische informatie voor handen is. Dat eiser psychische problemen heeft en hiervoor in het verleden is behandeld, is zonder meer onvoldoende. Verweerder heeft voorts bij de beoordeling mogen betrekken dat eiser op 4 april 2017 een aanvraag tot vernieuwing van zijn verblijfsdocument heeft ingediend, daarbij niet heeft gemeld dat sprake was van feiten en omstandigheden die gevolgen kunnen hebben voor zijn verblijfsrecht (te weten wijziging van zijn hoofdverblijf) en hij zijn nieuwe verblijfsdocument in Nederland heeft opgehaald en hij dus kennelijk wel in staat was naar Nederland te reizen. De stelling van eiser dat het toen beter met hem ging en hij begeleiding en medicatie kreeg, passeert de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing.

4.6.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser uit eigen beweging is vertrokken uit Nederland, nu niet is gebleken dat eiser uit onwil buiten Nederland heeft verbleven, en de intrekking daarom niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Onder verwijzing naar de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1539), is de rechtbank van oordeel dat verweerder met deze motivering niet ten onrechte de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van de eiser heeft doen uitvallen. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser zijn stellingen omtrent artikel 8 van het EVRM niet met stukken heeft gestaafd. De rechtbank ziet in het betoog van eiser dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dat eiser twintig jaar in Nederland rechtmatig verblijf heeft gehad, geen criminele antecedenten heeft en nooit in detentie heeft verbleven, is onvoldoende om de belangenafweging in zijn voordeel te doen uitvallen.

5. Ten aanzien van het terugkeerbesluit overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 27, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw een intrekking van een verblijfsvergunning tevens een terugkeerbesluit bevat. De omstandigheid dat eiser zich nooit aan enige uitzettingshandeling heeft onttrokken noch enige uitzetting heeft belemmerd is voor het opleggen van een terugkeerbesluit niet vereist. Het bestreden besluit bevat terecht een terugkeerbesluit.

6. Met betrekking tot de stelling van eiser dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Hetgeen in bezwaar is aangevoerd was reeds weerlegd in het primaire besluit en er zijn in bezwaar geen stukken overgelegd die aanleiding gaven om eiser te horen.

7. Het bestreden besluit is op juiste gronden genomen. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De uitspraak is gedaan op 28 april 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.