Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3883

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
NL20.7571
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië. Uitspraak buiten zitting, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7571

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-

nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E. Ebes), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

  3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft in Italië problemen ondervonden bij het verkrijgen van medische zorg voor zijn lichamelijke klachten. Hij had daarvoor

een bewijs van verblijf nodig, waarvan hij afhankelijk was van de kampbeheerder. Eiser heeft het bewijs niet verkregen en heeft zich hierover beklaagd bij de autoriteiten, maar werd niet geholpen. Eiser voert aan dat zijn verklaringen worden ondersteund met de informatie in het AIDA rapport van 16 april 2019 en het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020, omdat daarin wordt aangegeven dat lokale gezondheidsbeheerders weigeren

om asielzoekers in te laten schrijven vanwege het ontbreken van bewijs van 'residenza'. Ook blijk uit het rapport dat toegang tot de gezondheidszorg in de praktijk sowieso beperkt is.

Eiser vreest bij terugkeer naar Italië opnieuw problemen te zullen ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot medische zorg. Eiser is bij het ziekenhuis gezien vanwege een uitstekende rib. Ook heeft hij maagklachten, waarvoor medicatie is voorgeschreven.

Ter onderbouwing van zijn medische klachten heeft eiser zijn patiëntendossier overgelegd. Eiser voert verder aan dat uit het rapport van SFH/OSAR volgt dat Dublinclaimanten bij terugkeer naar Italië het recht op herhuisvesting verliezen, als zij eerder werden ondergebracht in een eerste- of tweedelijnsopvangcentrum in Italië. De prefectuur kan de opvangvoorziening intrekken als de persoon zonder voorafgaande kennisgeving afwezig is geweest in het centrum. Nu hij terugkeert uit Nederland en dus aantoonbaar zonder kennisgeving afwezig is geweest, is dit risico zeer reëel.

Eiser voert tot slot aan dat Italië zwaar is getroffen door het coronavirus, wat mogelijk gevolgen kan hebben voor de opvang en gezondheidszorg voor asielzoekers. Verweerder dient daarom de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen, dan wel te onderzoeken of de drempel uit het Jawo-arrest ten gevolge van het coronavirus wordt overschreden.

Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is. De rechtbank is van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd.

5. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 december 20181 is geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Recent heeft de ABRvS diverse malen bevestigd dat ten aanzien van Italië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan.2 De rechtbank ziet in de landeninformatie waarnaar eiser heeft verwezen geen aanleiding om anders te oordelen dan de ABRvS heeft gedaan in de hiervoor aangehaalde uitspraken.

6. De rechtbank overweegt daarbij dat de genoemde rapporten, voor zover de ABRvS deze informatie niet reeds in haar uitspraken in de beoordeling heeft betrokken, geen wezenlijk ander beeld schetsen van de situatie van asielzoekers in Italië dan de informatie die de ABRvS bij haar oordeel heeft betrokken. Eiser heeft met de door hem geschetste gang van zaken met betrekking tot de opvang en de medische voorzieningen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aangevoerde tekortkomingen zodanig zijn dat daaraan de conclusie moet worden verbonden dat Italië niet aan zijn internationale verplichtingen voldoet. De verwijzing naar onder meer het Jawo- arrest en het SFH/OSAR-rapport van 21 januari 2020 is, zonder onderbouwing met stukken die eiser persoonlijk betreffen, daarvoor onvoldoende. Laatstgenoemd rapport schetst geen wezenlijk ander beeld van de situatie dan waarvan de ABRvS in haar uitspraken uit is gegaan. Het geeft onder andere een beschrijving van de wettelijke status van Dublinterugkeerders na hun overdracht aan Italië en de voor hen beschikbare opvangfaciliteiten. Hoewel uit deze beschrijving blijkt dat er tekortkomingen zijn, kan naar

1 ECLI:NL:RVS:2018:4131

2 De rechtbank wijst op bijvoorbeeld de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1085), van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861), van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2957) en van

8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986).

het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat de situatie sinds de voornoemde uitspraken van de ABRvS in verregaande mate is verslechterd of dat de ABRvS van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan. De rechtbank merkt daarbij op dat het rapport deels berust op oudere bronnen die door de ABRvS al bij haar beoordeling heeft betrokken. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat van eiser geen concrete informatie kan worden verlangd.

7. Ten aanzien van de medische situatie van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt onder andere dat bij eiser sprake is van een ribfractuur en een maagzweer. Met de overgelegde stukken is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt dat bij eiser sprake is van een specialistische behandeling en wat deze concreet inhoudt. Ook volgt uit de ingebrachte medische stukken van eiser niet dat Nederland de meest aangewezen lidstaat is om hem te behandelen. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in Italië de medische voorzieningen in het algemeen vergelijkbaar zijn met die in de andere lidstaten en dat het aan eiser is om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd. Hij heeft ook niet onderbouwd dat een behandeling in Italië in zijn geheel niet kan plaatsvinden omdat hij geen toegang zal hebben tot medische zorg. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij in Italië niet altijd werd geholpen, dat hij een keer bij het ziekenhuis is geweest en dat hij medicijnen kreeg voorgeschreven maar deze niet kon betalen, maar die enkele verklaring is onvoldoende nu deze niet is onderbouwd. Daar komt nog bij dat eiser zich ook bij voorkomende problemen met betrekking tot toegang tot medische zorg dient te wenden tot de daartoe geëigende instanties en de (hogere) autoriteiten om zich te beklagen. Niet gebleken is dat die mogelijkheid er voor eiser niet is.

8. Ten aanzien van het recht op herhuisvesting voor Dublinclaimanten, overweegt de rechtbank dat uit het rapport van SFH/OSAR van 21 januari 2020 volgt dat Dublinclaimanten bij terugkeer moeilijkheden kunnen ondervinden bij het opnieuw verkrijgen van opvang. Ook volgt daaruit dat het recht op opvang in Italië kan worden verloren als een asielzoeker de opvang voor meer dan 72 uur heeft verlaten. Anders dan eiser heeft betoogd volgt uit het rapport niet dat het in zijn geheel niet mogelijk is om opnieuw toegang te krijgen tot de opvang en dat het niet mogelijk is om tegen deze beslissing bezwaar te maken bij de Italiaanse autoriteiten. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen met betrekking tot toegang tot de opvang wendt tot de daartoe aangewezen instanties of (hogere) autoriteiten in Italië. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan en dat de Italiaanse autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen.

9. De rechtbank overweegt tot slot dat haar ambtshalve bekend is dat alle Dublinoverdrachten van en naar Italië tijdelijk worden opgeschort op grond van de gezondheidssituatie in Italië en Nederland vanwege de uitbraak van het coronavirus. De rechtbank ziet daarin geen reden om te oordelen dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser op zich moet nemen. Het opschorten van de Dublinoverdrachten naar Italië neemt de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser immers niet weg. De uitbraak van het coronavirus in Italië betreft een tijdelijk feitelijk beletsel voor de overdracht aan Italië. Dit beletsel doet niet af aan de rechtmatigheid van de inhoud van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de ABRvS, van 8 april 2020.3

3 ECLI:NL:RVS:2020:1032.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag, de richtlijnen, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie jegens eiser niet zal schenden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt gesteld dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheid naar voren heeft gebracht op grond waarvan verweerder de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.

10. Het beroep is kennelijk ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

24 april 2020

Documentcode: DSR11435589

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.