Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3874

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
C/09/557718 / HA ZA 18-870
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Onrechtmatige daad van de politie en Stichting Samen Veilig Midden-Nederland tegenover vader van twee (destijds) minderjarige kinderen in verband met hun vertrek uit Nederland naar de VS. Immateriële schade. Eigen schuld. Billijkheidscorrectie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/557718 / HA ZA 18-870

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

[eiser] , te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.F. Muller te Deventer,

tegen

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon DE POLITIE, te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.P. Ceulen te Arnhem,

2. de stichting STICHTING SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, te Utrecht,

gedaagde,

procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

behandelend advocaat mr. D.Th.G. Thuijs te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , de Politie en de Stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 juli 2019;

  • -

    de akte uitlating tussenvonnis van [eiser] , met producties 24 tot en met 27;

  • -

    de antwoordakte van de Politie, met producties 9 tot en met 11;

  • -

    de akte na tussenvonnis van de Stichting;

  • -

    de antwoordakte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

1.3.

Zoals partijen per e-mail op 30 maart 2020 is medegedeeld wordt dit vonnis om organisatorische redenen door een andere rechter gewezen dan de rechter die het tussenvonnis heeft gewezen.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 10 juli 2019 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat de Politie in de avond en nacht van 15 op 16 september 2016 in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheid heeft gehandeld, een inbreuk op de rechten van [eiser] heeft gemaakt en artikel 8 EVRM heeft geschonden en daardoor onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gehandeld tegenover [eiser] , door (i) [eiser] niet te horen over de mogelijkheid van tijdelijk opvang van de kinderen bij familie of vrienden, (ii) niet aan [eiser] te vertellen waar zij de kinderen heenbracht, (iii) geen contactgegevens van Veilig Thuis te verstrekken en (iv) de kinderen over te brengen naar een hotel, waardoor zij de volgende middag al konden uitreizen naar de Verenigde Staten van Amerika (de VS). Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook de Stichting onzorgvuldig (onrechtmatig) tegenover [eiser] gehandeld door de Politie onjuist te adviseren. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Politie en de Stichting hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] als gevolg van hun handelen heeft geleden en lijdt. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de omvang van de schade. Alle partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. In het tussenvonnis is ten slotte nog overwogen dat de rechtbank in het kader van de beoordeling van de schade een beslissing zal nemen over het beroep van de Politie en de Stichting op eigen schuld van [eiser] aan het ontstaan van zijn gestelde schade.

verzoek tot heroverweging tussenvonnis

2.2.

De Politie stelt zich op het standpunt dat het tussenvonnis een eindbeslissing bevat die berust op een onjuiste feitelijke en daarmee tevens juridische grondslag. De Politie betoogt dat de rechtbank in rechtsoverwegingen (r.o.) 4.31, 4.34, 4.36 en 4.42 van het tussenvonnis ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de Politie in de avond van 15 september 2015 advies heeft gevraagd aan Veilig Thuis. Volgens de Politie is sprake geweest van een melding in de zin van artikel 4.1.1 lid 2 Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), aangezien zij wilde dat een medewerker van Veilig Thuis ter plaatse zou komen om te beoordelen of sprake was van een noodsituatie die direct ingrijpen rechtvaardigde. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de Politie naar de door haar bij conclusie van antwoord overgelegde verklaringen van de heer [A] , de namens haar tijdens de comparitie afgelegde verklaring en haar stellingen in de conclusie van antwoord (in het bijzonder randnummers 25 tot en met 29 en 52).

2.3.

Bij de beoordeling van het verzoek van de Politie stelt de rechtbank voorop dat zij in het verdere verloop van het geding in deze instantie is gebonden aan een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing. De besliste geschilpunten zijn voor deze instantie afgedaan en moeten worden bestreden in hoger beroep. Dit uitgangspunt berust op de goede procesorde en heeft een op beperking van het debat gerichte functie: er is geen plaats voor heropening van het debat over afgedane geschilpunten. Deze regel gaat niet zo ver, dat de rechter wordt gedwongen een einduitspraak te doen waarvan hij weet dat deze ondeugdelijk is. De eisen van een goede procesorde brengen evenzeer mee dat dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Voor het heroverwegen van een bindende eindbeslissing enkel en alleen op nadere argumenten die ook eerder hadden kunnen worden aangedragen, is in een eindvonnis geen plaats. Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn (HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521).

2.4.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis als vaststaand aangenomen dat de Politie de Stichting heeft gevraagd om advies. De Politie heeft geen nieuwe feiten aangedragen op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit onjuist is. De rechtbank heeft de verklaring van [A] dat hij [D] heeft gevraagd om ter plekke te komen om de zorg voor de kinderen over te nemen meegenomen in haar beoordeling (zie r.o. 2.22 van het tussenvonnis), en is daaraan dus niet voorbij gegaan, zoals de Politie stelt. Het betoog van de Politie komt er feitelijk op neer dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte de stelling die de Politie aan die verklaring heeft verbonden, te weten dat [A] een melding in de zin van artikel 4.1.1 lid 2 Wmo 2015 heeft gedaan, over het hoofd heeft gezien, door ten onrechte aan te nemen dat tussen partij niet in geschil is dat de Politie om advies heeft gevraagd. Dit levert geen grond op om terug te komen op een bindende eindbeslissing en, zelfs als dit anders zou zijn, dan vormt dit voor de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op haar bindende eindbeslissing dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] . In het tussenvonnis heeft de rechtbank immers vastgesteld dat de Politie de situatie en haar verantwoordelijkheden niet daadwerkelijk heeft overgedragen aan Veilig Thuis en dat Veilig Thuis ook geen verantwoordelijkheid voor de stappen die de Politie op basis van haar advies (uitlatingen) heeft gezet naar zich heeft toegetrokken (zie r.o. 4.34 en 4.35). In haar antwoordakte onderkent de Politie dit. Met andere woorden, de Politie én Veilig Thuis hebben gehandeld in een advies-situatie. In het tussenvonnis is verder nog overwogen dat voor zover de Politie in de veronderstelling verkeerde dat Veilig Thuis verantwoordelijk was voor de kinderen, dit (in de relatie tussen de Politie en [eiser] ) voor rekening en risico van de Politie komt (zie r.o. 4.34). De enkele omstandigheid dat hierover ook anders geoordeeld zou kunnen worden, is onvoldoende om terug te komen op het tussenvonnis.

2.5.

Behalve de Politie vraagt ook de Stichting de rechtbank met zoveel woorden om terug te komen op het tussenvonnis. De Stichting werpt in haar antwoordakte onder het kopje ‘causaliteit’ de vraag op welke punten haar advies aan de Politie wel onrechtmatig tegenover [eiser] is geweest, omdat de plichten die de Politie heeft geschonden volgens haar niet noodzakelijkerwijs volgen uit haar advies en niet tot nadeel leiden. Verder voert zij aan dat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste omdat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de door [eiser] geleden schade, zodat volgens haar geen verplichting tot schadevergoeding bestaat.

2.6.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat causaal verband aanwezig is tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van de Stichting en de Politie. Het (kennelijke) verzoek van de Stichting om terug te komen op die beslissing strekt er enkel toe om het debat over dit afgedane geschilpunt te heropenen. Daarmee is echter geen sprake van een beslissing die is gestoeld op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank gaat daarom aan dit verzoek voorbij. Dit geldt eveneens voor het betoog van de Stichting dat niet aan relativiteitsvereiste is voldaan. In het tussenvonnis is geoordeeld dat Veilig Thuis door het geven van haar rechtens onjuiste advies ook tegenover [eiser] een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld (zie r.o. 4.30). Het betoog van de Stichting komt erop neer dat zij zich niet kan vinden in dat oordeel. Daarvoor moet in hoger beroep worden geklaagd. Het had op de weg van de Stichting gelegen om haar stelling niet pas bij akte na tussenvonnis, maar bij conclusie van antwoord of tijdens de comparitie naar voren te brengen. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormeld arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, die maken dat de rechtbank zou moeten terugkomen op haar eerdere oordeel, is niet gebleken.

2.7.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet terug te komen op haar bindende eindbeslissing dat de Politie en de Stichting onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij als gevolg hiervan heeft geleden en lijdt. Dit betekent dat nu zal worden geoordeeld over de omvang van die schade en het beroep van de Politie en de Stichting op eigen schuld.

de eiswijziging

2.8.

[eiser] heeft in zijn akte uitlating vonnis zijn eis – samengevat – als volgt gewijzigd: dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. voor recht verklaart dat de Politie en de Stichting in vereniging en/of ieder voor zich tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en uit dien hoofde verplicht zijn de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden;

II. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 26.740,21 wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

III. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 30.000 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2016 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

IV. de Politie en de Stichting hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.806,88 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

Subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat de Politie en de Stichting niet hoofdelijk aansprakelijk zijn:

V. de Politie en de Stichting te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de onder II, III en IV gevorderde materiële schade, immateriële schade en buitengerechtelijke incassokosten op basis van ieders aandeel in die schade en kosten;

Primair en subsidiair

VI. de Politie en de Stichting hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de zestiende dag na het wijzen van het vonnis.

2.9.

De Politie en de Stichting verzetten zich niet tegen de eiswijziging zodat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal beoordelen op basis van de eis zoals die na de eiswijziging voorligt.

de omvang van de schade

2.10.

Bij het bepalen van de schade van [eiser] moet voor ogen worden gehouden dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de Politie en de Stichting berust, dat zij hun mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW). Uitgangspunt is dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren indien de onrechtmatige daad niet zou hebben plaatsgevonden. Dit beginsel brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadebrengende feit niet zou hebben plaatsgevonden (HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0539). Voor de vaststelling van de door [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen geleden schade moet daarom een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na het onrechtmatig handelen en de hypothetische situatie bij het wegdenken daarvan. De rechtbank moet dus reconstrueren wat er zou zijn gebeurd in de hypothetische situatie. Die reconstructie moet worden gebaseerd op de redelijke verwachting van de rechter (HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277). In dat verband moeten de goede en kwade kansen worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:273). Daarbij gelden, ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade, weliswaar in beginsel de gewone bewijsregels, maar is de rechter op grond van artikel 6:97 BW wel bevoegd de schade te begroten op de wijze die met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483).

2.11.

[eiser] stelt dat zijn schade bestaat uit de volgende posten:

  1. de kosten van de vliegtickets (€ 1.827,76);

  2. de advocaatkosten (€ 24.412,45);

  3. de kosten van de Phoenix opleidingen (€ 500);

  4. immateriële schade (€ 30.000);

  5. buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.806,88).

Ad 1) vliegtickets

2.12.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting en de kosten van de vliegtickets. Volgens [eiser] is dit verband aanwezig, omdat hij de vliegtickets heeft betaald om de kinderen naar Nederland te kunnen laten reizen om hier voor langere tijd te verblijven en is door het optreden van de Politie en de Stichting aan het verblijf van de kinderen in Nederland abrupt een einde gekomen, zodat sprake is van nodeloze kosten. Als hij op 21 augustus 2016 had geweten dat de kinderen op 16 september 2016 zouden terugkeren naar de VS, dan had hij de kosten voor de vliegtickets niet gemaakt, aldus [eiser] . De Politie en de Stichting betwisten dit.

2.13.

De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat aannemelijk is dat [eiser] de kosten voor de vliegtickets ook zou hebben gemaakt indien de onrechtmatige gedragingen niet hadden plaatsgevonden en hij zou hebben geweten dat de kinderen na een paar weken weer zouden vertrekken naar de VS. Immers, vaststaat dat [eiser] groot belang hechtte aan contact met de kinderen en dat de kinderen jaarlijks in de zomer één maand in Nederland verbleven. Dat de intentie van de kinderen was om dit keer langer dan één maand te blijven en dat hieraan een abrupt einde is gekomen, betekent niet dat de kosten van de vliegtickets hun doel hebben gemist en nodeloos zijn gemaakt. De door [eiser] gevorderde kosten zullen daarom worden afgewezen.

Ad 2) advocaatkosten

2.14.

[eiser] vordert een bedrag van € 24.412,45 aan advocaatkosten. Ter onderbouwing hiervan heeft hij facturen met bijhorende specificatie van de werkzaamheden van zijn voormalig advocaat, mr. B.P.G. Dijkers, en een nadere toelichting van [B] in het geding gebracht. Deze facturen bedragen in totaal € 24.009,52. Dit bedrag is dus lager dan het gevorderde bedrag, maar de rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een rekenfout nu de factuur met nummer BD100559 ten bedrage van € 402,93 twee keer is overgelegd. Uit de specificatie van de facturen en de nadere toelichting van [B] volgt dat de door hem in rekening gebrachte kosten betrekking hebben op de volgende onderdelen:

  1. advies (facturen met nummers BD100038 en BD100055, totaal € 3.145,86);

  2. het indienen van een klacht tegen de Politie (facturen met nummers BD100313, BD100315, BD100431, BD100496, BD100560, totaal € 7.986,89);

  3. het indienen van een klacht tegen Veilig Thuis en een tuchtklacht tegen de casushouder van Veilig Thuis (facturen met nummers BD100145, BD100328, BD100343, BD100378, BD100516, BD100559, totaal € 8.454,97);

  4. het maken van bezwaar en een aanvullend bezwaar bij de officier van justitie (facturen met nummers BD100093, BD 100106 en BD 100119, totaal € 4.421,80).

2.15.

Tot de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding (zoals een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW) moet worden vergoed, behoren ook de redelijke kosten ter voorkomen of beperking van schade, de redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade en de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (artikel 6:96 BW lid 2 sub a, b en c BW in samenhang met artikel 6:95 BW). De rechtbank begrijpt het betoog van [eiser] aldus dat hij aan de door hem gevorderde advocaatkosten artikel 6:96 lid 2 sub b en sub c BW ten grondslag legt. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of de door [eiser] gevorderde bedragen redelijk zijn. Daarbij neemt de rechtbank de uit artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW voortvloeiende dubbele redelijkheidstoets tot maatstaf. Deze toets houdt in dat buitengerechtelijke werkzaamheden slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs noodzakelijk was deze te verrichten én de gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.

Ad a) advieskosten

2.16.

Uit de specificatie van de onderhavige facturen blijkt dat deze betrekking hebben op werkzaamheden die [B] in periode van 15 september tot en met 31 oktober 2016 heeft uitgevoerd. De rechtbank volgt [eiser] in zijn standpunt dat redelijk was om in verband met de gebeurtenissen in de avond/nacht van 15 op 16 september 2016 juridische bijstand in te schakelen. Het betreft immers een juridisch complexe zaak waarbij meerdere partijen met ieder een eigen rol en verantwoordelijkheden zijn betrokken, terwijl bij [eiser] daarnaast onduidelijkheid over de feiten bestond. Ook de standpunten van partijen liepen uiteen. Weliswaar heeft de wijkagent in zijn gesprek met [eiser] en het buurtteam op 11 oktober 2016 volgens de Politie al direct toegegeven dat er leerpunten waren ten aanzien van de informatieverschaffing aan [eiser] , maar dat laat onverlet dat de Politie niet bereid was om aansprakelijkheid voor de door [eiser] verweten gedragingen en gestelde schade te erkennen en/of de door hem verlangde excuses aan te bieden. Ook de Stichting was daartoe niet bereid. Dat bij [eiser] behoefte bestond aan advies over de te nemen stappen richting de Politie en de Stichting en aan inzicht in het juridisch kader, is dan ook begrijpelijk. Uit de toelichting van [B] op de facturen volgt dat zijn werkzaamheden in de maanden september en oktober 2016 voor een belangrijk deel hierop gericht waren.

2.17.

Dit betekent nog niet dat de gevorderde kosten ook naar hun aard en omvang redelijk zijn. Uit de factuur van 3 oktober 2016 (met nummer BD100038) blijkt dat [B] in de periode van 15 tot en met 30 september 2016 in totaal 3,10 uur heeft besteed en dat hij hiervan 3,0 uur in rekening heeft gebracht. De factuur is weliswaar per dag en werkzaamheid gespecificeerd, maar uit de omschrijving blijkt niet wat [B] exact heeft gedaan. Nu de onderliggende stukken, zoals de in de specificatie vermelde e-mailberichten van [B] aan [eiser] , ook niet in het geding zijn gebracht en bovendien [B] uitsluitend heeft toegelicht wat hij op 28 september 2016 heeft gedaan (het opstellen van het stappenplan), kan dit ook niet goed worden vastgesteld. Ook de omstandigheid dat [B] blijkens de specificatie al op 15 september 2016 (in de middag) – dus voordat de onrechtmatig daad heeft plaatsgevonden – een aanvang heeft gemaakt met zijn werkzaamheden, roept vraagtekens op. Alles overziend zal de rechtbank op de factuur van 3 oktober 2016 een correctie toepassen van 2 uur. Dit betekent dat het gefactureerde bedrag moet worden verminderd met een bedrag van € 363,62 exclusief btw. Totaal komt de factuur neer op een bedrag van € 219,62 inclusief btw.

2.18.

Uit de specificatie van de factuur van 1 november 2016 (met nummer BD100055)

blijkt dat [B] in de maand oktober 2016 in totaal 11,60 uur heeft besteed, waarvan hij 11,30 uur in rekening heeft gebracht aan [eiser] . Ook hiervoor geldt dat uit de specificatie niet blijkt waaruit de werkzaamheden hebben bestaan en dat de onderliggende stukken niet in het geding zijn gebracht. Ook de nadere toelichting van [B] maakt dit niet duidelijk. Hij heeft slechts op een aantal punten een verduidelijking gegeven, namelijk dat hij op 3 oktober 2016 [eiser] heeft geadviseerd over het verkrijgen van het dossier van de Politie, dat hij eind oktober 2016 tijdens een telefonische belafspraak met de Stichting heeft verzocht om een organigram en interne richtlijnen of werkafspraken die gelden indien een melding wordt ontvangen, dat hij op 20 oktober 2016 de dossiers van de Politie en de Stichting heeft bestudeerd en dat hij op 28 oktober 2016 het juridisch kader in kaart heeft gebracht. Het verrichten van die werkzaamheden is niet onredelijk. Alles overziend zal de rechtbank op de factuur een correctie van 5 uur toepassen. Dit betekent dat het gefactureerde bedrag moet worden verminderd met een bedrag van € 909,05 exclusief btw en dat de factuur neerkomt op een bedrag van € 1.385,94 inclusief btw.

2.19.

Uit het voorgaande volgt dat aan advieskosten in beginsel een bedrag van € 1.605,56 (inclusief btw) toewijsbaar is.

Ad b) klachtprocedure tegen Politie

2.20.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een tuchtrechtelijke procedure niet worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid of een redelijke maatregel ter voorkoming of beperking van schade, en geldt als uitgangspunt dat de aan de tuchtprocedure verbonden kosten niet kunnen worden beschouwd als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub a BW of redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Slechts in bijzondere omstandigheden is plaats voor afwijking van dit uitgangspunt (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0690 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4097). Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit onverkort voor de in artikel 6:96 lid 2 sub c BW vervatte redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. De Hoge Raad heeft hierbij van belang geacht dat verschillende maatstaven worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is en bij de beoordeling van de vraag naar civiele aansprakelijkheid, alsmede dat de ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure. Het doel van de tuchtprocedure is bevordering van een goede wijze van beroepsuitoefening in het algemeen en niet in de eerste plaats om de klager in geval van gegrondbevinding van zijn klacht genoegdoening te verschaffen, ook al kan dit wel het feitelijke resultaat zijn. Het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsuitoefening kan in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is, maar dit betekent volgens de Hoge Raad niet dat een tuchtprocedure tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op een klachtprocedure als die [eiser] tegen de Politie (en overigens ook de Stichting) heeft gevoerd, nu deze tot doel heeft het herstellen en/of vergroten van het vertrouwen in de Politie en het leren van klachten.

2.21.

[eiser] stelt dat als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Politie en de Stichting een onomkeerbare toestand is ontstaan en dat, nu terugkeer van de kinderen naar Nederland onhaalbaar was, de enige passende genoegdoening was dat de Politie en de Stichting zouden worden aangesproken op hun handelen en zouden erkennen dat wat er is gebeurd ‘nooit had mogen gebeuren’. Volgens [eiser] heeft hij contact gezocht met de Politie om de feiten helder te krijgen maar was zij hem niet ter wille en heeft zij hem, zo blijkt uit zijn e-mailbericht van 30 september 2016 aan [B] , te verstaan gegeven dat voor het verkrijgen van stukken nodig was dat een klacht zou worden ingediend of een brief zou worden gestuurd naar de ‘Privacy officer’. [eiser] stelt dat hij vanwege de tegenwerking van de Politie de klachtprocedure heeft voortgezet en dat hij de onderhavige procedure pas aanhangig heeft gemaakt toen de Politie bleef weigeren om toe te geven dat er fouten zijn gemaakt. Volgens [eiser] heeft de Commissie voor de politieklachten van de Eenheid Midden-Nederland (hierna: de Commissie) hem voorzien van allerlei belangrijke informatie, waaronder dat de mededeling van Veilig Thuis aan de Politie dat zestienjarigen in Nederland zelf mogen bepalen waar zij wonen niet klopt. In dit verband wijst hij erop dat het advies van de Commissie, wat volgens hem de houding van de Politie bevestigt, is uitgebracht na het uitbrengen van de dagvaarding.

2.22.

Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de door [eiser] gestelde omstandigheden, indien juist, niet als bijzondere omstandigheden die in dit geval noodzaken tot afwijking van de uitgangspunten zoals die door de Hoge Raad in voornoemde arresten zijn gehanteerd. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat hij het politierapport binnen enkele weken na het opvragen daarvan heeft ontvangen via het buurtteam. Het indienen van een klacht enkele maanden later was hiervoor dus niet nodig. Voor zover er al van kan worden uitgegaan dat de Politie aanvankelijk, vóór het indienen van de klacht, betwistte fouten te hebben gemaakt – de klachtbehandelaar heeft in zijn brief van 10 oktober 2017 toegelicht dat een deel van de klachten terecht is –, is dat evenmin te zien als een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dat geldt eveneens voor de (door de Politie betwiste) stelling van [eiser] dat de Politie hem zou hebben tegengewerkt, nog daargelaten dat hij dit niet ten grondslag legt aan zijn stelling dat de Politie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hem. Dat [eiser] de beslissing van de Commissie niet nodig had om de door hem gestelde fouten van de Politie in deze procedure aan te tonen, blijkt ook wel uit het feit dat [eiser] die beslissing niet heeft afgewacht. Daarbij komt dat de burgerlijke rechter zelf kan beoordelen of het door Veilig Thuis aan de Politie gegeven advies juridisch steekhoudend is en of de Politie fouten heeft gemaakt waarvoor zij aansprakelijk is, zoals in dit geval ook gebeurt, waardoor een klachtprocedure uit oogpunt van het vaststellen van aansprakelijkheid overbodig is. Kosten verbonden aan iets wat overbodig is, zijn, zoals ook door de A-G in zijn conclusie bij voormeld arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2003 wordt opgemerkt, (doorgaans) niet redelijk. De rechtbank heeft begrip voor de beleving van [eiser] die ter zitting heeft verklaard dat hij het idee had dat hij door “alle hoepels moest springen” en dat het wenselijk was om eerst een oordeel over het handelen van de Politie via een klachtprocedure te krijgen in plaats van het direct inzetten van “het meest grove geschut” door naar de rechter te stappen. Maar dat levert niettemin geen bijzondere omstandigheid op die, in afwijking van de hoofdregel, rechtvaardigt dat de gemaakte kosten, geheel of gedeeltelijk, wel voor vergoeding in aanmerking komen. De door [eiser] gevorderde kosten van de klachtprocedure tegen de Politie zullen dus worden afgewezen.

Ad c) klacht- en tuchtprocedure tegen Veilig Thuis (de Stichting) en casushouder

2.23.

De door [eiser] gevorderde advocaatkosten voor het indienen van een klacht tegen Veilig Thuis, althans de Stichting, en de betrokken medewerkers alsmede het indienen van een tuchtklacht tegen de casushouder van Veilig Thuis bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), moeten worden beoordeeld conform de hiervoor in r.o. 2.20 genoemde maatstaf. Dit betekent dat deze kosten uitsluitend wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b dan wel onder c BW voor vergoeding in aanmerking.

2.24.

[eiser] stelt, zoals hiervoor overwogen, dat hij er belang bij had om genoegdoening in de vorm van een excuus van de Stichting te vragen. Volgens [eiser] weigerde de Stichting te voldoen aan zijn verzoek om duidelijkheid te verstrekken over de vraag wie binnen de Stichting de verantwoordelijke op 15 en 16 september 2016 was en om een afschrift van het volledig dossier aan hem te verstrekken. Omdat [eiser] van meet af aan tegenwerking van de Stichting ondervond en de Stichting hardnekkig bleef volhouden dat haar optreden in overeenstemming was met de geldende normen, heeft hij de klacht- en tuchtprocedures tegen de Stichting en de casushouder voortgezet. Via de klacht- en tuchtprocedure is bovendien allerlei belangrijke informatie op tafel is gekomen, aldus [eiser] .

2.25.

Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeren de door [eiser] gestelde omstandigheden, indien juist, niet als bijzondere omstandigheden. De Stichting heeft onweersproken aangevoerd dat zij op 27 september 2016 een gesprek heeft gevoerd met [eiser] , waarin de algemene werkwijze van Veilig Thuis is uitgelegd, de afspraak is gemaakt dat het dossier van Veilig Thuis naar [eiser] zou worden opgestuurd en dat [eiser] zou bezien of hij een nader gesprek met Veilig Thuis wenste. Het staat vast dat [eiser] het dossier vervolgens daadwerkelijk heeft ontvangen. Uit het e-mailbericht van de heer Tenic van Veilig Thuis aan [B] van 9 november 2017 volgt dat de eerstvolgende stap van [eiser] het indienen van de klachten tegen Veilig Thuis en een tuchtklacht tegen de casushouder is geweest. Het staat vast dat partijen nadien meerdere malen met elkaar hebben gesproken en dat in de visie van [eiser] de Stichting toen niet al zijn vragen heeft beantwoord en niet alle door hem verlangde informatie, waaronder een organigram waaruit blijkt wie op 15 en 16 september 2016 welke positie bekleedde, heeft beantwoord. Dat [eiser] daarop heeft besloten zijn klachten voort te zetten, ook nu het door hem verlangde excuus uitbleef, maakt niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de kosten voor de klacht- en tuchtprocedures op voet van artikel 6:96 BW voor vergoeding in aanmerking komen, te meer niet omdat deze procedures voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van de Stichting niet nodig waren (wat ook wel wordt bevestigd door het feit dat niet duidelijk is wat de uitkomst van de klachtenprocedure is). Dit betekent dat de door [eiser] gevorderde kosten zullen worden afgewezen.

Ad c) (aanvullend) bezwaarschrift

2.26.

[eiser] vordert de kosten voor het door hem ingediende bezwaarschrift tegen de beslissing van de Politie dat de door hem tegen de moeder van de kinderen gedane aangifte niet in behandeling wordt genomen, en het aanvullend bezwaarschrift. De rechtbank is, met de Politie, van oordeel dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW of kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub c BW. [eiser] beoogde met zijn bezwaarschrift dat strafrechtelijk onderzoek zou worden verricht naar de moeder, de Politie en de Stichting vanwege (een gestelde) overtreding van artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr) (onttrekking aan het ouderlijk gezag). Daarmee wordt, net als bij klacht- en tuchtzaken, een ander doel gediend dan het vaststellen van de civielrechtelijke aansprakelijkheid, terwijl ook het strafrecht een ander normenkader kent dan het civiele recht. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis heeft overwogen, is het ook niet aan de civiele rechter om te oordelen over strafbare gedragingen (zie r.o. 4.33). De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de door [eiser] gestelde kosten als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid of ter verkrijging van voldoening buiten rechte kunnen worden gezien.

Tussenconclusie

2.27.

Uit het voorgaande volgt dat aan advocaatkosten in beginsel een bedrag van € 1.605,56 (inclusief btw) toewijsbaar is.

Ad 3) Kosten van de Phoenix opleidingen

2.28.

[eiser] stelt dat hij hulp heeft gezocht bij een psycholoog/coach van Phoenix Opleidingen om te leren omgaan met de situatie en de aantasting in zijn ouderlijk gezag. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij vier keer bij de psycholoog/coach is langs geweest en thuis verder is gegaan met de oefeningen en boeken die hij had meegekregen. De Politie en de Stichting betwisten dat de kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

2.29.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de kosten van psycholoog/coach in redelijkheid niet worden toegerekend aan de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting, nu niet is komen vast te staan dat geestelijk letsel bij [eiser] is opgetreden (waarover in r.o. 2.32 meer) of dat behandeling bij een psycholoog geïndiceerd was. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Politie en de Stichting had het op de weg van [eiser] gelegen om aan te tonen dat de gevorderde kosten zijn gemaakt in verband met het onrechtmatig handelen. Hierin is hij niet geslaagd. Zonder toelichting van [eiser] , die ontbreekt, is ook niet duidelijk waarom (blijkens de in de overgelegde facturen van de psycholoog/coach vermelde gegevens) tussen het eerste bezoek van [eiser] aan de psycholoog/coach en het tweede bezoek een tussenpose van meer dan zes maanden heeft gezeten en waarom ook toen nog behandeling noodzakelijk was. De rechtbank wijst de door [eiser] gevorderde kosten daarom af.

Ad 4) Immateriële schade

2.30.

[eiser] legt aan de door hem gevorderde immateriële schadevergoeding artikel 6:106 lid 1 onder b BW (‘aantasting in de persoon op andere wijze’) ten grondslag. Hiervan is volgens vaste jurisprudentie in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606). Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze in zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW (HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1519). In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending met zich brengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naarmate op grond van de aard en ernst van de normschending eerder aannemelijk is dat de benadeelde daardoor ernstig zal zijn getroffen, worden aan de onderbouwing van de concrete gevolgen minder hoge eisen gesteld. Het moet gaan om schendingen van een zekere ernst van normen die beogen fundamentele persoonsbelangen te beschermen. Van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet voldoende ernstig zijn. Of daarvan sprake is hangt af van de aard en ernst van de normschending, het daardoor getroffen belang en de ernst van de feitelijke gevolgen.

2.31.

[eiser] stelt dat hij in zijn persoon is aangetast doordat de Politie en de Stichting zijn gezagspositie hebben ondermijnd en een inbreuk hebben gepleegd op zijn recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Volgens hem heeft het handelen van de Politie en de Stichting ervoor gezorgd dat hij van het ene op het andere moment het contact met zijn kinderen heeft verloren en hij geen feitelijke bijdrage heeft kunnen leveren aan de opvoeding en de verzorging van de kinderen. Ook stelt hij dat hem de mogelijkheid is ontnomen om van het verblijf van de kinderen in Nederland een succes te maken. [eiser] stelt dat hij hiervan verdriet heeft en levensvreugde derft en dat hij na het vertrek van de kinderen onder behandeling is geweest bij een psycholoog/coach. Volgens [eiser] is een bedrag van € 30.000 aan immateriële schadevergoeding passend, gelet op het door hem ondervonden leed, de omstandigheid dat de Politie en de Stichting hem niet serieus hebben genomen en de aard van de door hun gemaakte fouten.

2.32.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van objectief vast te stellen geestelijk letsel bij [eiser] . Zijn stelling dat hij verdriet heeft en levensvreugde derft en dat hij onder behandeling is geweest bij een psycholoog/coach, is onvoldoende om dit aan te nemen, ook al is het abrupte vertrek van de kinderen buiten hem om zonder twijfel een vreselijke ervaring geweest die invloed heeft gehad op het welzijn van [eiser] . Als bij [eiser] inderdaad sprake zou zijn van geestelijk letsel, dan had hij dit nader moeten onderbouwen. Dat heeft hij echter nagelaten. Een daarop gebaseerde vordering tot vergoeding van schade zal daarom worden afgewezen.

2.33.

Een ernstige schending van het uit artikel 8 EVRM voortvloeiende recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, dat onder meer inhoudt dat ouders samen moeten beslissen over de verzorging en opvoeding van een kind en over de hoofdverblijfplaats (zie onder meer EHRM 30 januari 2020, 57724/11), en de daarin gelegen aantasting van de persoonlijkheidsrechten van [eiser] , kan een zelfstandige grond voor toekenning van immateriële schade opleveren.

2.34.

De rechtbank is van oordeel van [eiser] door het onrechtmatig handelen van de Politie in zijn persoon is aangetast. [eiser] heeft moeten ondergaan dat de Politie de (minderjarige) kinderen, over wie hij het gezag had en die bij hem hun hoofdverblijfplaats hadden, midden in de nacht uit zijn woning heeft meegenomen zonder dat hij wist waar zij naartoe gingen en dat zij de volgende dag naar de VS zouden reizen. Ook heeft de Politie de kinderen zonder toestemming van [eiser] en/of van de kinderrechter en zonder [eiser] te horen over de mogelijkheid van tijdelijke opvang van de kinderen bij familie of vrienden overgebracht naar het hotel zodat zij vanuit daar Nederland konden verlaten. Daarbij is de Politie onterecht blindelings afgegaan op de informatie van Veilig Thuis over de rechtspositie van de kinderen. De Politie is hierbij haar bevoegdheden verre te buiten gegaan. Doordat [eiser] niet beschikte over de contactgegevens van Veilig Thuis heeft het hem de volgende ochtend veel tijd gekost om te achterhalen tot welke organisatie hij zich volgens mededeling van de Politie moest wenden, terwijl hij al die tijd volstrekt in het ongewisse was (gelaten) van de verblijfplaats van zijn kinderen. Toen Veilig Thuis hem uitsluitsel gaf, was het te laat en zaten de kinderen al in het vliegtuig. Dit moet worden aangemerkt als een ernstige en ontoelaatbare inbreuk op de rechten van [eiser] en op artikel 8 EVRM, dat strekt tot bescherming van het recht van ouders om gezag over hun minderjarige kinderen uit te oefenen. Het gaat hier immers om schending van de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven van [eiser] . Met deze inbreuk op artikel 8 EVRM heeft de Politie gehandeld in strijd met een van de meest fundamentele rechten van de burger in zijn verhouding tot de overheid (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO7721). Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht, met rechtstreekse gevolgen voor [eiser] zelf, moet worden aangemerkt als een (ernstige) aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW.

2.35.

Het bestaan van psychische schade is voor het aannemen van deze aantasting niet vereist. Voldoende zijn in dit geval de ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, het ernstig geschokte rechtsgevoel van de burger die zich, in de situatie dat de Politie haar werkzaamheden uitoefent, geconfronteerd ziet met een schending van zijn rechten als met ouderlijk gezag belaste ouder en een abrupt vertrek van de kinderen naar de VS zonder dat hij hiervan wist en zonder de gelegenheid om afscheid te nemen.

2.36.

Ook de onrechtmatige gedraging van de Stichting heeft naar het oordeel van de rechtbank geleid tot een aantasting in de persoon van [eiser] . De Stichting heeft hoogst onzorgvuldig gehandeld door onjuiste informatie over de rechtspositie van de kinderen te geven aan de Politie, terwijl zij wist dat op basis van die informatie werd geacteerd en bovendien op dusdanige wijze dat – zonder betrokkenheid van [eiser] en/of de kinderrechter – een onomkeerbare situatie zou ontstaan (zie r.o. 4.29 en 4.30 van het tussenvonnis). Het advies van Veilig Thuis is van doorslaggevend belang geweest voor de Politie in haar besluit om de kinderen mee te nemen uit de woning van [eiser] en over te brengen naar het hotel om vanuit daar af te reizen naar de VS, als gevolg waarvan [eiser] rechtstreeks op ernstige wijze in zijn fundamentele persoonsbelangen is getroffen. Dit levert een grond voor toekenning van immateriële schadevergoeding op.

2.37.

Hiermee komt de rechtbank toe aan de vraag wat een billijke vergoeding van de immateriële schade is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate waarin [eiser] is getroffen, de grond waarop aansprakelijkheid berust en de aard van de aan de Politie en de Stichting verweten gedragingen. Door de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het gezins- en familieleden als nader beschreven in r.o. 2.34 is [eiser] ernstig getroffen. Gezien deze omstandigheden is het aannemelijk dat [eiser] door deze inbreuk ongerustheid en spanning heeft ervaren. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn stelling dat de inbreuk ertoe heeft geleid dat hij enkele jaren lang geen contact heeft gehad met de kinderen. [eiser] heeft niet toegelicht wanneer en welke pogingen hij heeft gedaan om het contact te herstellen en waarom dit niet tot een positief resultaat heeft geleid. Dit laat echter onverlet dat de rechtbank wel aannemelijk acht dat de inbreuk het contact tussen [eiser] en de kinderen wel heeft bemoeilijkt en de band tussen hen heeft beschadigd. Daarbij komt dat [eiser] als gevolg van de inbreuk de mogelijkheid is ontnomen om met de kinderen afspraken te maken over hun verblijf in Nederland en een mogelijke terugkeer naar de VS. Daar staat echter tegenover dat de inbreuk (relatief) kort heeft geduurd. Rekening houdend met alle omstandigheden begroot de rechtbank de door [eiser] geleden immateriële schade in redelijkheid op een bedrag van € 3.500.

2.38.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat deze zaak niet goed te vergelijken is aan de door Politie aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:5062), waarin aan een vader een immateriële schadevergoeding van € 1.000 is toegekend vanwege onrechtmatig handelen door een instelling van Jeugdzorg in verband met de uithuisplaatsing van zijn kinderen. De aan die instelling verweten gedragingen zijn wezenlijk anders dan die van de Politie en de Stichting. De jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geeft de rechtbank evenmin aanleiding om een hoger bedrag dan € 3.500 toe te kennen, laat staan het door [eiser] gevorderde bedrag van € 30.000. Het EHRM heeft een dergelijk bedrag in 2019 toegekend in een zaak waarin artikel 8 EVRM was geschonden vanwege de omstandigheid dat een tijdelijke uithuisplaatsing van de kinderen langer duurde dan tien jaar (EHRM 18 juli 2019, 37748/13). Met deze situatie is de onderhavige zaak evident niet vergelijkbaar. Hetzelfde geldt voor de recente uitspraak van het EHRM dat een bedrag van € 20.000 aan immateriële schade wegens schending van artikel 8 EVRM in verband met de ontneming van ouderlijk gezag, passend is (EHRM 25 februari 2020, 68868/14).

Ad 5) Buitengerechtelijke incassokosten

2.39.

[eiser] vordert een bedrag van € 1.08,66 aan buitengerechtelijke incassokosten op basis van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.

2.40.

Artikel 6:96 lid 3 BW bepaalt dat buitengerechtelijke incassokosten in een geval waarin een procedure is gevoerd, slechts op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen voor zover die betrekking hebben op andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, zoals die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, een vergoeding plegen in te sluiten. Onder deze verrichtingen valt al hetgeen de advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvorderingen, en de proceskosten; feitenvergaring (gesprekken met de cliënt, bestudering van de door hem aangeleverde stukken); juridische analyse van de feiten (inclusief bestudering van literatuur en jurisprudentie); bewijsgaring (ondervraging van potentiële getuigen, recherche in openbare registers). Volgens vaste rechtspraak geldt de (herhaalde) toezending van een enkele eenvoudige brief waarin tot nakoming wordt aangemaand en veroordeling in de proceskosten wordt gevorderd, eveneens als verrichting die dient ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590).

2.41.

[eiser] voert aan dat zijn advocaat voorafgaand aan de instructie van de zaak heeft gecorrespondeerd met de (verzekeraar van de) Politie en de Stichting, besprekingen met [eiser] heeft gevoerd, het dossier heeft bestudeerd en informatie heeft ingewonnen. Hij verwijst in dit verband naar de in r.o. 2.39 en 2.40 van het tussenvonnis genoemde brieven van zijn advocaat, waarin de Politie en de Stichting aansprakelijk zijn gesteld.

2.42.

De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat de door [eiser] opgesomde werkzaamheden vallen onder de hiervoor genoemde verrichten en dus moeten worden aangemerkt als verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak als bedoeld in artikel 241 Rv. De advocaat van [eiser] heeft slechts één brief gestuurd naar (de verzekeraar van) de Politie en één brief naar de Stichting. Deze brieven zijn niet omvangrijk en moeten op één lijn worden gesteld met het opstellen en versturen van een aanmaning of een andere eenvoudige brief. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden afgewezen.

Totale schade

2.43.

Gelet het vorenstaande begroot de rechtbank de schade die [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Politie en de Stichting heeft geleden op € 1.605,56 aan advocaatkosten en € 3.500 aan immateriële schade, dus totaal op € 5.105,56. Afhankelijk van de (hierna te beoordelen) vraag of sprake is van eigen schuld van [eiser] komt dit bedrag geheel of gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking.

2.44.

De Politie en de Stichting hebben geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de door [eiser] gevorderde wettelijke rente, zodat deze als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar is.

Eigen schuld

2.45.

De Politie en de Stichting beroepen zich op eigen schuld van [eiser] aan het intreden van de schade. Dit beroep moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:101 lid 1 BW. Dit artikel geeft allereerst als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf houdt een causaliteitsafweging in, die in een geval als in deze zaak daarop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [eiser] en anderzijds het gedrag van de Politie en de Stichting aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij toepassing van de tevens in artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie, waarop hierna onder rechtsoverweging 2.51 zal worden ingegaan.

2.46.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat sprake was van een noodsituatie op het moment dat de Politie bij de woning arriveerde en de kinderen daar buiten met een (rug)tas aantrof (zie r.o. 4.24). Dat de Politie tot die conclusie kwam op basis van de verklaring van de kinderen over hoe [eiser] zich tegenover hen zou hebben gedragen, met name dat hij de zoon zou hebben geslagen en dat redelijk vaak sprake was van ruzie, maakt echter niet dat, zoals de Politie en de Stichting betogen, [eiser] het daarop volgende optreden van de Politie – dat hier heeft te gelden als het schadebrengende feit – over zichzelf heeft afgeroepen. Immers, [eiser] is niet gekend in het advies van Veilig Thuis en niet betrokken geweest bij de beslissing van de Politie om de kinderen vanuit zijn woning over te brengen naar het hotel om vanuit daar af te reizen naar de VS. Dat [eiser] niet uit eigen beweging als alternatief de mogelijkheid van tijdelijke opvang bij familie en vrienden naar voren heeft gebracht, is, anders dan de Politie en de Stichting stellen, dan ook niet verwijtbaar, te meer omdat het primair aan de Politie was om dit uit te zoeken. Dat [eiser] zich in de bewuste avond/nacht op een manier heeft gedragen die voor de Politie redelijkerwijs reden kon vormen de kinderen mee te nemen uit de woning en over te brengen naar het hotel, is niet komen vast te staan. Zelfs indien juist zou zijn dat [eiser] geen antwoord gaf op vragen van de Politie over wat er die bewuste avond was voorgevallen of deze vragen ontweek door het gesprek een andere wending te geven ( [eiser] betwist dit), zoals de Politie en de Stichting aanvoeren, dan is dit onvoldoende, juist omdat [eiser] uiteindelijk wel een verklaring heeft afgelegd. Dat die verklaring over de gebeurtenissen die bewuste avond en over de verstandhouding tussen [eiser] en de kinderen afweek van de verklaring die de kinderen tegenover de Politie hadden afgelegd (en waarvan de zoon in zijn latere door [eiser] in het geding gebrachte verklaring heeft gezegd dat die, in elk geval op het punt van de mishandeling, onjuist was), maakt dit niet anders. Integendeel, die omstandigheid had voor de Politie juist aanleiding moeten zijn om geen onomkeerbare situatie te creëren maar alle betrokkenen – [eiser] , de kinderen en de moeder – de ruimte te geven om onderling een oplossing te zoeken en afspraken te maken of om de kwestie voor te leggen aan de kinderrechter.

2.47.

De omstandigheid dat [eiser] in de ochtend van 15 september 2016, toen de kinderen voor de eerste keer hun wens om terug te keren naar de VS kenbaar maakten, of in de avond niet meteen heeft ingestemd met die wens en een ticket heeft geboekt, kan hem evenmin worden toegerekend. In een situatie waarin kinderen aan het wennen zijn in een ander land kan dit immers niet worden verlangd van een ouder en ligt het veel meer voor de hand om met het kind in gesprek te gaan en nadere afspraken te maken (zie r.o. 4.46 tussenvonnis). In dit laatste is [eiser] weliswaar die dag niet geslaagd, maar daarbij dient te worden bedacht dat hij hiervoor vanwege school en sportactiviteiten van de kinderen beperkte gelegenheid en tijd had (de kinderen kwamen pas rond 22.00 uur thuis), dit nog niet eerder onderwerp van gesprek was geweest en – zo heeft [eiser] onweersproken naar voren gebracht – de kinderen zich niet in dezelfde positie bevonden (zo kampte de zoon met psychische problemen waarvoor hij in Nederland behandeld kon worden). Niet is komen vast te staan dat de situatie in de nacht van 15 september 2016, ook nadat [eiser] zijn zoon had aangeraakt, dermate onhoudbaar was dat de kinderen hoe dan ook zouden vertrekken (zie r.o. 4.46 tussenvonnis). Dat [eiser] onder die omstandigheden de paspoorten van de kinderen heeft ingenomen, is hem dan ook niet aan te rekenen. Om diezelfde reden volgt de rechtbank de Politie en de Stichting niet in hun stelling dat de omstandigheid dat [eiser] niet heeft geprobeerd om op 15 september 2016 (of eerder) met de moeder een oplossing te zoeken, heeft geleid tot het ontstaan van de schade van [eiser] .

2.48.

De rechtbank is, met de Politie en de Stichting van oordeel, dat [eiser] onvoldoende heeft gedaan om in de ochtend van 16 september 2016 de verblijfplaats van de kinderen te achterhalen. Weliswaar had de Politie niet mogen volstaan met het enkel noemen van de naam Veilig Thuis, althans SAVE, zonder opgave van contactgegevens en zonder die naam te spellen, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] , toen het hem niet snel en eenvoudig lukte om te achterhalen bij welke organisatie hij moest zijn – uit de klachtbrief van [eiser] van 10 april 2017 blijkt dat hij pas om 11.00 uur heeft gesproken met een medewerker van Veilig Thuis – contact heeft opgenomen met de Politie, de moeder of de kinderen zelf. Gelet op de wens van de kinderen en de moeder om terug te gaan naar de VS en de omstandigheid dat de Politie de paspoorten van de kinderen had meegenomen, had het op de weg van [eiser] gelegen om uit voorzorg contact op te nemen met de luchthaven Schiphol. Ook dat heeft hij echter nagelaten. Daarbij komt dat uit de specificatie van de factuur van [B] van 3 oktober 2016 blijkt dat [eiser] al in de middag van 15 september 2016 de hulp van [B] heeft ingeschakeld en dat zij elkaar toen 1,4 uur telefonisch hebben gesproken. Uit de omstandigheid dat betaling van deze uren wordt gevorderd, kan worden afgeleid dat dit telefoongesprek betrekking had op de kwestie met de kinderen. Van [eiser] mocht daarom worden verlangd dat hij de hulp van [B] had ingeroepen om te achterhalen waar de Politie de kinderen naartoe had gebracht. Uit de specificatie van de factuur van [B] blijkt dat [eiser] weliswaar op 16 september 2016 per e-mail contact heeft gehad met [B] , maar gesteld noch gebleken is dat dit ging over het lokaliseren van de kinderen. De rechtbank acht niet uitgesloten dat indien [eiser] al in de ochtend had geweten waar de kinderen verbleven hij, al dan niet via tussenkomst van de kinderrechter, had kunnen voorkomen dat de kinderen die dag zouden afreizen naar de VS.

2.49.

De rechtbank heeft hiervoor in r.o. 2.37 overwogen dat de immateriële schade van [eiser] onder meer gelegen is in de omstandigheid dat de onrechtmatige gedragingen van de Politie en de Stichting ertoe hebben geleid dat het contact tussen [eiser] en de kinderen is verslechterd. De Politie en de Stichting betogen dat [eiser] niets heeft ondernomen om in de weken na het vertrek van de kinderen het contact met de kinderen te herstellen. [eiser] heeft dit betwist. Volgens hem heeft hij wel degelijk geprobeerd om het contact en de band met de kinderen te herstellen, maar ging dat aanvankelijk stroef en heeft hij het daarna even laten rusten en vervolgens weer geprobeerd. Ook was het volgens hem onhaalbaar dat de kinderen zouden terugkeren naar Nederland. De rechtbank is, met de Politie en de Stichting, van oordeel dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet toegelicht wat en wanneer hij concreet heeft gedaan om het contact te herstellen en om de kinderen te laten terugkeren naar Nederland en waarom dit niet tot het door hem gewenst resultaat leidde. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de Politie en de Stichting had dit wel van hem verlangd mogen worden. Hij heeft hiervoor ook voldoende de gelegenheid gehad. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [eiser] onvoldoende heeft gedaan om het contact met de kinderen te herstellen en daarmee zelf heeft bijgedragen aan zijn immateriële schade.

2.50.

De rechtbank is van oordeel dat de fouten van [eiser] minder zwaar wegen dan de fouten van de Politie en de Stichting waardoor zij onrechtmatig hebben gehandeld. De vergoedingsplicht van de Politie en de Stichting zal daarom met 15 procent worden verminderd, zodat 85 procent van de schade van [eiser] door de Politie en de Stichting moet worden vergoed.

2.51.

Thans komt de vraag aan de orde of – eveneens op de voet artikel 6:101 lid 1 BW – een andere verdeling van de schadevergoedingsplicht op zijn plaats is, zoals [eiser] aanvoert. Dat is het geval indien de billijkheid dit, gelet op de persoonlijke en maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken, eist. Daarbij moet rekening worden gehouden met de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval.

2.52.

Nu de mate waarin de Politie en de Stichting hebben bijgedragen aan de schade van [eiser] groter wordt geacht en de door hen gemaakte fouten ernstiger komt de rechtbank, ook gelet op de bijzondere functie die de Politie en de Stichting in de samenleving hebben, tot het oordeel dat de billijkheid in dit geval eist dat de schadevergoedingsplicht van de Politie en de Stichting geheel in stand blijft.

2.53.

De rechtbank overweegt tot besluit nog dat voor zover de Stichting wil betogen dat [eiser] eigen schuld heeft aan de omvang van de schade doordat hij zijn uit artikel 6:101 BW voortvloeiende schadebeperkingsplicht heeft geschonden, dat zij dit onvoldoende heeft onderbouwd, nu zij geen andere omstandigheden heeft genoemd dan die zij aan haar beroep op eigen schuld aan het intreden van de schade ten grondslag heeft gelegd (en die hiervoor al zijn beoordeeld). Dit betoog faalt dan ook.

Slotsom en proceskosten

2.54.

De slotsom is dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals hierna in het dictum bepaald en dat de Politie en de Stichting hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.105,56, vermeerderd met rente en kosten.

2.55.

Hoewel de vordering tot schadevergoeding van [eiser] voor een behoorlijk deel zal worden afgewezen, zal de rechtbank de Politie en de Stichting toch geheel in de kosten van de procedure veroordelen. Omdat [eiser] op het punt van de aansprakelijkheidsvraag het gelijk aan zijn zijde heeft acht de rechtbank de Politie en de Stichting de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde [eiser] op € 4.336,22, waarvan € 895 aan griffierecht, € 219,22 aan deurwaarderskosten en € 3.222 aan salaris advocaat (3 punten à € 1.074 volgens tarief IV). De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

2.56.

Voor de door [eiser] gevorderde veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, omdat de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat de Politie en de Stichting in vereniging en/of ieder voor zich tegenover [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld en uit dien hoofde verplicht zijn de schade die hij lijdt en geleden heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden;

3.2.

veroordeelt de Politie en de Stichting hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.605,56, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling, en een bedrag van € 3.500, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 september 2016 tot de dag van volledige betaling;

3.3.

veroordeelt de Politie en de Stichting hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 4.336,22 aan tot heden gemaakte proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.4.

begroot de door [eiser] nog te maken nakosten op € 157, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.5.

verklaart de veroordelingen onder 3.2, 3.3 en 3.4 uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter, bijgestaan door mr. A.N. Kikkert als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.