Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3863

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8303
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Aanvraag vergunningen voor de bouw van een showroom en een parkeergarage. Omgevingsvergunningen verleend voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/8303 en SGR 19/3344

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2020 in de zaak tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ., te [vestigingsplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. D. Beljon),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Remeijer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Wittebrug B.V., te Den Haag, vergunninghoudster (gemachtigde: mr. I.R. Köhne).

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2018 (bestreden besluit I) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het gebruik van het terrein achter [adres 1] hoek [adres 1] te Den Haag in strijd met het bestemmingsplan voor een showroom annex bedrijfsruimte ten dienste van een automobielbedrijf.

Bij besluit van 10 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het bouwen van een open parkeergarage met drie lagen achter [adres 2] ter hoogte van [adres 2] ongenummerd nabij [adres 2] te [plaats] .

Bij besluit van 25 april 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020. Namens eisers zijn verschenen [eiser 3] en [eiser 3] , bijgestaan door mr. N.A.W.E. Jansen, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door de gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Vergunninghoudster heeft op 31 maart 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag ziet op het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van het terrein achter [adres 1] hoek [adres 1] te [plaats] voor de bouw van een showroom annex bedrijfsruimte (hierna: Audi Flagstore).

1.2

Verweerder heeft bij de behandeling van de aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit § 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. Het ontwerpbesluit is met ingang van 11 april 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegd.

1.3

De raad van de gemeente Den Haag heeft bij brief van 4 september 2018 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven ten aanzien van de aanvraag om de omgevingsvergunning voor de Audi Flagstore.

1.4

Bij bestreden besluit I heeft verweerder de aangevraagde vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wabo verleend. Verweerder overweegt dat het door vergunninghoudster aangevraagde gebruik ziet op het overbodig geworden parkeerterrein. Er zijn verschillende aan auto’s gerelateerde bedrijven actief op het bedrijventerrein. Uitbreiding van het autohandelsbedrijf is goed mogelijk op dit ruime perceel. Bovendien draagt de intensivering bij aan een efficiënter ruimtegebruik. De showroom annex bedrijfsruimte is goed gepositioneerd op het perceel, aldus verweerder.

2.1

Gedurende de behandeling van de aanvraag van 31 maart 2017, heeft vergunninghoudster op 24 mei 2018 eveneens een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een parkeergarage met drie lagen op het perceel achter [adres 2] te [plaats] . Vergunninghoudster wil deze parkeergarage naast de Audi Flagstore realiseren.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de parkeergarage verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wabo. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

2.3

Bij bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in het geldende bestemmingsplan past, zodat hij gehouden is de gevraagde vergunning te verlenen.

3. De rechtbank overweegt dat eisers aanvoeren dat sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen beide bestreden besluiten. Ter zitting hebben eisers erkend dat daarvan in dit geval geen sprake is. Voor zover het betoog van eisers zo moet worden begrepen dat er onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo bestaat tussen de omgevingsvergunning voor de bouw van de parkeergarage en het vervolgens op basis van een vervolgbesluit aanbrengen van een vliesgevel aan deze parkeergarage, volgt de rechtbank dit niet. Immers, ook hierbij is geen sprake van één feitelijke handeling die juridisch gezien bestaat uit meerdere activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van de Wabo. Eisers hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van de vliesgevel, zodat die vergunning in deze procedure niet voorligt.

4. Eisers hebben in beide beroepschriften gesteld dat zij schade hebben geleden ten gevolge van de verlening van de omgevingsvergunningen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers verklaard dat deze verzoeken om schadevergoeding geen deel uitmaken van de onderhavige procedures. De rechtbank zal daarom aan deze verzoeken voorbijgaan.

Wettelijk kader en regelgeving

5.1

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat het verboden is, voor zover hier van belang, zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,
(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a, een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

5.2

Ter plaatste geldt het bestemmingsplan Forepark A4-A12 (het bestemmingsplan). De betrokken gronden hebben de bestemming ‘Verkeer-Verblijfsstraat’ met de functieaanduiding ‘Parkeerterrein’.

5.3

De voor ‘Verkeer-Verblijfsstraat’ aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 18.1 van de planregels ter plaatse van de aanduiding ‘Parkeerterrein’ bestemd voor (gebouwde) parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 18.2.1 van de planregels mogen op deze gronden, met uitzondering van het bepaalde in artikel 27, geen gebouwen worden gebouwd.

Ten aanzien van bestreden besluit I

6. De rechtbank overweegt dat de beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan, behoort tot de bevoegdheid van verweerder, waarbij verweerder beleidsruimte heeft. De rechtbank moet die beslissing terughoudend toetsen, dat wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen afwijken van het bestemmingplan.

7.1

Eisers betogen dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegelicht dat ten onrechte niet is onderzocht of er alternatieve locaties beschikbaar zijn voor de vestiging van de Audi Flagstore. Het door verweerder in beroep ingebrachte rapport van 23 januari 2020 sterkt hen in die overtuiging. Daaruit leiden eisers af dat sprake is van leegstand op het bedrijventerrein.

7.2

De rechtbank overweegt dat wanneer op de grondslag van artikel 2.12, eerste lid en onder a, onder 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning wordt verleend, en die omgevingsvergunning een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, het besluit een beschrijving moet bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Indien de vergunning een ontwikkeling mogelijk maakt buiten bestaand stedelijk gebied, dient deze ook een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

7.3

Volgens verweerder is de verleende vergunning niet in strijd met artikel 3.1.6 van het Bro. Verweerder verwijst in dat verband naar het bij de aanvraag gevoegde rapport Ruimtelijke onderbouwing ‘Audi Flagstore’ van 6 april 2017. In dit rapport is getoetst of de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte en of in die behoefte wordt voorzien binnen het bestaand stads- en dorpsgebied door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. In het rapport wordt geconcludeerd dat sprake is van een actuele regionale behoefte aan nieuwe bedrijvigheid op deze plaats. In beroep heeft verweerder ter nadere motivering een rapport van 23 januari 2020 overgelegd. In dit rapport wordt de ontwikkeling van de Audi Flagstore als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt, die plaatsvindt in bestaand stedelijk gebied. In het rapport wordt beschreven dat, gelet op de grote dynamiek in de markt en een grote druk op de bedrijfsruimtevoorraad, behoefte bestaat aan de onderhavige ontwikkeling.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van behoefte aan de ontwikkeling van de Audi Flagstore. De ontwikkeling vindt plaats binnen een reeds bestaand bedrijventerrein en dus binnen bestaand stedelijk gebied. Dit betekent, gelet op het tweede deel van artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro dat verweerder niet gehouden was te motiveren waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De in het rapport van 23 januari 2020 neergelegde constatering dat op het bedrijventerrein acht panden leegstaan met een oppervlakte van in totaal 4.000 m², betekent nog niet dat er geen behoefte is aan de ontwikkeling van de Audi Flagstore. Ten eerste wordt in het rapport toegelicht dat bedrijfsruimte in Den Haag schaars is. Ten tweede heeft vergunninghoudster ter zitting verklaard dat de leegstaande acht bedrijfspanden voor haar niet geschikt zijn, daar zij tezamen kleiner zijn dan de omvang van 6.400 m² van de Audi Flagstore. Het betoog van eisers faalt daarom.

8.1

Eisers stellen dat de realisatie van de Audi Flagstore tot verlies van parkeerplaatsen leidt. Verweerder heeft dit gegeven ten onrechte niet betrokken in de besluitvorming.

8.2

De rechtbank stelt vast dat door eisers niet is betwist dat in de situatie voorafgaand aan de vergunningverlening geen sprake was van een openbaar parkeerterrein. Dit betekent dat geen openbare parkeerplekken verdwijnen. Daarbij komt dat in het rapport Ruimtelijke onderbouwing ‘Audi Flagstore’ is onderzocht in hoeverre de vergunningverlening invloed heeft op het aantal parkeerplekken in de omgeving van de Audi Flagstore. Dit onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat de parkeersituatie niet verslechtert door de geplande ontwikkeling. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van parkeren het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het betoog faalt.

9.1

Eisers brengen naar voren dat er drie Natura 2000-gebieden in de omgeving liggen, waarvan er twee stikstofgevoelig zijn. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 aan de besluitvorming ten grondslag gelegd.

9.2

De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4442) dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Verder volgt uit de rechtspraak ( zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4161) dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

9.3

Uit het rapport Ruimtelijke onderbouwing ‘Audi Flagstore’ volgt dat het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide het meest nabij de Audi Flagstore is gelegen, op een afstand van ongeveer zeven kilometer. De afstand tussen dit gebied en de vestiging van [eiser 2] bedraagt eveneens ongeveer zeven kilometer. Reeds gelet op deze afstand, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen duidelijke verwevenheid tussen de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen en de individuele belangen van eisers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. De ingeroepen normen van de Wnb strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de beroepsgrond van eisers die betrekking heeft op de bescherming van Natura 2000-gebieden buiten beschouwing laat, omdat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht eraan in de weg staat dat bestreden besluit I wegens deze beroepsgrond wordt vernietigd. Het betoog faalt.

10 Gezien het voorgaande, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gebruik heeft kunnen maken.

11. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond verklaren.

Ten aanzien van bestreden besluit II

12.1

Eisers kunnen zich evenmin verenigen met bestreden besluit II. Zij menen dat de realisatie van de parkeergarage strijd met het bestemmingsplan oplevert. Volgens hen heeft de aanvraag betrekking op een gebouw en niet op een parkeervoorziening als bedoeld in de bestemmingsplanregels, het normale spraakgebruik en de geldende rechtspraak. Naar zij menen volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat een parkeervoorziening toegankelijk moet zijn voor algemeen publiek om als zodanig te kunnen worden gekwalificeerd. Zij verwijzen in dat verband naar de uitspraak van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1828) en die van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4524). Dat het gaat om een gebouw blijkt ook uit de bouwtekeningen gevoegd bij het ter inzage gelegde bouwplan. Daarop is te zien dat de parkeervoorziening is voorzien van wanden. Zij verwijzen in dat verband naar artikel 1.37 van de planregels bij het bestemmingsplan waarin een gebouw is gedefinieerd als elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

12.2

In artikel 1.62 van de planregels is een parkeervoorziening gedefinieerd als: voorziening bestemd voor het al dan niet tijdelijk en al dan niet tegen betaling parkeren van motorvoertuigen en/of motoren en (brom)fietsen, zoals een parkeerterrein, parkeergarage, parkeerkelder, parkeerdek of autobox.

12.3

Anders dan eisers hebben aangevoerd, dient naar het oordeel van de rechtbank voor de uitleg van het begrip “parkeervoorziening” geen aansluiting te worden gezocht bij Van Dale, groot woordenboek van de Nederlandse taal, nu daarvan in het bestemmingsplan een definitie is opgenomen. Die definitie is leidend. Voorts volgt uit de door eisers vermelde uitspraken van de Afdeling niet dat de al dan niet openbare toegankelijkheid van een parkeervoorziening bepalend is voor de definitie daarvan. Hetgeen eisers hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat het vergunde bouwwerk geen “parkeervoorziening” in de zin van artikel 1.62 van de Planregels is. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat vergunninghoudster ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat het bouwwerk onder meer zal worden gebruikt voor het stallen van huurauto’s, leaseauto’s en auto’s van het personeel. Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat (een deel van) het bouwwerk feitelijk dienst doet als showroom, wordt overwogen dat het eventuele gebruik van het bouwwerk in strijd met de verleende vergunning een kwestie van handhaving is. De vraag of vergunninghoudster handelt in overeenstemming met de verleende vergunning, ligt in deze procedure niet voor.

12.4

In de aanvraag van 24 mei 2018 wordt vermeld dat het gaat om ‘nieuwbouw parkeergarage’. Verweerder heeft ter zitting bestreden dat uit de ter inzage gelegde tekeningen bij de aanvraag zou blijken dat er een parkeervoorziening met wanden is aangevraagd. Vergunninghoudster heeft erop gewezen dat de aanvraag voor de vergunning voor het aanbrengen van de vliesgevel op een later moment is gedaan. Ook de rechtbank heeft uit het dossier niet kunnen opmaken dat is aangevraagd de bouw van een parkeergarage met dichte wanden. Een dergelijk bouwwerk is evenmin vermeld in de verleende vergunning. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vergunde bouwwerk valt onder de definitie van artikel 1.62 van de planregels.

13. Ook overigens is niet gebleken dat het bouwplan niet voldoet aan het bestemmingsplan. Hetgeen verder door eisers is aangevoerd kan evenmin slagen, nu dit geen betrekking heeft op de weigeringsgronden uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Verweerder was daarom gelet op het limitatieve imperatieve karakter van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, gehouden de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

14. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaren.

Algemeen

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen beide bestreden besluiten ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. M.P. Verloop en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier De voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.