Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3857

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
20/1663
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

intrekking van het recht op bijstand vanwege het weigeren mee te werken aan een huisbezoek. Geen grond dat besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1663


uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. M. el Hachmioui),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder(gemachtigde: N. Hakim).

Procesverloop
Bij besluit van 17 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer het recht van verzoekster op bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) met ingang van 11 december 2019 ingetrokken.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Partijen hebben vanwege de uitbraak van het Coronavirus de voorzieningenrechter toestemming gegeven om de zaak zonder zitting schriftelijk af te doen.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen, wanneer de belanghebbende daar een spoedeisend belang bij heeft. Het voorliggende verzoek heeft betrekking op het besluit van 17 december 2019. Bij de beoordeling van de spoedeisendheid van het verzoek, stelt de voorzieningenrechter voorop dat verweerder in dat besluit – voor zover hier van belang – het recht van verzoekster op bijstand ingevolge de Pw met ingang van 11 december 2019 heeft ingetrokken, op de grond dat het recht op bijstand niet meer kon worden vastgesteld omdat verzoekster heeft geweigerd aan een huisbezoek mee te werken. Verweerder heeft bij het zelfde besluit ook het recht op bijstand per 16 december 2019 beëindigd. Omdat dat onderdeel van het besluit naast de intrekking met ingang van 11 december 2019 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen betekenis heeft, laat de voorzieningenrechter dat onderdeel van het besluit bij de bespreking van het verzoek buiten beschouwing. Omdat verzoekster vanaf 11 december 2019 geen uitkering meer krijgt en zij, voorzien van een onderbouwing, heeft gesteld dat er sprake is van een aantal betalingsachterstanden, acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang aanwezig.
3. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder met het bestreden besluit het recht op bijstand ook van 1 december 2019 tot en met 15 december 2019 heeft ingetrokken. Dat onderdeel van het bestreden besluit heeft echter geen onmiddellijke gevolgen voor verzoekster, nu verweerder de in die periode betaalde bijstand (nog) niet van verzoekster heeft teruggevorderd. Verzoekster heeft bij de beoordeling van dat gedeelte van het bestreden besluit om die reden evenmin een spoedeisend belang.
4. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening uit van de volgende feiten en omstandigheden. Naar aanleiding van een themacontrole hebben medewerkers van de gemeente Westland (hierna: onderzoekers), een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de aan verzoekster verstrekte bijstandsuitkering. De groep die in het kader van die themacontrole onder de loep werd genomen, bestond uit gehuwde cliënten met een alleenstaandenuitkering.
5. De onderzoekers hebben onder meer dossieronderzoek verricht. Zij hebben daarbij vastgesteld dat verzoekster sinds 1 januari 2012 bijstand ontvangt. Eerst als alleenstaande ouder (tot en met 23 mei 2012), daarna (tot en met 7 maart 2017) samen met haar echtgenoot [A] als gehuwde. Vanaf 8 maart 2017 ontvangt verzoekster de alleenstaandennorm, omdat haar echtgenoot toen naar Somalië was vertrokken. Verzoekster woont volgens de Basisregistratie personen (Brp) op het adres [adres 2] , te [postcode 2] [plaats 2] . Verzoekster is inmiddels van tafel en bed gescheiden van haar echtgenoot [A] . Deze staat sinds 15 augustus 2017 ingeschreven op het adres [adres 1] te [postcode 1] [plaats 1] .
6. Het onderzoek bestond verder uit waarnemingen in de periode van 19 november 2019 tot en met 11 december 2019 in de buurt van verzoeksters woonadres. Daarbij hebben de onderzoekers een aantal malen de auto van verzoeksters echtgenoot (een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] ) aangetroffen, steeds zowel in de avond of namiddag als de daarop volgende dag in de vroege ochtend. De onderzoekers hebben ook geprobeerd om op 11 december 2019 om 8.00 uur een onaangekondigd huisbezoek bij verzoekster af te leggen. Volgens de onderzoekers heeft zij hen echter toen geen toestemming gegeven om de woning te betreden. De onderzoekers zijn daarop naar het woonadres van [A] ( [adres 1] in [plaats 1] ) gegaan om daar een huisbezoek af te leggen. [A] bleek echter niet thuis. De onderzoekers hebben wel met huisgenoten gesproken en de kamer bekeken die [A] met een andere persoon zou delen. Zij troffen daar een slapende man aan en een tegen de muur staand matras dat van [A] zou zijn. Aan dat matras hingen een aantal spijkerbroeken te drogen. De onderzoekers hebben later die dag verzoekster en haar echtgenoot naar aanleiding van de huisbezoeken op het gemeentehuis gehoord.
7. Omdat alleen voor wat betreft de intrekking van het recht op bijstand per 11 december 2019, op de grond dat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek van die datum, spoedeisend belang aanwezig is, beperkt de bespreking van het verzoek zich tot dat onderdeel van het bestreden besluit. Dit betekent dat een groot deel van de aangevoerde gronden (onder meer met betrekking tot een gezamenlijke huishouding en het standpunt inzake alimentatie) in het kader van het verzoek hier verder onbesproken blijft.
8. Inzake het huisbezoek stelt de rechtbank vast dat onderzoekers van de gemeente Westland op 11 december 2019 bij verzoekster hebben aangebeld om bij haar een huisbezoek af te leggen. In de rapportage bijzonder onderzoek van 12 december 2019, hebben de onderzoekers gesteld dat zij zich daarbij hebben gelegitimeerd, uitgebreid de reden van het huisbezoek hebben uitgelegd en de zogenaamde “informed consent” procedure hebben besproken. Nadat verzoekster toegang zou hebben geweigerd, zou haar de consequenties daarvan voor haar uitkering zijn uitgelegd, waarna zij opnieuw weigerde. Vervolgens zou haar opnieuw de “informed consent” procedure zijn uitgelegd en haar nogmaals toestemming zijn gevraagd, waarna verzoekster een derde maal zou hebben geweigerd. Op het Registratieformulier huisbezoek staat aangekruist dat verzoekster geen toestemming geeft voor een huisbezoek door medewerkers van/namens de gemeente Westland. Verder staat op dit formulier:
"jullie moeten een afspraak maken.
Ik wil niet, ik weet de consequenties.
Ik teken deze verklaring niet.
Ik heb met u een afspraak vanmiddag om 12.30 uur.".
9. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de weergave van de gang van zaken tijdens het huisbezoek in het rapport bijzonder onderzoek en het Registratieformulier. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking dat uit het verslag van het gesprek met de onderzoekers niet blijkt dat zij zich niet verstaanbaar kon maken, of dat men elkaar niet begreep. Verzoekster heeft bij het huisbezoek en bij het later met haar gehouden gesprek ook niet aangegeven dat zij behoefte had aan een tolk. Dit betekent dat – daargelaten dat het gegeven dat verzoekster de Nederlandse taal slecht zou beheersen in beginsel voor haar rekening en risico komt – van de inhoud van het rapport bijzonder onderzoek en het Registratieformulier mag worden uitgegaan en dat verweerder evenmin op voorhand al voor een tolk had hoeven zorgen.
10. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat verzoekster heeft geweigerd de onderzoekers in haar woning toe te laten en aldus om mee te werken aan het huisbezoek van 11 december 2019. Hetgeen verzoekster hieromtrent naar voren heeft gebracht, maakt dit oordeel niet anders. De naderhand gegeven weergave van de feiten door verzoekster, als dat zij op het punt stond haar kinderen naar school te brengen en dat een huisbezoek haar daarom niet goed uitkwam, vormt immers geen geldige reden voor verzoekster om haar medewerking al op voorhand te weigeren. De voorzieningenrechter oordeelt in dit verband dat zij dit samen met de onderzoekers had kunnen bespreken en daarbij een oplossing had kunnen vinden. Verzoekster heeft verder aangegeven te twijfelen of de onderzoekers wel voor de gemeente Westland werkten. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat de onderzoekers zich, zo volgt uit de rapportage bijzonder onderzoek, aan verzoekster hebben voorgesteld als medewerkers van de gemeente Westland en hun legitimatiebewijzen van de gemeente Westland aan verzoekster hebben laten zien. Dit betekent dat verzoekster onvoldoende onderbouwing heeft gegeven dat zij aan hun identiteit kon twijfelen. Ook dit vormt daarom geen reden om geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek.
11. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat, omdat verzoekster bijstand ingevolge de Pw ontving, zij verplicht was om verweerder alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de Participatiewet. Dat staat in artikel 17, tweede lid van die wet.
12. Het niet meewerken aan een huisbezoek heeft voor het recht op bijstand pas gevolgen, indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Daarvan is sprake als voorafgaand aan het huisbezoek duidelijk is dát en op grond waarvan redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door rechthebbende verstrekte gegevens en verweerder die niet op een andere effectieve en minder belastende wijze kan natrekken. Dit is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). 1 De voorzieningenrechter acht op basis van het bijzondere onderzoek voldoende onderbouwd dat verweerder de juistheid van de door verzoekster opgegeven woonsituatie door middel van een huisbezoek wenste te verifiëren. Door verzoekster is tegen die achtergrond niet onderbouwd dat een redelijke grond voor het afleggen van het hier ter beoordeling staande huisbezoek heeft ontbroken. Hieruit volgt dat het standpunt dat het onderhavige huisbezoek in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de jurisprudentie van de CRvB evenmin kan slagen.
13 Verzoekster vindt het intrekken van haar recht op bijstand ook in strijd met artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De voorzieningenrechter stelt vast dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft voor zover het betekent dat bij alle maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Hoe dat er in een concreet geval uitziet zegt dit artikel niet. Zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving is die bepaling door de rechter niet direct toepasbaar. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter.2 De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van haar kinderen, of dat verweerder niet binnen de grenzen van het recht is gebleven. Verweerder is bevoegd om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan een belanghebbende verleende bijstand. Dat staat in artikel 53a, tweede lid, onder b, van de Pw. De onderzoekers hebben verzoekster meer dan eens op de consequenties van haar weigering om mee te werken aan het huisbezoek gewezen. Daarmee heeft verweerder voldoende met verzoeksters belangen en die van haar kinderen rekening gehouden.
14. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopig oordeel dat dat verweerder voldoende grond had om het recht van verzoekster op bijstand wegens schending van de medewerkingsverplichting in te trekken. Verweerder kon door haar weigering om mee te werken aan het huisbezoek immers verzoeksters woonsituatie en daarmee ook het recht op bijstand niet langer vaststellen.
15. De voorzieningenrechter ziet op basis van hetgeen thans is aangevoerd daarom geen reden dat het bestreden besluit, wat betreft de intrekking van het recht op bijstand met ingang van 11 december 2019, niet in bezwaar in stand zal kunnen blijven. Dit betekent dat geen reden bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
18. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2020 door mr. O.M. Harms, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

de griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2020:671

2 Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:CRVB:2019:3446