Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3852

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
NL19.9770
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking vv wegens openbare orde. Geen schending artikel en artikel 8 EVRM. IRV opgelegd van 2 jaren wegens onrechtmatig verblijf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.9770


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfi-Kovacs).


Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, met terugwerkende kracht ingetrokken tot 4 oktober 2011 en de aanvraag om verlenging van die vergunning afgewezen. Verder heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [1977] en is van Somalische afkomst. Eiser is op 21 augustus 2007 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het destijds geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dat is een verblijfsvergunning op grond van het categoriaal beschermingsbeleid.

Waarom is eisers verblijfsvergunning ingetrokken en wordt hem geen verblijf toegestaan?

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aan eiser verleende vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 4 oktober 2011 en de aanvraag om verlenging afgewezen, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Verweerder heeft daartoe besloten vanwege de aard van de misdrijven, de duur van de aan eiser opgelegde gevangenisstraf en omdat eiser veelpleger is. Bij de beoordeling heeft verweerder de zogenoemde glijdende schaal toegepast, zoals beschreven in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De beschikbare informatie vormt voor verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat eiser nu bij terugkeer naar [woonplaats] heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of daar een reëel risico loopt op ernstige schade.1 Verder is niet gebleken dat eiser ambtshalve in het bezit dient te worden gesteld van een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser oefent geen gezins-of familieleven uit als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en de inmenging in het privéleven vindt verweerder gerechtvaardigd, aangezien eiser een ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Er bestaan ook geen medische beletselen om eiser uit te zetten.

Verder heeft verweerder een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.

Heeft eiser bij terugkeer naar [woonplaats] te vrezen voor vervolging of voor zijn leven?

3. Eiser erkent dat verweerder vanwege de veroordelingen bevoegd was om tot intrekking van de vergunning over te gaan. Gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 18 juni 2019 wordt de intrekking van de verblijfsvergunning die verleend was op grond van de zogenaamde ‘d-grond’ beheerst door het nationale openbare orde criterium en niet door het Unierechtelijke openbare orde begrip.2 Maar eiser stelt dat het gevolg daarvan is dat hij uitgezet zal worden naar Somalië en dat hij dan gevaar loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.3 Eiser voert daartoe aan dat hij verwesterd is en door Al-Shabaab als een spion gezien zal worden. Verweerder had daarom volgens eiser geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.

4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft toegelicht dat eiser per vliegtuig kan terugkeren naar zijn plaats van herkomst, [woonplaats] in Zuid-Somalië. Eiser hoeft dus niet door Al-Shabaab gebied te reizen om daar te komen. [woonplaats] staat volgens het ambtsbericht uit 2017 niet onder controle van Al-Shabaab en is volgens het rapport van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) van december 2017 relatief veilig.4 Uit de inhoud van het ambtsbericht uit 2019 over Centraal- en Zuid-Somalië blijkt dat de situatie voor [woonplaats] niet anders is geworden.5 Hieruit volgt dat de situatie in [woonplaats] niet zodanig is dat een ieder die daar naar terugkeert te vrezen heeft voor schending van artikel 3 van het EVRM of zich moet onderwerpen aan Al-Shabaab. Op grond hiervan heeft verweerder kunnen overwegen dat eisers grond dat hij uit een christelijk land komt en verwesterd is, omdat hij alcohol drinkt en westerse kleding draagt, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat juist eiser bij terugkeer een risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. De door eiser in beroep genoemde uitspraken van de ABRvS van 21 november 2018 en WI 2019/1 ter onderbouwing van zijn standpunt hierover hebben verweerder geen aanleiding hoeven geven om eiser nader te horen over zijn verwestering.6 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de genoemde uitspraken en de werkinstructie zien op een uitzondering op de hoofdregel dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingenschap kan leiden. Daarbij ziet de toegelaten uitzondering op vrouwen en eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat aanleiding bestaat om aan te nemen dat de uitzondering op de hoofdregel ook toe te passen op verwesterde mannen. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer naar [woonplaats] zal leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM en dat aan de intrekking van de verblijfsvergunning in de weg staat.

Welk gewicht moet worden toegekend aan eisers familie- en privéleven in Nederland?

5. Eiser heeft aangevoerd dat hij gezinsleven heeft met zijn jong volwassen stiefzoon en privéleven heeft opgebouwd in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft wel een belangenafweging gemaakt en de ernst van de misdrijven daarbij betrokken, evenals de persoonlijke binding van eiser met Nederland, maar deze belangen kunnen volgens eiser niet zwaarder wegen dan de duur van zijn rechtmatig verblijf in Nederland. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat hij grote stappen heeft gemaakt en zijn band met Nederland sterker is geworden. De intrekking van de verblijfsvergunning is daarom disproportioneel. Verweerder heeft geen ‘fair balance’ gevonden, aldus eiser.

6. Ook dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd dat er geen familie- of gezinsleven is als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het contact tussen eiser en zijn stiefzoon niet leidt tot een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen en ook van belang kunnen vinden dat de jong volwassen stiefzoon de laatste jaren geen deel uitmaakte van het gezin van eiser.

Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de inmenging in het recht op privéleven van eiser gerechtvaardigd is in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Verweerder heeft bij zijn beoordeling de ‘guiding principles’ betrokken zoals geformuleerd in de arresten Boultif en Üner7. Verweerder heeft in zijn afweging alle door eiser aangevoerde belangen kenbaar betrokken. Verweerder heeft ook de aard en ernst van de gepleegde misdrijven betrokken en gewicht toegekend aan het feit dat eiser een veelpleger is en tegen hem nog strafzaken open staan. Verder heeft verweerder van belang mogen vinden dat de zedendelicten zijn gepleegd (mede) door alcoholgebruik en dat eiser dat alcoholgebruik niet onder controle heeft, aangezien hij recent nog is veroordeeld voor openbare dronkenschap. Verder veroorzaakt eiser overlast voor de samenleving en brengt hij leed toe. Verweerder heeft de stappen die eiser zegt te hebben gemaakt in dat licht van gering gewicht mogen vinden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de duur van eisers verblijf in Nederland niet zodanig bijzonder is dat op grond daarvan het persoonlijk belang van eiser prevaleert boven dat van de openbare orde. Eiser heeft de eerste dertig jaren van zijn leven buiten Nederland doorgebracht. Van de tijd, ongeveer 12,5 jaar, die eiser in Nederland heeft doorgebracht is een substantieel deel in detentie doorgebracht. Het feit dat eiser de Nederlandse taal beheerst en stelt geïntegreerd te zijn, betekent niet dat de band die eiser met Nederland heeft opgebouwd als zo sterk is aan te merken dat de intrekking van de verblijfsvergunning, waardoor eiser Nederland moet verlaten, een schending van het privéleven oplevert. De binding overstijgt niet de normale binding die ontstaat door enkel het langdurige verblijf in Nederland. Gelet op de banden die eiser heeft met Somalië en de Somalische cultuur, heeft verweerder mogen concluderen dat eiser in staat moet worden geacht om daar opnieuw privéleven op te bouwen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het niet onredelijk is om van eiser te verlangen dat hij eventuele banden die hij met Nederland is aangegaan op afstand onderhoudt.

Verweerder heeft daarom in redelijkheid het belang van de Nederlandse overheid zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van eiser en geen aanleiding hoeven zien om de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten, of eiser ambtshalve in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning vanwege het beroep op het familie- of gezinsleven, dan wel het privéleven.

Wat betekent dit voor de afwijzing van de aanvraag om verlenging van de vergunning?

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met bovenstaande ook voldoende gemotiveerd waarom dat de aanvraag van de verlenging wordt afgewezen.

Heeft verweerder het juiste kader toegepast bij de oplegging van het inreisverbod?

8. Eiser voert aan dat verweerder volgens de ABRvS bij het opleggen van een inreisverbod, ongeacht de duur daarvan, het Unierecht toepast en dat alle in artikel 6.5a, derde of vierde lid, van het Vb en artikel 66a, zevende lid, van de Vw vermelde gronden verband houden met de openbare orde.8 Verweerder had daarom moeten motiveren waarom het persoonlijke gedrag van eiser een voldoende werkelijk, voldoende actueel en voldoende ernstige bedreiging is van de openbare orde om de duur van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod te rechtvaardigen. Verweerder heeft het inreisverbod weliswaar gebaseerd op artikel 66a, tweede lid, van de Vw, maar gelet op de reden van de intrekking van de verblijfsvergunning en de antecedenten van eiser speelde het gevaar voor de openbare orde wel degelijk een rol. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar rechtsoverweging 5.1. in de uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2018.9

9. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de door eiser genoemde uitspraak van de ABRvS van 27 juni 2018 volgt dat het Unierechtelijke openbare-ordebegrip ook van toepassing moet worden geacht op de uitvaardiging van een inreisverbod, indien verweerder daarbij artikel 6.5a, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van het Vb, dan wel artikel 66a, zevende lid, van de Vw of een combinatie van die bepalingen toepast. Dit omdat verweerder met de uitvaardiging van een inreisverbod het Unierecht toepast en alle in deze bepalingen vermelde gronden verband houden met de openbare orde en verweerder dus bij de toepassing daarvan betrekt dat desbetreffende vreemdeling een gevaar hiervoor vormt. In dit geval heeft verweerder echter eiser een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, tweede lid, van het Vw en artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb. Dit houdt in dat het inreisverbod is opgelegd, omdat eiser onrechtmatig verblijf heeft. Artikel 6.5a, derde, vierde, vijfde of zesde lid, van het Vb is daarop niet van toepassing en aan dit inreisverbod zijn ook niet de rechtsgevolgen verbonden van artikel 66a, zevende lid, van de Vw. Eiser hoeft Nederland niet onmiddellijk te verlaten, maar heeft daarvoor een vertrektermijn van vier weken gekregen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan eisers beroepsgrond dat verweerder verzuimd heeft te motiveren waarom het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde vormt die een fundamenteel belang van de van de samenleving aantast, zoals bedoeld in het arrest Z.Zh. en I.O. en om die reden geen inreisverbod kon opleggen. De enkele omstandigheid dat de verblijfsvergunning is ingetrokken op gronden die verband houden met de openbare orde, maakt niet dat verweerder geen inreisverbod mag opleggen om andere redenen, in dit geval het onrechtmatig verblijf van eiser dat het gevolg is van de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Dan hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet aan het Unierechtelijke openbare-ordebegrip te worden getoetst.

10. Verweerder heeft gelet op voorgaande in redelijkheid de verblijfsvergunning van eiser kunnen intrekken, de aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning kunnen afwijzen en hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren kunnen opleggen.

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk en daarom is er geen reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. M.C. Verra en mr. M. den Heijer, leden, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

1 artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw

2 ECLI:NL:RVS:2018:1924

3 Artikel 3 EVRM: Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen

4 Ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in Centraal en Zuid-Somalië, van oktober 2017, gecorrigeerd op 23 november 2017, (kenmerk: CAT-BZ-2017.11300234) en EASO rapport ‘Country of Origin Information Report, Somalia, Security Situation’ van december 2017

5 Kenmerk: 2019.2524-8

6 ECLI:NL:RVS:2018:3735 en ECLI:NL:RVS:2018:3736

7 Arrest van 2 augustus 2001 Boultif tegen Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300) en arrest van 18 oktober 2006 Üner tegen Nederland (ECLI:CELECHR:2006:1018JUD004641099)

8 Eiser wijst bij wijze van voorbeeld op uitspraken de ABRvS van 8 november 2016 van de ABRvS (ECLI:NL:RVS:2016:3012) en 4 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1725)

9 ECLI:NL:RVS:2018:2152