Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3833

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
SGR 19/8064
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verrekening bijstand. Storting op bankrekening. Onvoldoende aangetoond dat sprake is van een lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/8064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.G.H. Janssen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: O. Massalova).

Procesverloop

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de uitkeringsspecificatie van 27 juni 2019, waarop een bedrag van € 200,-- van haar bijstandsuitkering is ingehouden.

Bij besluit van 14 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In verband met de maatregelen rondom het coronavirus heeft de rechtbank partijen verzocht om de zaak schriftelijk af te mogen doen. Met een toestemmingsformulier van 1 april 2020 heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd toestemming gegeven om de zaak schriftelijk af te doen. De gemachtigde van verweerder heeft per email van 6 april 2020 eveneens toestemming gegeven voor een schriftelijke afdoening van de zaak.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt met ingang van 1 juni 2019 een bijstandsuitkering. Op de uitkeringsspecificatie van 27 juni 2019 is te zien dat een bedrag van € 200,-- op de uitkering wordt ingehouden. Dit bedrag betreft een storting op de rekening van eiseres die als inkomen wordt aangemerkt en die volgens verweerder gekort moet worden op de bijstandsuitkering.

2. Eiseres is het met de inhouding niet eens. Zij heeft aangevoerd dat zij 14 jaar heeft gewerkt, ziek is geworden en een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Na afloop van de WW-periode heeft zij bijstand aangevraagd. Door de terugval in inkomsten kon zij maar moeilijk haar verplichtingen betalen. Haar minderjarige zoon heeft een door hem van eiseres geleend bedrag aan haar terugbetaald. De zoon had dat bedrag geleend voor de aankoop van een computerspel toen eiseres nog voldoende inkomsten had. Eiseres meent dat geld wat verdiend is, niet nog eens als inkomsten beschouwd mag worden, als dat geld tijdelijk aan een ander is uitgeleend. Het betreft een zeer gering bedrag, dat wel een substantieel deel is van de uitkering van eiseres. De beslissing van verweerder is ongepast en verwerpelijk, vindt eiseres, en bovendien onbegrijpelijk.

3. In artikel 19, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

In artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

In artikel 32, eerste lid, onder a, van de Participatiewet is bepaald, voor zover hier van belang, dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze inkomsten uit of in verband met arbeid betreffen dan wel naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen.

4. In verband met de aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft eiseres bankafschriften overlegd. Op een afschrift van rekeningnummer [bankrekening] is op 1 juni 2019 een storting te zien van € 200,--; als omschrijving staat daarbij: “STORTING 01-06-19 13:56 UUR GELDAUTOMAAT [geldautomaat] [plaats] , [bankpas] ”.

5. De klantmanager van verweerder heeft eiseres op 21 juni 2019 (onder meer) gevraagd naar de herkomst van de kasstorting op 1 juni 2019 van

€ 200,--. Eiseres heeft daarover verklaard: “Dit is geld van mijn zoon. Hij had geld van mij geleend en kon dit op deze manier terugbetalen aan mij.” Vervolgens heeft de klantmanager opdracht gegeven om de € 200,-- te verrekenen met de uitkering van de maand juni 2019. Die verrekening heeft plaatsgevonden.

6. Op 15 juli 2019 heeft eiseres bezwaar gemaakt. De betaling op haar rekening betrof een bedrag dat door eiseres aan haar zoon geleend was en door hem aan haar is terugbetaald, aldus eiseres.

7. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiseres heeft een bedrag van € 200,-- ontvangen door middel van een storting op haar bankrekening. Naar vaste rechtspraak worden stortingen waarvan de herkomst onduidelijk of onbekend is, in beginsel aangemerkt als inkomen dat op de uitkering in mindering moet worden gebracht (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2017:597). Eiseres zal daarom met objectieve en verifieerbare stukken duidelijk moeten maken waar de storting betrekking op heeft.

8. Inzake het in juni 2019 ontvangen bedrag van € 200,-- heeft eiseres gesteld dat het geld een terugbetaling van geleend geld was. Ter onderbouwing van de lening heeft eiseres niets overgelegd, noch over de lening zelf, noch over de terugbetaling. Bij de storting is niets op het bankafschrift vermeld. Ook in het gesprek met de klantmanager heeft eiseres geen enkel detail gegeven over de lening en de verplichting tot terugbetaling. Pas in beroep stelt eiseres dat het ging om een lening voor de aankoop van een computerspel. Eiseres heeft ook daarvan geen enkel bewijs overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat zij geld heeft uitgeleend aan haar zoon, wanneer dat dan gebeurd is, dat voor dat uitgeleende geld een terugbetalingsverplichting gold en dat het ontvangen bedrag van € 200,-- daadwerkelijk de terugbetaling van het geleende bedrag was. Er is dus geen enkel feit dat voor verweerder te controleren is. Eiseres heeft daarom niet duidelijk gemaakt waar de storting betrekking op had. De conclusie daaruit is dat verweerder op goede gronden de storting van € 200,-- heeft aangemerkt als inkomen. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2020 door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van E.T. Rietbroek, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.