Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3817

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
C/09/557204 / HA ZA 18-825
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

dreigende tenuitvoerlegging van straf opgelegd door Engelse rechtbank onrechtmatig; verbod tenuitvoerlegging; Uitleg artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOPG; toets aan eisen van lawfulness vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/557204 / HA ZA 18-825

Vonnis van 29 april 2020

in de zaak van

[eiser] , te [plaats] ,

eiser,

advocaat: mr. R.L. de Graaff, te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Openbaar Ministerie en Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke, te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juni 2018 met producties 1 tot met 18;

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 10;

- het tussenvonnis van 28 november 2018 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

- de nader ingediende producties 19 en 20 van de zijde van [eiser] ;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van de Staat, met producties 11 en 12;

- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie van 26 maart 2019;

- het verzoek tot voortprocederen van de zijde van [eiser] met bijgevoegd het arrest van het gerechtshof Den Haag in kort geding van 27 augustus 2019;

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van [eiser] , met producties 21 tot en met 27;

- de antwoordakte van de zijde van de Staat, met productie 13.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op het proces-verbaal te maken. De rechtbank heeft van partijen geen opmerkingen ontvangen.

1.3.

Deze zaak is in eerste instantie behandeld door de enkelvoudige kamer. De behandelend rechter heeft op de zitting met partijen het voornemen besproken om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer. Partijen maakten geen bezwaar tegen een verwijzing naar een meervoudige kamer en hebben toestemming gegeven de uitspraak door de meervoudige kamer te laten wijzen zonder dat nadere zitting plaatsvindt. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van de zitting. Deze zaak is op voet van artikel 15 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) na de comparitie van partijen door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer.

1.4.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

De procedure in Engeland

2.1.

[eiser] is, samen met een familielid, ter terechtzitting op 11 november 2003 door een jury van het St Albans Crown Court in Chesthunt, Engeland schuldig bevonden aan overtreding van section 1 of the Theft Act 1968 wegens diefstal (in vereniging) van een auto. [eiser] is na deze zitting op borgtocht vrijgelaten in afwachting van de sentencing hearing op 14 november 2003. Aan de borgtocht is de voorwaarde verbonden dat [eiser] aanwezig diende te zijn bij de sentencing hearing.

2.2.

[eiser] is voordat de sentencing hearing plaatsvond naar Nederland vertrokken. Hij is niet op deze zitting verschenen. [eiser] werd tijdens sentencing hearing vertegenwoordigd door een advocaat, die namens hem het woord heeft gevoerd.

2.3.

De trial judge van het St Albans Crown Court heeft [eiser] op 14 november 2003 “in absentia” veroordeeld tot, voor zover hier van belang, twee jaar gevangenisstraf wegens diefstal van de auto en zes maanden gevangenisstraf wegens schending van de borgtochtvoorwaarden (breach of bail).

Het verzoek tot uitlevering

2.4.

De Engelse autoriteiten hebben in 2004 Nederland verzocht om uitlevering van [eiser] . [eiser] heeft bij brief van 5 maart 2005 aan de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken verzocht het uitleveringsverzoek van Engeland af te wijzen. Deze brief luidt, voor zover hier van belang:

Vanaf het begin van de Rechtszaak hebben wij en onze advocaat geen goed gevoel gekregen over de manier waarop wij behandeld werden. Wij moesten nl. plaatsnemen in een gepantserde glazen kooi en werden aan beide kanten bewaakt door een cipier. Dit bevreemde ons zeer, zo zou men de indruk krijgen al waren wij grote zware criminelen.

Vanaf het begin heeft de Rechter zijn invloed uitgeoefend op de jury middels opmerkingen dat wij buitenlanders waren en schuldig waren aan diefstal van een auto.

Tijdens het hele proces heeft hij ons geen enkele keer aangekeken en vertelde de jury dat de zaak van diefstal zo duidelijk voor hem was dat het proces hooguit een paar dagen zou duren.

Uiteindelijk heeft het proces twee en een halve week geduurd, waarin onze advocaat duidelijk heeft aangetoond, middels bewijzen dat wij onschuldig zijn (…).

De advocaat van de tegenpartij (de Engelse Staat) heeft geen enkel bewijs kunnen aanvoeren waaruit zou blijken dat wij voor wat dan ook maar schuldig bevonden konden worden, hij zei dat wij dieven, oplichters en vermoedelijk inbrekers waren, om zo indruk te maken op de jury, zonder enig bewijs.

In het eindpleidooi van de Rechter heeft hij alle (…) bewijzen van onze advocaat genegeerd en heeft duidelijk gezegd dat wij Buitenlanders waren en alles bij elkaar gelogen hadden en dat de jury toch zeker eensluidend met een uitslag moest komen dat wij schuldig waren. Hij kon alleen maar een uitslag accepteren waarin zou blijken dat wij schuldig waren. Mocht de jury er niet eensluidend uitkomen, wat het geval was, dan wilde hij een 10-2 verhouding als minimaal nog accepteren. (…)

Toen de jury er na 3 uur nog niet uit was wilde de Rechter dat ze met 15 minuten terug moesten komen met een duidelijk 10-2 uitslag tegen ons, volgens de Rechter had de zaak lang genoeg geduurd. De rechter heeft de jury dusdanig onder druk gezet dat ze na een half uur terug kwamen met een 10-2 uitslag.

2.5.

De rechtbank Almelo heeft op 29 maart 2005 de uitlevering van [eiser] aan Engeland ontoelaatbaar geacht omdat, kort samengevat, het bevel tot aanhouding van [eiser] en een authentiek afschrift van het vonnis ontbraken terwijl de Uitleveringswet en het Europees Uitleveringsverdrag overlegging van deze stukken voorschreven. De vervolgingsuitlevering is vanwege de ongenoegzaamheid van de stukken niet toelaatbaar geacht.

Het rechtshulpverzoek van de Engelse autoriteiten

2.6.

De Engelse autoriteiten hebben bij brieven van 3 januari 2014 en 8 juli 2014 de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) verzocht de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die op 14 november 2003 aan [eiser] is opgelegd over te nemen. Dit verzoek is gebaseerd op het Aanvullend Protocol (AP) bij het Verdrag Overbrenging van Gevonniste Personen (VOGP).

2.7.

De Engelse autoriteiten hebben bij het verzoek (hierna: het VOGP-verzoek) de volgende stukken overgelegd:

1. een kopie van het Europees Arrestatiebevel voor [eiser] ;

2. een kopie van the Orders of conviction and sentence for the subjects (hierna: certificate of conviction), ondertekend door de officer of St Albans Crown Court, waarin is vermeld, voor zover hier van belang:

This is to certify that at the Crown Court at ST ALBANS on the 11TH NOVEMBER 2003 BERT ANTON [eiser] was tried and convicted upon indictment of THEFT OF MOTOR VEHICLE And on 14th NOVEMBER 2003 was sentenced to

2 YEARS IMPRISONMENT (…)” .

3. een kopie van het artikel waarop de veroordeling is gebaseerd (section 1 of the Theft Act 1968);

4. een kopie van het relaasproces-verbaal dat is opgemaakt ten behoeve van de strafzaak tegen [eiser] (case summary from the setting the circumstances of the offence, hierna: case summary), bestaande uit onder meer een samenvatting van de getuigenverklaringen, een beschrijving van de toedracht van het tenlastegelegde feit, een verklaring van [eiser] als verdachte en de uitslagen van forensisch onderzoek;

5. een kopie van de (deels onleesbare) aantekeningen van de griffier van de sentencing hearing van 14 november 2003 (hierna: Crown Court Minute Sheet);

6. een kopie van de gemaakte vingerafdrukken van [eiser] .

2.8.

In de brief van 3 januari 2014 hebben de Engelse autoriteiten vermeld dat de sentencing remarks (de motivering van de rechter van de opgelegde straf), die gewoonlijk bij een dergelijk verzoek worden gevoegd, ontbreken. Volgens de Engelse autoriteiten geven de aantekeningen van de griffier van de zitting (Crown Court Minute Sheet) voldoende achtergrond van de sentencing hearing. De Engelse autoriteiten geven in de brief van 8 juli 2014 aan dat door verloop van tien jaren moeilijkheden zijn ontstaan bij het verstrekken van de informatie die de Nederlandse autoriteiten gewoonlijk zouden verwachten bij het verzoek.

De adviesprocedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

2.9.

De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de Minister op grond van artikel 43b van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) op 8 september 2014 geadviseerd de aanwijzing te geven dat de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer wordt gelegd voor zover deze de duur van twee jaar niet te boven gaat. Het gaat hierbij om de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf wegens diefstal (hierna: de gevangenisstraf). De gevangenisstraf wegens schending van de borgtochtvoorwaarden komt niet voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking omdat niet is voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid.

2.10.

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overweegt in het advies over de stukken die de Engelse autoriteiten hebben verstrekt:

Voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikelen 3 tot en met 7 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen. Het hof stelt vast dat het niet beschikt over een gewaarmerkt afschrift van het vonnis van 11 en 14 november 2003. Het hof stelt het ‘certificate of conviction’ (…) in samenhang met de Case summary en de Crown Court Minute Sheet gelijk aan het afschrift van het vonnis als bedoeld in artikel 6 lid 2 onder a VOGP.

Het besluit van de Minister

2.11.

De Minister heeft overeenkomstig het advies van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de Engelse autoriteiten bericht dat Nederland bereid is de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] over te nemen voor zover het de veroordeling wegens diefstal betreft (twee jaar). De Engelse autoriteiten hebben ingestemd met het voorstel van de Minister.

2.12.

De Minister heeft het Openbaar Ministerie op 23 april 2015 verzocht de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.

2.13.

De advocaat van [eiser] heeft bij brieven van 6 maart 2017 en 30 april 2018 de Minister verzocht om zijn beslissing op het rechtshulpverzoek te herzien. Bij deze brieven is een legal opinion van prof. [professor] gevoegd. De Minister heeft bij brief van 4 mei 2018 bericht geen aanleiding te zien om terug te komen op zijn beslissing. De advocaat van [eiser] heeft dit verzoek herhaald bij brief van 7 mei 2018, waarop de Minister wederom afwijzend heeft gereageerd.

2.14.

Bij brief van 23 april 2018 is [eiser] opgeroepen zich te melden voor het ondergaan van de gevangenisstraf. In de brief is vermeld dat de straf is geregistreerd onder parketnummer 05-199091-14.

De procedures in kort geding

2.15.

[eiser] heeft op 23 mei 2018 de Staat gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. [eiser] vorderde in de kort gedingprocedure de Staat te verbieden de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen, of in ieder geval de tenuitvoerlegging te schorsen of deze te schorsen tot in de bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging.

2.16.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 3 juli 2018 de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging toegewezen. De voorzieningenrechter overweegt in het vonnis dat het VOGP-verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen nu de Engelse autoriteiten hebben verzuimd een gewaarmerkt afschrift van het vonnis te overleggen zoals vereist is in artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP. De stukken die de Engelse autoriteiten hebben overgelegd kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het gewaarmerkte afschrift van het vonnis vervangen aangezien de tekst van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP geen ruimte biedt voor het verstrekken van andersoortige stukken.

2.17.

De Staat heeft tegen dit vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Bij arrest van 27 augustus 2019 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vorderingen van [eiser] afgewezen. Naar het oordeel van het gerechtshof mocht de Staat de stukken die de Engelse autoriteiten bij het VOGP-verzoek hadden gevoegd voldoende achten voor aanwezigheid van het “judgment”, oftewel het vonnis. Op grond daarvan kon worden beslist over de verzochte overname van de tenuitvoerlegging in Nederland. Ook de overige gronden die [eiser] heeft aangevoerd leiden naar het oordeel van het gerechtshof Den Haag niet tot de conclusie dat de voortgezette tenuitvoerlegging van het vonnis in Nederland onrechtmatig is.

2.18.

[eiser] heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van de gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2019. De procesinleiding in cassatie van 21 oktober 2019 heeft [eiser] in de onderhavige procedure als productie bij akte ingebracht.

Nadere informatie van de Engelse autoriteiten

2.19.

Naar aanleiding van een verzoek van een medewerker van de afdeling Internationale overdracht strafvonnissen (IOS) van het ministerie van Justitie en Veiligheid, tot nadere informatie over deze zaak, hebben de Engelse autoriteiten bij e-mail van 10 augustus 2018 als volgt bericht:

You should be aware that English courts do not hand down judgments in the same way that judicial authorities do in other countries. The finding of guilt or otherwise is not a matter for the judge but is the decision of the Jury. The deliberations of the Jury are secret and they do not give an explanation of their findings. If a defendant is found guilty the trial judges responsibility is to pass sentence. Once he has done so an Order of Imprisonment is issued which states the sentence to be served. This is the legal authority to detain the prisoner. This should have been provided with the transfer request.

Where we can we forward a copy of the Judges sentencing remarks as these may contain some relevant information. However, a judge is not required to make any remarks when passing sentence other than the sentence itself. You will know from the previous cases we have referred to you that the Judges sentencing remarks vary in length and detail. The sentencing remarks are not the formal judgment of the court.

2.20.

Bij brief van 2 november 2018, gericht aan de afdeling IOS, hebben de Engelse autoriteiten het volgende aan voornoemde e-mail toegevoegd, voor zover hier van belang:

I refer to your request for further information in relation to the request submitted by the British authorities for the transfer of the enforcement of a sentence imposed on Mr [eiser] , a Dutch national.

You may be aware that judges in courts in England and Wales do not issue judgments. The finding of guilt or otherwise is a matter for the jury. The jury has the legal authority to convict an individual. If an individual is convicted it is for the trial judge to pass sentence. In this case the judge imposed a sentence of 2 years imprisonment for theft of a motor vehicle, and 6 months imprisonment for Breach of Bail. (…)

In the absence of a “judgment” St Albans Crown Court have issued a Certificate of Conviction, signed by an officer of the court. A copy of this was provided with our transfer request (…). The Certificate confirms that [eiser] was convicted on 11 November 2003 and was sentenced on 14 November 2003. This certificate, duly issued by the court, is an official confirmation of the court’s decision in this case and would form the basis of the enforcement of the sentence in the United Kingdom. No other “judgment” has been issued by the court. It has not been possible to obtain a copy of the Judges sentencing remarks in this case.

3 De relevante wetsartikelen en jurisprudentie

De relevante artikelen uit het VOGP

3.1.

Artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP luidt:

Artikel 6 Stukken ter ondersteuning

2. Indien een overbrenging wordt verzocht, worden door de Staat van veroordeling de navolgende stukken aan de Staat van tenuitvoerlegging verstrekt, tenzij een der beide Staten reeds heeft aangegeven dat hij niet met de overbrenging zal instemmen:

a. een gewaarmerkte afschrift van het vonnis en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen.

3.2.

Artikel 17 lid 1 VOGP luidt:

Artikel 17 Talen en kosten

4. Behoudens het in artikel 6 (2) (a) bepaalde, behoeven de stukken die ter toepassing van dit Verdrag worden verzonden, niet gewaarmerkt te zijn.

Het toelichtend rapport bij het VOGP (Explanatory Report to the Convention on the Transfer of Sentenced Persons) vermeldt over dit artikellid (onder punt 76):

Paragraph 4 provides that with the exception of the copy of the judgment imposing the sentence – referred to in Article 6.2 a – supporting documents transmitted in application of the convention need not be certified.

Het arrest Taxquet/België

3.3.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft zich in een arrest van 16 november 2010 (EHRM/GK 16 november 2010 nr. 926/05, Taxquet/België) uitgesproken over de rechtmatigheid (lawfulness) van juryrechtspraak, mede in verband met de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In deze Belgische zaak heeft Engeland zich als derde gemengd. Het standpunt en de onderbouwing van Engeland dat de juryrechtspraak aldaar voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM is als volgt verwoord in het arrest:

74. The United Kingdom Government submitted that in the British system of jury trial, at the conclusion of the evidence, the judge summed up the case to the jurors. He reminded them of the evidence they had heard. In doing so, he could give directions about the proper approach, or indeed the caution, to adopt in respect of certain evidence. He also provided the jury with information and explanations about the applicable legal rules. On that account, he clarified the constituent elements of the offence and set out the chain of reasoning that should be followed in order to reach a verdict based on the jury’s findings of fact. Both prosecution and defence could make submissions on the conclusion which, in their view, the jury should reach.

75. The jury deliberated in private. If it required further explanations or guidance on any particular point, it could submit a note to the judge, setting out any questions it wished to ask him. The judge showed the note to counsel for the prosecution and the defence in the absence of the jury and invited their submissions on a suitable response, after which he was free to decide whether or not the jury should be given the further directions requested in open court.

Het EHRM heeft in dit arrest ten aanzien van juryrechtspraak overwogen:

84. Accordingly, the institution of the lay jury cannot be called into question in this context. The Contracting States enjoy considerable freedom in the choice of the means calculated to ensure that their judicial systems are in compliance with the requirements of Article 6. The Court’s task is to consider whether the method adopted to that end has led in a given case to results which are compatible with the Convention, while also taking into account the specific circumstances, the nature and the complexity of the case.

(…)

91. In proceedings conducted before professional judges, the accused’s understanding of his conviction stems primarily from the reasons given in judicial decisions. In such cases, the national courts must indicate with sufficient clarity the grounds on which they base their decisions (…). Reasoned decisions also serve the purpose of demonstrating to the parties that they have been heard, thereby contributing to a more willing acceptance of the decision on their part. In addition, they oblige judges to base their reasoning on objective arguments, and also preserve the rights of the defence. However, the extent of the duty to give reasons varies according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case (…). While courts are not obliged to give a detailed answer to every argument raised (…), it must be clear from the decision that the essential issues of the case have been addressed (…).

92. In the case of assize courts sitting with a lay jury, any special procedural features must be accommodated, seeing that the jurors are usually not required – or not permitted – to give reasons for their personal convictions (…). In these circumstances likewise, Article 6 requires an assessment of whether sufficient safeguards were in place to avoid any risk of arbitrariness and to enable the accused to understand the reasons for his conviction (…). Such procedural safeguards may include, for example, directions or guidance provided by the presiding judge to the jurors on the legal issues arising or the evidence adduced (….), and precise, unequivocal questions put to the jury by the judge, forming a framework on which the verdict is based or sufficiently offsetting the fact that no reasons are given for the jury’s answers (…). Lastly, regard must be had to any avenues of appeal open to the accused.”

4 Het geschil

4.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(I) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt indien de Staat de gevangenisstraf die aan [eiser] is opgelegd bij vonnis van het St Albans Crown Court van 14 november 2003 (bekend onder parketnummer 05-199091-14) ten uitvoer legt;

(II) de Staat verbiedt de onder (I) genoemde gevangenisstraf ten uitvoer te leggen;

(III) de Staat veroordeelt tot vergoeding van € 2.000,00 aan [eiser] ,

met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.

4.2.

[eiser] heeft bij akte overlegging producties, ingebracht na de comparitie van partijen, de procesinleiding voor het beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag in kort geding van 27 augustus 2019 overgelegd. [eiser] heeft de rechtbank verzocht de in die stukken vervatte argumenten in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. De Staat heeft bij antwoordakte aangevoerd niet te zullen reageren op de procesinleiding omdat de Staat geen voorschot wil nemen op weerspreking van het cassatieberoep. De rechtbank zal dientengevolge bij haar beoordeling enkel de stellingen en onderbouwing van [eiser] uit de procesinleiding betrekken nu de Staat daarop niet heeft gereageerd.

4.3.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf door de Staat onrechtmatig is om meerdere redenen.

Allereerst hebben de Engelse autorititeiten niet het vereiste gewaarmerkte afschrift van het vonnis bij het VOGP-verzoek gevoegd, zoals is vereist door artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP. De overgelegde certificate of conviction, de case summary en de Crown Court Minute Sheet zijn niet toereikend om het vereiste gewaarmerkt afschrift van het vonnis te vervangen. Voorzover er enige twijfel bestaat over de vraag of de stukken die de Engelse autoriteiten hebben overgelegd bij het VOGP-verzoek kunnen worden gelijkgesteld aan het vereiste gewaarmerkte afschrfift van een vonnis, moet voor de meest letterlijke uitleg van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP worden gekozen. Voorkomen moet worden dat [eiser] een gevangenisstraf moet uitzitten terwijl hij onschuldig is en in Engeland geen eerlijk proces heeft gehad.

Ten tweede had het vonnis op grond van artikel 45 Wots aan [eiser] betekend moeten worden alvorens het het rechtshulpverzoek van Engeland in behandeling kon worden genomen. De Staat heeft dit nagelaten omdat zij ten onrechte er van uit is gegaan dat het een vonnis op tegenspraak betreft. Het door St Albans Crown Court gewezen vonnis moet echter worden aangemerkt als een verstekvonnis aangezien [eiser] niet aanwezig was tijdens de sentencing hearing.

Tot slot voert [eiser] aan dat de Staat bij de beoordeling van het rechtshulpverzoek ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser] is gevlucht. [eiser] heeft voorafgaand aan de gestelde veroordeling het Engelse grondgebied al verlaten, zodat hij niet kan worden aangemerkt als een onderdaan die is gevlucht naar het grondgebied als bedoeld in artikel 2 van het AP bij het VOGP. De Staat had daarom instemming van [eiser] met overname van de tenuitvoerlegging moeten vragen.

4.4.

De Staat voert verweer.

4.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

[eiser] betoogt in deze procedure dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt althans dreigt te handelen door de gevangenisstraf die aan hem is opgelegd door St Albans Crown Court op 14 november 2003 ten uitvoer te leggen. De vraag die in deze procedure voorligt is of de Staat op goede gronden heeft ingestemd met het VOGP-verzoek.

5.2.

[eiser] voert allereerst aan dat de Staat niet had mogen instemmen met het VOGP-verzoek omdat bij het verzoek een gewaarmerkt afschrift van het vonnis ontbrak zoals is voorgeschreven in artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP.

5.3.

De Staat voert hiertegenover aan dat certificate of conviction, de case summary en de Crown Court Minute Sheet, in onderlinge samenhang gelezen, buiten twijfel stellen dat [eiser] in november 2003 door het St Albans Crown Court is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens diefstal van een auto. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoefde in het ontbreken van een gewaarmerkt afschrift van een vonnis geen aanleiding te zien negatief te adviseren over de overname van de tenuitvoerlegging en heeft op goede gronden geoordeeld dat de stukken een gewaarmerkt afschrift van een vonnis konden vervangen. De stukken die de Engelse autoriteiten hebben overgelegd kwalificeren als behoorlijke documentatie en informatie.

De Staat benadrukt dat moet worden voorkomen dat Engelse VOGP-verzoeken categorisch worden uitgesloten omdat er een te strenge maatstaf voor de over te leggen documentatie wordt aangelegd.

5.4.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP is bepaald dat indien overbrenging op grond van het VOGP wordt verzocht, de Staat van veroordeling (in dit geval: Engeland) een gewaarmerkt afschrift van het vonnis en de wettelijke bepalingen die daaraan ten grondslag liggen aan de Staat van tenuitvoerlegging (in dit geval: Nederland) dient te verstrekken. Tussen partijen staat vast dat de Engelse autoriteiten bij het VOGP-verzoek inzake [eiser] geen gewaarmerkt afschrift van een vonnis hebben overgelegd en ook niet (meer) kunnen overleggen. Tussen partijen is in geschil of de documenten die bij het VOGP-verzoek zijn gevoegd, met name het certificate of conviction in samenhang met de case summary en de Crown Court Minute Sheet kunnen dienen als equivalent voor het over te leggen vonnis.

5.5.

Voor de beoordeling van onderhavig geschil is, zoals [eiser] stelt, van belang welke betekenis dient te worden gegeven aan het vereiste in artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP. De uitleg van deze bepaling dient, zoals [eiser] ook terecht heeft gesteld, plaats te vinden aan de hand van de maatstaf opgenomen in artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (Trb. 1972, 51 en Trb. 1985, 79, hierna: het Weens verdragenverdrag). Deze maatstaf houdt in dat artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de normale betekenis van de termen van het VOGP in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van het VOGP.

5.6.

Voor de normale betekenis van de term ‘vonnis’ in de context van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP kan worden aangesloten bij de definitie van artikel 1 sub b VOGP. Dit betekent dat het gaat om een rechterlijke beslissing of bevel waarbij een veroordeling wordt uitgesproken (a decision or order of a court imposing a sentence).

5.7.

Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat het VOGP ertoe dient dat verdragstaten op een soepele en effectieve wijze onderling rechtshulp verlenen bij de tenuitvoerlegging van opgelegde vrijheidsbenemende straffen. Uitgangspunt daarbij is dat de verdragsstaten elkaars vonnissen wederzijds erkennen. Uit het beginsel van wederzijdse erkenning vloeit voort dat een strafrechtelijke beslissing genomen in een andere verdragsstaat wordt erkend en ten uitvoer gelegd als ware het een beslissing genomen door de eigen nationale autoriteiten. De basis is vertrouwen in elkaars rechtsstelsel. Bij de beslissing tot erkenning van het vonnis en de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf wordt uitgegaan van de juistheid van de veroordeling door de buitenlandse rechter zowel wat betreft haar inhoud als haar wijze van totstandkoming.

5.8.

De rechtbank voegt hier aan toe dat dit anders kan zijn indien komt vast te staan dat bij de totstandkoming van die veroordeling sprake is geweest van een flagrante miskenning van fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank verwijst in dit kader naar de Memorie van Antwoord bij de totstandkoming van de Wots (de wet die stekt tot uitvoering van de VOGP en de nationale wettelijke basis vormt voor de strafoverdracht van [eiser] ) van 26 maart 1985 (Kamerstukken II, 18129, nr.6, pagina 22) en het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC9545). Als sprake is van een flagrante miskenning van fundamentele rechtsbeginselen, dient de verzochte overname van de tenuitvoerlegging niet plaats te vinden.

5.9.

Juist met het oog op laatstgenoemde weigeringsgrond, is de overlegging van een gewaarmerkt afschrift van het vonnis zoals vereist door artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP van belang. Zoals [eiser] stelt, dient dit document er niet alleen toe dat de aangezochte staat kennis neemt van de oplegging van de straf en de duur daarvan, maar ook om, als daartoe aanleiding is, te onderzoeken of mogelijk sprake is van een flagrante schending van fundamentele rechtsbeginselen in de gevoerde strafrechtelijke procedure. Het vereiste in artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP dient dan ook naar het oordeel van de rechtbank aldus te worden uitgelegd dat de verzoekende staat documenten dient te overleggen aan de hand waarvan door de aangezochte staat kan worden vastgesteld welke rechterlijke instantie de gevangenisstraf heeft opgelegd, wat de duur is van de gevangenisstraf en de authenticiteit van het vonnis. Bovendien zijn deze documenten noodzakelijk om te kunnen toetsen als daartoe aanleiding bestaat, of zoals in onderhavig geval de betrokkene zich hierop (gemotiveerd) beroept, of de fundamentele rechtsbeginselen in de procedure zijn nageleefd dan wel sprake is van een flagrante schending daarvan (de lawfulnesstoets).

5.10.

[eiser] is door St Albans Crown Court veroordeeld tot een gevangenisstraf na een jury-procedure. Een gewaarmerkt afschrift van een vonnis ontbreekt. De beslissing is niet op schrift gesteld en kon daarom ook niet worden geproduceerd bij het VOGP-verzoek. Het bestaan van een vonnis en de inhoud blijken slechts uit de certificate of conviction. De vraag die in onderhavig geschil moet worden beantwoord is of op basis van de overgelegde documentatie over de lawfulness van (de procedure voorafgaand aan) het vonnis en de overname van de tenuitvoerlegging kon worden beslist.

5.11.

Uit het arrest van het EHRM inzake België/Taxquet volgt dat in een juryprocedure waarin sprake is van een niet-gemotiveerd vonnis waarborgen worden ingebouwd tegen willekeur en om de veroordeelde in staat te stellen te begrijpen waarop zijn veroordeling is gebaseerd. Engeland heeft in de procedure bij het EHRM aangevoerd dat deze waarborgen zijn ingebouwd en dat het juryproces aan de eisen van lawfulness voldoet omdat de ‘summing up’ van de rechter en andere ‘clarifications’ die de rechter geeft in de plaats treden van de bewijsconstructie en andere gronden die in een continentaal vonnis zijn opgenomen. Indien deze opvatting kan worden aanvaard, is aan de hand van de documenten die de Engelse autoriteiten in onderhavige procedure tot tenuitvoerlegging hebben overgelegd niet te toetsen of deze waarborgen zijn gehanteerd in de strafrechtelijke procedure tegen [eiser] . Niet alleen ontbreekt een gewaarmerkt vonnis, maar ook ontbreken de sentencing remarks van de rechter die wellicht een licht hadden kunnen werpen op de gevolgde procedure en de redenen voor de veroordeling. De Engelse autoriteiten hebben dit document, voor zover het al is opgemaakt, niet kunnen vinden. Dit geldt ook voor de Order of Imprisonment dat normaliter bij het VOGP-verzoek wordt gevoegd en de – volgens de informatie van de Engelse autoriteiten - legal authority [is] to detain the prisoner. Ook een dergelijk document ontbreekt.

5.12.

De toets of de in Engeland gevoerde strafzaak heeft voldaan aan de fundamentele rechtsbeginselen van artikel 6 EVRM, waarvan [eiser] heeft aangevoerd dat dit niet het geval is, kan niet plaatsvinden aan de hand van het certificate of conviction, de case summary en de Crown Court Minute Sheet. Deze documenten geven geen informatie over de strafzaak tegen [eiser] en de vraag of deze procedure lawful is geweest. Het certificate of conviction geeft enkel de veroordeling weer. De case summary geeft een opsomming van de bewijzen aan de zijde van de Engelse Staat. De vraag is evenwel hoe de jury met dit bewijs en het bewijs dat door [eiser] (s advocaat) is aangedragen is omgegaan, teneinde te kunnen beoordelen of sprake was van een eerlijk proces. De aantekeningen van de griffier van de zitting (Crown Court Minute Sheet) zijn grotendeels onleesbaar dan wel onbegrijpelijk en geven geen inzicht in de gevolgde procedure. De documenten die de Engelse autoriteiten hebben overgelegd kunnen dan ook in dit geval niet dienen als equivalent voor het gewaarmerkte afschrift van het vonnis.

5.13.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de Engelse autoriteiten in onderhavige zaak niet hebben voldaan aan het vereiste van artikel 6 lid 2 aanhef en onder a VOGP. De Minister had daarom niet mogen overgaan tot erkenning van het vonnis en tot overname van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Dit heeft tot gevolg dat de thans aan Engeland toegezegde en voorgenomen tenuitvoerlegging van het vonnis van St Albans Crown Court van 14 november 2003 onrechtmatig is jegens [eiser] . De rechtbank zal de verklaring voor recht dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig is zoals door [eiser] is gevorderd toewijzen. De rechtbank zal voorts de Staat verbieden deze gevangenisstraf die aan [eiser] is opgelegd bij vonnis St Albans Crown Court op 14 november 2003 ten uitvoer te leggen.

5.14.

De kosten voor de legal opinion van prof. [professor] van € 2.000 die [eiser] van de Staat vordert kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank als redelijke kosten die zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld artikel 6:96 lid 2 sub c BW. Dit rapport is meegezonden met de verzoeken tot herziening van het rechtshulpverzoek (zie hiervoor onder 2.13) en zijn gemaakt om buitengerechtelijk tenuitvoerlegging van het Engelse vonnis te voorkomen. Nu vaststaat dat de Staat onrechtmatig handelt althans dreigt te handelen jegens [eiser] en deze kosten in causaal verband staan met de (dreigende) onrechtmatige daad, dient de Staat deze kosten aan [eiser] te vergoeden.

5.15.

Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking.

5.16.

De rechtbank zal de Staat als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure veroordelen. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 895,00

- salaris advocaat 1.629,00 (3 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 2.622,01.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat de Staat onrechtmatig handelt jegens [eiser] indien de Staat de gevangenisstraf die aan [eiser] is opgelegd door St Albans Crown Court op 14 november 2003 (bekend onder parketnummer 05-199091-14) ten uitvoer legt;

6.2.

verbiedt de Staat de gevangenisstraf die aan [eiser] is opgelegd door St Albans Crown Court op 14 november 2003 (bekend onder parketnummer 05-199091-14) ten uitvoer te leggen;

6.3.

veroordeelt de Staat tot betaling van € 2.000,00 aan [eiser] als vergoeding voor gemaakte kosten;

6.4.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.622,01, te voldoen binnen 14 dagen na datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.5.

veroordeelt de Staat in de kosten die na dit vonnis zijn ontstaan, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving van dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, en € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling;

6.6.

verklaart dit vonnis wat betreft 6.2 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft, mr. R.C. Hartendorp en mr. H.H.J. Zevenhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2020.