Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3766

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
NL20.8436
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolgberoep. Coronavirus. Zicht op uitzetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.8436


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 maart 2020 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 15 april 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 maart 2020 (in de zaak NL20.6394) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, te weten 23 maart 2020, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.

4. Eiser voert in beroep aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat zicht op uitzetting vanwege het coronavirus binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser kan al vanaf 12 maart 2020 uitgezet worden en er zijn daarvoor geen nadere handelingen meer vereist. Er dient uitsluitend gewacht te worden op een ge√ęscorteerde vlucht. Ook de vlucht van eiser van 12 april 2020 is geannuleerd. Er is geen enkele zekerheid dat vertrek kort na mei 2020 kan plaatsvinden. De detentie is nu ook zwaarder voor eiser omdat de vrijheden binnen de detentie aanzienlijk minder zijn.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Hoewel er niet op korte termijn naar Polen kan worden gevlogen vanwege het Coronavirus en op dit moment nog onduidelijk is hoelang de huidige maatregelen ter bestrijding van (de verspreiding van) het Coronavirus zullen duren, zijn de uitzettingsbelemmeringen naar hun aard tijdelijk. Daarbij komt dat eiser in het laatste vertrekgesprek van 9 april 2020 heeft aangegeven dat hij op geen enkele manier medewerking gaat verlenen aan de vlucht en dat hij zich zal gaan verzetten tegen de uitzetting. Uit de voortgangsgegevens blijkt ook dat voor eiser op 12 april 2020 een vlucht was geboekt, maar dat deze moest worden geannuleerd omdat die niet met escorts kon plaatsvinden. Verweerder is daarom genoodzaakt om te wachten op het moment dat eiser onder begeleiding van escorts uitgezet kan worden. Verder heeft verweerder aangegeven dat er in de maand mei weer ge√ęscorteerde vluchten zullen plaatsvinden.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting naar Polen op een zodanige manier ontbreekt dat tot opheffing van de maatregel dient te worden overgegaan.

Vast staat dat de redelijke termijn ten aanzien van de maatregel op dit moment nog niet in het geding is. Indien de situatie dat tijdelijk niet tot uitzetting kan worden overgegaan te lang gaat voortduren, kan eiser de zaak opnieuw voorleggen. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

4.2

Ten aanzien van de detentieomstandigheden overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in detentie een groter risico loopt op schade aan zijn gezondheid als gevolg van de uitbraak van het coronavirus dan in de vrije maatschappij. De rechtbank verwijst hierbij naar haar eerdere uitspraak van 3 april 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3073. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Pronk, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op:

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus wordt deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.