Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3737

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
C/09/586472 / FA RK 20-15
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderontvoering

Verzoek tot teruggeleiding toegewezen. De ouders hebben in 2015 een bewuste keuze gemaakt om in het belang van het kind naar Italië te verhuizen. De gewone verblijfplaats van het kind is daarmee gewijzigd van Nederland naar Italië. Het kind is in strijd met het gezagsrecht van de vader door de moeder in Nederland achtergehouden. De door de moeder aangevoerde argumenten bij haar beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub 1 HKOV passen meer bij een afweging van alle betrokken belangen die in een bodemprocedure aan de orde moeten komen dan in de onderhavige procedure. Er is geen sprake van verzet van het kind zoals bedoeld in artikel 13 lid 2 HKOV. In verband met COVID-19 bepaalt de rechtbank dat, indien terugkeer op 28 april 2020 onmogelijk is wegens Italiaanse- en/of Nederlandse overheidsmaatregelen waardoor de moeder het kind niet kan terugbrengen naar Italië of de vader niet met het kind naar Italië kan terugkeren – het kind aan de vader in Nederland moet worden afgegeven op uiterlijk 28 april 2020, althans zo snel mogelijk na 28 april 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 20-15

Zaaknummer: C/09/586472

Datum beschikking: 9 april 2020

Internationale kinderontvoering

Beschikking in het kader van het op 8 januari 2020 ingekomen verzoek van:

[Y] ,

de vader,

wonende te [woonplaats 1] , Italië,

advocaat: mr. H.A. Schipper te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[X] ,

de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. J. Schoenmakers te Breda.

Procedure

Bij beschikking van 31 januari 2020 van deze rechtbank is drs. A. (Anneke) van Teijlingen benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] en is haar verzocht de in de beschikking vermelde vragen te beantwoorden.

Iedere verdere beslissing is aangehouden en de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- een brief van 24 januari 2020 van de zijde van de moeder;

- twee brieven van 28 januari 2020 van de zijde van de moeder;

- de brief van 28 januari 2020 van de zijde van de vader, met bijlagen, waaronder onder meer het vonnis in kort geding van [datum kortgeding] 2020 van de rechtbank Midden-Nederland;

De rechtbank heeft verder ook kennisgenomen van:

- het proces-verbaal van de op 27 januari 2020 gehouden zitting in deze zaak;

- de brief van 2 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief van 4 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- de brief van 5 maart 2020, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het verslag van 5 maart 2020 van de bijzondere curator;

- het verweerschrift van 9 maart 2020;

In het bijzijn van de bijzondere curator heeft de rechtbank op 10 maart 2020 in raadkamer met [voornaam minderjarige] gesproken.

Op 10 maart 2020 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en mevrouw [naam medewerkster RvdK] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.

Na de zitting van 10 maart 2020 hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 16 maart 2020 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

De rechtbank heeft daarna kennisgenomen van:

- het F9-formulier van 16 maart 2020 van de zijde van de vader;

- het F9-formulier van 17 maart 2020 van de zijde van de moeder.

Beide ouders hebben het bericht van 16 maart 2020 van het Mediation Bureau bevestigd en de rechtbank verzocht om een beschikking op het teruggeleidingsverzoek.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking van 31 januari 2020 is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Verweerschrift

De vader betoogt dat het door de moeder ingediende verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het verweerschrift is slechts kort voor de mondelinge behandeling is ingediend en bevat geen informatie die niet eerder in de procedure overgelegd had kunnen worden. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij omdat aan het voeren van verweer in een zaak als de onderhavige, noch bij wet noch in een procesreglement, een van artikel 282 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afwijkende termijn is verbonden. Het verweerschrift is ook niet van zodanige omvang of zodanige bijzondere inhoud dat de vader daarop ter zitting niet (voldoende) heeft kunnen reageren.

Inhoudelijke beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Italië zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Tussen partijen is in geschil of de moeder [voornaam minderjarige] sinds 27 december 2019 in strijd met het gezagsrecht van de vader in Nederland achterhoudt.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Tussen de ouders staat vast dat [voornaam minderjarige] met zijn ouders in het najaar van 2015 vanuit Nederland in Italië zijn gaan wonen. [voornaam minderjarige] gaat sinds 1 oktober 2016 in Italië naar school. De vader heeft zijn kantoor en werk in Nederland behouden. De ouder zijn in 2018 gescheiden. De echtscheidingsbeschikking is op [datum echtscheidingsbeschikking] 2018 ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De moeder is begin 2018 naar Nederland teruggekeerd. In het ouderschapsplan van 8 februari 2018 hebben de ouders met elkaar afgesproken dat [voornaam minderjarige] het hoofdverblijf heeft bij de vader in Italië en dat zij voor [voornaam minderjarige] zorgen in hun toenmalige gezamenlijke woning en daar afwisselend verblijven, wat neerkomt op een vorm van ‘birdnesting’. In de praktijk was de moeder steeds ongeveer één week per maand in Italië bij [voornaam minderjarige] . De vader was in die week in Nederland voor werk. Ten aanzien van de kerstvakantie 2019 was in onderling overleg afgesproken dat [voornaam minderjarige] tot 27 december 2019 bij de moeder in Nederland zou verblijven.

De vader stelt dat de moeder [voornaam minderjarige] sinds 27 december 2019 achterhoudt door hem niet terug naar Italië te laten gaan. brengen. Op kerstavond ontving de vader een mailbericht van de moeder waarin zij hem meedeelde dat [voornaam minderjarige] niet meer terug wilde naar Italië, en dat zij het hoofdverblijf van [voornaam minderjarige] voortaan in Nederland wenste. Volgens de vader was dat voor het eerst dat hij vernam dat [voornaam minderjarige] niet tevreden was over zijn situatie. De vader was (en is) van mening dat het met [voornaam minderjarige] in Italië goed gaat. Er zijn wat problemen op school, maar [voornaam minderjarige] haalt wel goede cijfers, heeft vriendjes in Italië en sociale bezigheden zoals streetdance.

Kort na kerstavond 2019 heeft [voornaam minderjarige] zelf aan de vader verteld dat hij het niet leuk vindt in Italië. De vader heeft -volgens zijn zeggen- daarvan notie genomen en aan de moeder meegedeeld dat over de wens van [voornaam minderjarige] goed moest worden nagedacht. [voornaam minderjarige] woonde immers al vijf jaar in Italië en had al die tijd geen Nederlands onderwijs gevolgd. De moeder wilde echter niet met de vader overleggen en vanaf Kerst 2019 houdt de moeder het contact van de vader met [voornaam minderjarige] af. Volgens de vader had de moeder vanaf het moment dat zij ontevreden was met hem moeten overleggen over de uitvoering van het ouderschapsplan, en ook, voor zover zij al eerder bekend was met de ontevredenheid van [voornaam minderjarige] , dat met de vader moeten bespreken. Als overleg tussen de ouders daarover niet tot een bevredigend resultaat zou hebben geleid, dan zou het op de weg van de moeder hebben gelegen in Italië een procedure te starten, aldus de vader. In plaats daarvan heeft de moeder eigenrichting gepleegd door -zonder enig overleg met hem- [voornaam minderjarige] in december 2019 in Nederland te houden.

De moeder heeft – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Het ouderschapsplan is onder grote druk van de vader tot stand gekomen. De moeder heeft zich verplicht gevoeld om uitvoering te geven aan de regeling zoals in het ouderschapsplan is opgenomen, omdat de vader vanwege zijn werk niet in staat was om in Italië de volledige zorg voor [voornaam minderjarige] op zich te nemen. De regeling zoals opgenomen in het ouderschapsplan was met name in het belang van de vader. Het was de wens van de moeder dat [voornaam minderjarige] ook naar Nederland zou terugkeren. De moeder was in staat en bereid de volledige zorg voor [voornaam minderjarige] voor haar rekening te nemen in Nederland. Vanaf de zomervakantie 2019 is de moeder bekend met de weerstand van [voornaam minderjarige] tegen zijn verblijf bij de vader in Italië, en tegen zijn schoolgang aldaar. [voornaam minderjarige] durft dat niet tegen de vader te zeggen. De vader en de moeder communiceerden in de periode tussen de zomervakantie en de kerstvakantie, maar ook al voor die tijd, niet of nauwelijks met elkaar. De woning van de vader ligt in een afgelegen en klein dorp. Volgens de moeder heeft [voornaam minderjarige] daar geen vriendjes en sociale contacten.

Gewone verblijfplaats

De vader stelt dat de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in Italië is. Hij woont daar sinds 30 september 2015,is daar ingeschreven, gaat daar naar school, zit daar op streetdance en heeft daar zijn vriendjes en vriendinnetjes. Van 30 september 2015 tot haar vertrek in 2018 naar Nederland woonde de moeder samen met [voornaam minderjarige] en de vader in Italië en was zij daar ook ingeschreven. Hoewel de vader pas sinds [datum inschrijving in Italië] 2017 officieel is ingeschreven in Italië, woonde hij daar feitelijk wel vanaf 30 september 2015. Het centrum van het leven van [voornaam minderjarige] bevindt zich in Italië, aldus de vader.

De moeder erkent dat [voornaam minderjarige] vanaf eind 2015 in Italië woont. De vraag is volgens de moeder echter of daarmee de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in de afgelopen jaren is gewijzigd van Nederland naar Italië. De moeder heeft aangevoerd dat [voornaam minderjarige] vanaf zijn geboorte tot eind 2015 samen met zijn ouders in Nederland heeft gewoond, de moeder vanaf 2018 weer in Nederland woont en de vader wisselend in Nederland en in Italië verblijft. [voornaam minderjarige] woont in Italië geïsoleerd, behalve een woning en school is (en was) er niets dat hem met Italië verbindt. [voornaam minderjarige] is daar niet geïntegreerd. Waar de moeder vanaf begin 2018 wisselend in Italië en in Nederland verbleef, geldt dat al vanaf 2015 voor de vader. Volgens de moeder volgt [voornaam minderjarige] de verblijfplaats van zijn ouders, hetgeen impliceert dat de gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] in Nederland is en ook altijd is gebleven. De sociale en familiale omgeving van de ouders is in Nederland gelegen. Dat geldt evenzeer voor de vader als voor de moeder nu de vader naast de woning in Italië een woning in Nederland heeft. De vader verblijft en werkt regelmatig in Nederland, en zijn familie, met wie hij veel contact heeft, woont (voornamelijk) in Nederland. Bovendien is [voornaam minderjarige] in Nederland verzekerd en ontvangt de moeder aldaar kinderbijslag voor [voornaam minderjarige] .

De rechtbank stelt voorop dat krachtens vaste rechtspraak het begrip ‘gewone verblijfplaats’ een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of vasthouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van een kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast de fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmaat, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Voorts kan de bedoeling van de ouders om zich met het kind in een andere staat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door maatregelen, een aanwijzing voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats zijn. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is de persoon of zijn de personen bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend.

Uit de stukken en wat partijen op de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht leidt de rechtbank af dat partijen met [voornaam minderjarige] naar Italië zijn vertrokken een bewuste keuze was, omdat [voornaam minderjarige] in Nederland niet goed paste in het Nederlandse schoolsysteem en uiteindelijk niet meer naar school ging. Omdat in Nederland thuisonderwijs niet goed mogelijk is en de Nederlandse leerplichtambtenaar zou worden ingeschakeld, zijn de ouders in oktober 2015 met [voornaam minderjarige] naar Italië vertrokken. Daar heeft hij het eerste jaar thuisonderwijs gekregen. Met ingang van 1 oktober 2016 is [voornaam minderjarige] in Italië naar school gegaan. Uit de overgelegde schoolrapporten volgt dat [voornaam minderjarige] het daar goed deed. Het gezin is na een half jaar in Italië te hebben gewoond verhuisd naar een – kennelijk – geschiktere woning. De vader bleef als advocaat in Nederland zijn werkzaamheden voortzetten in die zin dat hij iedere maand een periode in Nederland was. Toen de ouders uiteengingen en de moeder begin 2018 naar Nederland terugkeerde, hebben de ouders ervoor gekozen om de situatie voor [voornaam minderjarige] niet te veranderen. [voornaam minderjarige] bleef in Italië wonen en daar naar school gaan. De vader verbleef bij [voornaam minderjarige] in Italië tenzij hij voor het werk in Nederland was en de moeder was iedere maand een week bij [voornaam minderjarige] in Italië. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat het niet alleen een bewuste keuze van de ouders is geweest om met [voornaam minderjarige] in Italië te gaan wonen maar ook om hem daar na de scheiding te laten blijven.

De rechtbank stelt voorts vast dat [voornaam minderjarige] vanaf oktober 2015 tot en met de kerst 2019 onafgebroken in Italië heeft gewoond en daar vanaf oktober 2016 naar school is gegaan.

Anders dan voor een vakantie is hij niet in Nederland geweest. Uit de omstandigheid dat [voornaam minderjarige] naar school ging en daarnaast – naar de vader onbetwist heeft gesteld – aan streetdance deed, volgt dat [voornaam minderjarige] een sociale band met Italië heeft. Bovendien heeft de vader onweersproken gesteld dat een halfzus van [voornaam minderjarige] , met wie [voornaam minderjarige] veelvuldig en goed contact heeft, in Italië in de nabije omgeving woont en is er voor [voornaam minderjarige] opvang geregeld voor het geval zowel de vader als de moeder voor [voornaam minderjarige] niet beschikbaar zijn. Dit alles leidt tot de slotsom dat het centrum van het leven van [voornaam minderjarige] zich vanaf oktober 2015 tot aan de achterhouding op 27 december 2019 in Italië bevond. De gewone verblijfplaats van [voornaam minderjarige] is daarmee Italië.

Ongeoorloofde achterhouding

De moeder betoogt dat het niet doen terugkeren van [voornaam minderjarige] niet ongeoorloofd is omdat het niet strijdig zou zijn met het gezagsrecht van de vader. [voornaam minderjarige] verblijft namelijk in Nederland en het gezagsrecht werd door partijen altijd vanuit Nederland uitgeoefend. Dit betoog snijdt geen hout. Voor de beantwoording van de vraag of de achterhouding ongeoorloofd is, is uitsluitend relevant of de vader het gezag over [voornaam minderjarige] uitoefende, of dat gezagsrecht mede omvat het recht om te beslissen over de verblijfplaats van [voornaam minderjarige] en zo ja, of de vader in de achterhouding heeft ingestemd. Nu over deze drie punten tussen partijen geen geschil bestaat, is de achterhouding van [voornaam minderjarige] in Nederland door de moeder vanaf 27 december 2019 ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [voornaam minderjarige] in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [voornaam minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de moeder in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vader niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende.

De moeder stelt dat [voornaam minderjarige] door terugkeer naar Italië in een ondragelijke toestand wordt gebracht en dat er een ernstig risico bestaat dat [voornaam minderjarige] door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan lichamelijk of geestelijk gevaar. De moeder voert hiertoe het volgende aan.

De vader woont en werkt gemiddeld zeven tot twaalf dagen per vier weken in Nederland, daarnaast wordt hij in verband met zijn werk als advocaat, waarvan hij financieel afhankelijk is, met regelmaat geconfronteerd met onverwachte zaken in Nederland waarbij zijn aanwezigheid gewenst is. In Italië is geen opvang beschikbaar als de vader in Nederland is. Wanneer de vader in Nederland is kan hij geen toezicht houden op de schoolgang van [voornaam minderjarige] in Italië, terwijl [voornaam minderjarige] problemen heeft op zijn school in Italië en niet meer naar die school wil terugkeren. Het organiseren van zorg voor [voornaam minderjarige] in Italië vanuit Nederland is moeilijk omdat de woning van de vader in Italië geïsoleerd ligt.

De moeder stelt voorts dat zij niet meer in staat is om langer met regelmaat de zorg voor [voornaam minderjarige] in Italië te organiseren als de vader in Nederland verblijft. Ook als bij afwezigheid van de vader in Italië aldaar wel de opvang van [voornaam minderjarige] geregeld is, leidt terugkeer van [voornaam minderjarige] naar Italië tot een ondragelijke toestand voor [voornaam minderjarige] . Immers, in geval van calamiteiten is er voor [voornaam minderjarige] , in elk geval een week per vier weken, geen gezagsdrager aanwezig en kan er sprake zijn van een zeer gevaarlijke en onverantwoorde situatie. Bovendien wil [voornaam minderjarige] niet terug naar Italië, hij voelt zich bij de vader niet veilig, ervaart een enorme druk van hem, en is bang voor hem, aldus de moeder.

De vader betwist dat er sprake is van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. [voornaam minderjarige] kan terugkeren naar Italië en de Italiaanse rechter kan vervolgens een beslissing nemen over wat het beste is voor [voornaam minderjarige] . De vader betwist dat hij niet goed voor [voornaam minderjarige] zou kunnen zorgen. Zeer goed bevriende buren van de vader, die de moeder en [voornaam minderjarige] ook goed kennen en die zelfs bij testament door de ouders zijn benoemd tot voogd over [voornaam minderjarige] bij overlijden van de ouders, vangen [voornaam minderjarige] op en ook de halfzus van [voornaam minderjarige] kan voor opvang zorgdragen. Daarnaast kan de vader zijn werk zo inrichten dat hij voorlopig in Italië kan blijven om [voornaam minderjarige] op te vangen en te begeleiden bij zijn schoolgang.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet.

De door de moeder gestelde feiten maken niet dat de veiligheid van [voornaam minderjarige] in Italië in het geding is. Al sinds het vertrek van de moeder uit Italië wordt [voornaam minderjarige] opgevangen door anderen als de moeder niet in Italië kan zijn en de vader voor zijn werk in Nederland is. Uit niets blijkt dat dit in de afgelopen jaren voor [voornaam minderjarige] onveilig is geweest. De moeder heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat een dergelijk gevaar in de nabije toekomst bij terugkeer naar Italië wel reëel dient te worden geacht. De rechtbank is evenmin gebleken dat de vader niet in staat is om [voornaam minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De argumenten die door de moeder naar voren zijn gebracht passen meer bij een afweging van alle betrokken belangen, die van [voornaam minderjarige] als eerste, die in een bodemprocedure over zijn schoolgang, verhuizing en hoofdverblijfplaats aan de orde moeten komen.

Het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag kan dan ook niet slagen.

Aan een toetsing van hetgeen door de moeder op grond van artikel 11 lid 4 Brussel II-bis is aangevoerd komt de rechtbank dan verder niet toe.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder stelt dat sprake is van verzet van [voornaam minderjarige] als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van het verslag van de bijzondere curator.

Uit het verslag van de bijzondere curator blijkt dat [voornaam minderjarige] heel graag in Nederland wil blijven wonen bij zijn moeder. Hij vertelt dat hij beter Nederlands dan Italiaans spreekt en dat hij zich in Nederland meer thuis voelt dan in Italië. [voornaam minderjarige] heeft aan de bijzondere curator verteld dat zijn verhuizing naar Nederland zijn keuze is geweest, dat hij de verhuizing goed heeft voorbereid, en dat hij in zijn initiatief werd ondersteund door zijn moeder. Volgens de bijzondere curator is [voornaam minderjarige] consistent in zijn wens om in Nederland te blijven. [voornaam minderjarige] heeft goed nagedacht over de verhuizing en overziet de gevolgen van het wonen in Nederland en wonen in Italië voor zichzelf; hij hoopt in Nederland te kunnen blijven. Dit heeft enerzijds te maken met de keuze voor het land en anderzijds de keuze voor een ouder. Hij heeft een diepe wens om met twee van zijn katten bij zijn moeder te wonen. Als de moeder in Italië zou wonen zou hij bij haar willen wonen maar er wel bij haar op aandringen om met hem naar Nederland te verhuizen.

De bijzondere curator heeft voorts aangegeven dat haar is gebleken dat [voornaam minderjarige] een heftige weerstand heeft tegen de persoon van zijn vader. Volgens [voornaam minderjarige] luistert de vader niet naar hem. Door [voornaam minderjarige] geschetste situaties geven echter geen verklaring voor de heftigheid van zijn weerstand jegens de vader.

[voornaam minderjarige] heeft twee vragen van de bijzondere curator schriftelijk beantwoord. Uit zijn antwoorden blijkt onder meer dat [voornaam minderjarige] niet tegen de vader durfde te zeggen dat hij naar zijn moeder wilde verhuizen omdat hij dan van de vader zijn moeder niet meer zou mogen zien en omdat hij bang was voor de reactie van de vader. Daarnaast vindt [voornaam minderjarige] dat de vader te veel aan zichzelf denkt en geeft [voornaam minderjarige] aan dat hij zich niet veilig voelt bij de vader. In Italië vond [voornaam minderjarige] het niet leuk omdat school en huiswerk heel veel tijd van hem in beslag namen, de vader pas ’s avonds laat met hem ging eten en hij niet zelf kon regelen en beslissen om naar vriendjes te gaan of om andere dingen te doen. Hij voelde zich in Italië een buitenstaander, die bovendien de taal niet goed spreekt. In Nederland gaat hij naar een leuke school voor hoogbegaafde kinderen en heeft hij inmiddels al leuke vriendjes gemaakt, waar hij op de fiets zelfstandig naar toe kan gaan.

Ter zitting heeft de bijzondere curator naar voren gebracht dat zij niet uitsluit dat [voornaam minderjarige] in grote mate te kampen heeft met loyaliteitsproblematiek en dat zij zich ernstig zorgen maakt over het beeld dat zij heeft gekregen over de naar haar mening zeer verstoorde relatie tussen [voornaam minderjarige] en de vader, en het effect daarvan op de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Zoals blijkt uit haar verslag acht de bijzondere curator verbetering van de relatie van de vader met [voornaam minderjarige] , hoewel [voornaam minderjarige] daartoe op dit moment niet gemotiveerd lijkt, noodzakelijk.

De rechtbank heeft [voornaam minderjarige] in raadkamer gesproken en hiervan ter zitting kort verslag gedaan aan de ouders. [voornaam minderjarige] toonde zich tijdens dat gesprek gespannen, maar uitte zich vriendelijk en open. In grote lijnen vertelde [voornaam minderjarige] hetzelfde als door de bijzondere curator in haar verslag is opgenomen. [voornaam minderjarige] heeft de rechtbank onder andere verteld over de verhuizing naar Italië en waarom dat was, hoe hij zijn leven in Italië, en vooral op school, er uit zag. In Italië ging hij met de bus naar school, en in Nederland ook. In Italië kreeg hij veel huiswerk en werd hij gepest. Zijn klasgenoten zeiden dan dat hij verliefd was op iemand. Hij had geen echte vrienden. Op breakdance zaten ook klasgenoten. Sinds zijn moeder weg is vindt hij het leven in Italië niet leuk meer. Hij heeft het er vooral moeilijk mee dat hij niet meer dagelijks bij zijn moeder is. Omdat hij in Italië toch geen vrienden heeft, heeft [voornaam minderjarige] voor zijn vertrek naar Nederland van niemand in Italië afscheid genomen. Als de school waar hij nu in Nederland naar toe gaat toch niet leuk blijkt te zijn, dan lost hij dat op door naar een andere school in Nederland te gaan. [voornaam minderjarige] heeft de rechtbank een screenshot van een app-bericht van zijn vader getoond waaruit de door hem ervaren dwingende wijze van communicatie blijkt. Volgens [voornaam minderjarige] neemt zijn vader het zijn moeder kwalijk dat zij is weggegaan. Hij heeft een betere band met zijn moeder. Die heeft altijd voor hem gezorgd. [voornaam minderjarige] vindt dat zijn vader veel met zichzelf bezig is. Bijvoorbeeld als [voornaam minderjarige] hem vroeg om hem naar een vriendje te brengen, deed hij dat alleen als het hem uitkwam.

De rechtbank is uit het verslag van de bijzondere curator, wat door partijen op de zitting is verteld en het gesprek met [voornaam minderjarige] gebleken dat [voornaam minderjarige] goed op de hoogte is van de tussen zijn ouders bestaande geschillen en ook wat er allemaal verder tussen hen heeft gespeeld. [voornaam minderjarige] lijkt klem en verloren tussen de ouders te zijn geraakt en hij lijkt last te hebben van een loyaliteitsconflict. Hij is daarbij loyaal aan zijn moeder en neemt volledig afstand van zijn vader. Dit baart de rechtbank zorgen. Wat de rechtbank ook is gebleken, is dat [voornaam minderjarige] zijn moeder in Italië heel erg heeft gemist en dat dit gemis zijn primaire beweegreden lijkt te zijn om niet naar Italië te willen terugkeren. Feitelijk verzet hij zich niet tegen een verblijf in Italië, maar nu zijn moeder niet daar maar in Nederland is, wil hij in Nederland bij haar zijn. Ook de weerstand die [voornaam minderjarige] tegen zijn vader heeft opgebouwd, lijkt een grote rol te spelen in zijn wens om in Nederland te blijven. Het verzet ziet eerder op een verblijf bij de vader. Tegen een terugkeer naar Italië zelf, met de moeder, verzet [voornaam minderjarige] zich niet. Van verzet zoals bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Conclusie

Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden – de moeder heeft hierop ook geen beroep gedaan –, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van [voornaam minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [voornaam minderjarige] te volgen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt.

De rechtbank acht het wenselijk dat [voornaam minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen.

Termijn voor afgifte van de minderjarige

De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 28 april 2020, enkele dagen na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.

Gelet op de huidige situatie in verband met het COVID-19(coronavirus) zal de rechtbank bepalen dat, indien terugkeer naar Italië op uiterlijk 28 april 2020 onmogelijk is wegens Italiaanse- en/of Nederlandse overheidsmaatregelen waardoor de moeder [voornaam minderjarige] niet kan terugbrengen naar Italië of de vader niet met [voornaam minderjarige] naar Italië kan terugkeren – [voornaam minderjarige] aan de vader in Nederland moet worden afgegeven op uiterlijk 28 april 2020, althans zo snel mogelijk na 28 april 2020.

Kosten

Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren .

Bijzondere curator

De rechtbank acht het in het belang van [voornaam minderjarige] dat de bijzondere curator, zoals ter zitting ook besproken, de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt.

De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

- [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

naar Italië, uiterlijk op 28 april 2020, waarbij de moeder [voornaam minderjarige] dient terug te brengen naar Italië, en beveelt, indien de moeder nalaat [voornaam minderjarige] terug te brengen naar Italië, of indien terugkeer naar Italië op 28 april 2020 in verband met het coronavirus niet mogelijk is, dat de moeder [voornaam minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader in Nederland zal afgeven uiterlijk op 28 april 2020, dan wel zo snel mogelijk na 28 april 2020 om de reden als hiervoor is beschreven, opdat de vader [voornaam minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Italië;

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte;

beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure per 9 mei 2020 als beëindigd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, A.M. Gruschke en A.M. van der Vliet, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2020.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.