Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3696

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5487
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pv mondelinge uitspraak - terugkeerbesluit - arrest Boudjlida

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5487

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Coenen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd met een vertrektermijn van 28 dagen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Eiser betoogt dat verweerder hem te summier heeft gehoord en daarmee niet heeft gehandeld overeenkomstig de vereisten die zijn neergelegd in het arrest Boudjlida van het Hof van Justitie van de Europese unie van 11 december 2014, nr. C-249/13 (ECLI:EU:C:2014:2431) (arrest Boudjlida). Tot slot stelt eiser dat hem ten onrechte geen langere termijn voor vertrek is verleend. Eiser beroept zich hierbij op artikel 7, tweede en derde lid, van Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Terugkeerrichtlijn).

3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor van 21 juni 2019 blijkt dat verweerder eiser heeft gevraagd naar redenen waarom verweerder zou moeten afzien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij bij terugkeer een gevangenisstraf vreest. Verder heeft hij geen bijzonderheden genoemd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldaan aan zijn onderzoeksplicht en eiser voldoende gelegenheid geboden zijn persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van eisers beroep op artikel 7, tweede en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn dat het op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 niet mogelijk is om een langere vertrektermijn dan vier weken te verlenen. De aan eiser gegeven vertrektermijn bedraagt dan ook de wettelijk bepaalde maximale duur.


Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier, op 11 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.