Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3693

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2466
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Niet melden hennepkwekerij. Misbruik gemaakt van de psychische gesteldheid alleen gesteund door eigen verklaring van eiseres. De verklaring van getuige op zitting maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2466

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.H. de Milliano-Machielse),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 1 augustus 2018 beëindigd.

Bij besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J. Schonenberg-Zwanenburg, kantoorgenoot van de gemachtigde. Tevens is verschenen [getuige] , als getuige. Ook is verschenen [A] van Humanitas, begeleider van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Eiseres ontvangt sinds 11 mei 2011 een bijstandsuitkering op grond van de Pw naar de norm voor een alleenstaande.

1.3

Op 5 september 2018 heeft de politie de afdeling Sociale Recherche van verweerder bericht dat een wietplantage (hierna: hennepkwekerij) is ontdekt op het woonadres van eiseres. Ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij was eiseres huurder van de betreffende woning en in de gemeentelijke Basisregistratie Personen (BRP) op het betreffende adres ingeschreven.

1.4

Naar aanleiding van die verkregen informatie heeft verweerder een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstandsuitkering.

1.5

Bij besluit van 6 september 2018 heeft verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering per 1 augustus 2018 opgeschort. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de aangetroffen hennepkwekerij, waarvan zij, in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting, bij verweerder geen melding had gemaakt. Eiseres is vervolgens tot en met 21 september 2018 in de gelegenheid gesteld om alsnog informatie te verstrekken. Verweerder heeft onder andere gevraagd aan eiseres per wanneer zij een hennepkwekerij heeft gehad en of zij daar van een bewijs heeft. Ook is aan haar gevraagd hoeveel zij hier mee per maand heeft verdiend en hiervan een boekhouding en bewijzen in te inleveren. Verweerder heeft bij het besluit ook aangekondigd dat indien de informatie niet (volledig) wordt verstrekt, de uitkering zal worden beëindigd. Eiseres heeft hiertegen bij brief van 17 september 2018 bezwaar gemaakt en daarbij aangegeven dat zij geen hennepkwekerij heeft gehad en niets heeft verdiend.

1.6

Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit 1 oktober 2018 de bijstandsuitkering per 1 augustus 2018 beëindigd. Aan het primaire besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden heeft door niet te melden dat zij een hennepkwekerij heeft gehad in haar woning.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiseres van

29 januari 2019 (op de hoorzitting) geen steun vindt in de laatste informatie van de politie. Voorts is verweerder van mening dat mede gezien de genoemde informatie van de politie, eiseres er niet in is geslaagd met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij niet (mede) eigenaar van de kwekerij is geweest. Dit maakt dat verweerder ervan uit mag gaan dat de opbrengst daarvan (ook) haar ten goede is gekomen. Eiseres heeft derhalve onvoldoende duidelijkheid verschaft over de omvang van haar betrokkenheid bij de kwekerij en de daaruit genoten inkomsten. Verweerder stelt daarom bevoegd te zijn de bijstand per 1 augustus 2018 te beëindigen op de grond dat de eiseres de inlichtingen-verplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

3. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiseres voert daartoe samengevat aan dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van een hennepkwekerij in haar woning. Zij is naar Nederland gekomen als vluchteling voor de Kosovaarse oorlog. Zij lijdt aan posttraumatische stress stoornis en heeft last van slaapstoornissen en

nachtmerries. Eiseres stelt dat toen zij terugkwam van vakantie in het buitenland (van 20 juli 2018 tot en met 15 augustus 2018) bleek dat de heer [B] , zonder kennis en toestemming van eiseres, een hennepkwekerij in haar woning had ingericht. Eiseres heeft van de politie vernomen dat de hennepkwekerij in opbouw was en dat er nog niet is geoogst. De heer [B] heeft misbruik gemaakt van haar vertrouwen en haar psychische kwetsbaarheid. Ter onderbouwing hiervan heeft eiseres een schriftelijke verklaring van de heer [getuige] van 11 januari 2020 overgelegd.

4. Bij beoordeling van deze zaak is de volgende wetgeving van belang.

4.1

Op grond van artikel 11 van de Pw bestaat er recht op bijstand voor zover een belanghebbende in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

4.2

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Pw heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover appellante niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.4

Ingevolge artikel 54, vierde lid, van de Pw kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, intrekken.

5.1

De rechtbank stelt tegen de achtergrond van voornoemde wetgeving allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er in de woning van eiseres een hennepkwekerij is aangetroffen. De rechtbank stelt in dat licht voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1811) het feit dat in een door betrokkene gehuurde huurwoning een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling rechtvaardigt dat de betrokkene daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan hem ten goede is gekomen. Het is dan aan betrokkene, in dit geval eiseres, om dit aan de vooronderstelling ten grondslag liggende vermoeden te ontzenuwen.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. Tegenover het emailbericht van de politie dat er sprake was van een indicatie voor meerdere oogsten en aldus een hennepkwekerij over langere tijd, heeft eiseres (vooralsnog) geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd, die aannemelijk zouden moeten maken dat zij geen (mede) eigenaar van de hennepkwekerij in haar woning is geweest en dat de opbrengst daarvan haar niet ten goede is gekomen. Haar standpunt dat misbruik is gemaakt van haar psychische gesteldheid, zij uitsluitend slachtoffer is en niets van enige opbrengt heeft ontvangen, wordt immers uitsluitend ondersteund door haar eigen verklaring. De verklaring van getuige [getuige] maakt dit niet anders. Ter zitting heeft deze getuige weliswaar herhaalt dat hij van mening is dat eiseres slachtoffer is, maar hij geeft aan dat hij dit van haar heeft vernomen en afleidt uit de persoon zoals hij haar kent. Voorts benadrukt hij in het algemeen de druk die binnen de sociale omgeving van eiseres kan bestaan. Van de aard, omvang en periode van de hennepkwekerij kan deze getuige aldus niet uit eigen wetenschap verklaren. Met beide verklaringen is het onder r.o. 5.1 genoemde vermoeden naar het oordeel van de rechtbank daarom niet (voldoende) ontzenuwd.

5.3

De rechtbank benadrukt vervolgens dat het vaste rechtspraak is dat zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan worden aangemerkt als omstandigheden waarvan een betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan deze het betreffende bestuursorgaan, verweerder, onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:198. Door in het licht van hetgeen onder 5.4 is overwogen, geen melding te maken bij verweerder van de exploitatie van de hennepkwekerij in haar woning heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Voor zover eiseres met de stelling dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet met opzet heeft geschonden omdat zij zich niet (voldoende) bewust was van deze verplichting, heeft willen betogen dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, treft dit betoog geen doel. De in artikel 17, eerste lid, van de Pw opgenomen inlichtingenverplichting betreft immers een objectief geformuleerde verplichting. Opzet speelt daarbij geen rol. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 2 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2173. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog op dat eiseres ter zitting inzake de onderhuur heeft aangegeven dat zij weldegelijk wist dat zij hiervan melding moest maken, maar omdat de huurder geen huur betaalde, dit niet aan verweerder heeft doorgegeven.

5.4

Een schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor herziening dan wel intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is vervolgens aan de betrokkene, in dit geval dus aan eiseres, om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. De rechtbank verwijst in dit verband onder andere naar de uitspraak van de CRvB van 20 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2749. Ook te dien aanzien heeft eiseres geen dragende tegenargumenten aangevoerd.

5.5

Uit het voorgaande volgt dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de thans voorliggende situatie op goede gronden het recht op bijstand van eiseres heeft mogen opschorten en nadere inlichtingen van haar mogen vragen. Eiseres heeft, zoals reeds overwogen, de gevraagde inlichtingen niet verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich tegen deze achtergrond op goede gronden op het standpunt stellen dat de vraag of zij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden niet kon worden beantwoord. Hieruit volgt tevens dat verweerder bevoegd was het recht op bijstand van eiseres met toepassing van artikel 54, vierder lid, van de Pw te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van de eerste dag waarop het recht op bijstand was opgeschort. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat verweerder onder de gegeven omstandigheden niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot beëindiging (intrekking) gebruik heeft kunnen maken.

5.5

Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij haar standpunt dat sprake is van misbruik van haar situatie en dat zij als slachtoffer op geen enkele wijze verantwoordelijk kan worden gehouden voor de situatie die verweerder aan zijn besluitvorming en grondslag heeft gelegd, alsnog zou willen onderbouwen aan de hand van het proces-verbaal van de politie over het strafrechtelijk onderzoek inzake de hennepkwekerij. Omdat zij veronderstelde dat verweerder reeds in bezit was van dit proces-verbaal heeft zij dit niet eerder ingebracht. De gemachtigde van verweerder heeft zich verzet tegen het verzoek om in dit stadium van het geding alsnog het onderhavige proces-verbaal in te brengen, en benadrukt dat dit strijdig zou zijn met beginselen van behoorlijke procesorde. In dit verband heeft hij tevens aangegeven dat verweerder met dit voor hem onbekende stuk bij het bestreden besluit geen rekening heeft kunnen houden. Wel heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat eiseres een verzoek kan doen tot herziening en in dat licht het proces-verbaal van politie alsnog aan verweerder kan voorleggen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de goede procesorde zich verzet tegen het in dit stadium alsnog inbrengen van het onderhavige proces-verbaal. Indien eiseres haar standpunt dat misbruik van haar is gemaakt en zij nimmer inkomsten heeft ontvangen uit de hennepkwekerij, stelt te kunnen onderbouwen aan de hand van de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek, kan zij bij verweerder een verzoek om herziening in het kader van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) indienen.

6. Gelet op al het voorgaande is het beroep ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2020 door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl

de griffier is niet in rechter

de gelegenheid deze

uitspraak mede te

ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.