Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3684

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4501
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering ten onrechte betaalde ANW. Geen verwijd eiseres, geen bijzondere omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/4501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [A] ),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Verbeek).

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de uitkering die eiseres ontving op grond van de Algemene Nabestaandenwet (Anw), herzien over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 september 2018.

Bij besluit van dezelfde datum (primair besluit II) heeft verweerder een bedrag van bruto € 8.379,04 aan te veel betaalde Anw-uitkering van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 25 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus heeft er met toestemming van partijen geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Overwegingen

1.1

Eiseres is weduwe. Aan haar is een pensioen toegekend op grond van de Algemene weduwen- en wezenwet. Deze uitkering is met ingang van 1 juli 1996 omgezet in een Anw-uitkering. De Anw-uitkering is per 10 oktober 2018 beëindigd vanwege het feit dat eiseres met ingang van die datum in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet.

1.2

Naast haar uitkering ontving eiseres inkomen uit arbeid. Vanwege de wisselende hoogte van deze inkomsten, werd haar Anw-uitkering op een fictief bedrag vastgesteld. Voorts ontving eiseres een flexpensioen.

2. Nadat de Belastingdienst de definitieve inkomensgegevens van eiseres over de periode vanaf juni 2015 aan verweerder had doorgegeven, heeft verweerder de primaire besluiten genomen. De herziening en terugvordering zijn bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder overweegt dat hij bij de bepaling van de hoogte van de Anw-uitkering abusievelijk geen rekening heeft gehouden met het flexpensioen, zodat de uitkering naar een te hoog bedrag werd uitbetaald. Verweerder acht geen dringende redenen aanwezig om van herziening of terugvordering af te zien.

3. Eiseres betoogt dat dringende redenen in de weg staan aan de terugvordering. Voorts doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel. Door verweerder is in eerdere besluiten aangegeven dat de berekeningen van de Anw-uitkering definitief waren. Zij bestrijdt dat zij had kunnen weten dat haar uitkering te hoog was. Zij heeft in 2015 telefonisch navraag gedaan en werd toen gerustgesteld. Bovendien is de hoogte van haar inkomen niet gewijzigd, omdat haar inkomen uit arbeid met eenzelfde bedrag omlaag is gegaan als de hoogte van het flexpensioen. Zij wijst er met nadruk op dat zij te goeder trouw is geweest. De fout ligt naar haar mening geheel bij verweerder. Ook bij eerdere berekeningen zijn er fouten gemaakt en voor een betrokkene zelf is het onmogelijk om te bepalen of de berekeningen correct zijn als gevolg van het ontbreken van de toegepaste kortingspercentages en de berekeningsgrondslag.

4.1

Ingevolge artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw is verweerder gehouden het recht op Anw te herzien indien de uitkering tot een te hoog bedrag is verleend.

4.2

Ingevolge artikel 53, eerste lid van de Anw wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door verweerder van de nabestaande teruggevorderd. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel kan verweerder, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

4.3

Blijkens de rechtsgeschiedenis is het uitgangspunt dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheids-beginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld. Verweerder heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene “Verlaging of intrekking met terugwerkende kracht wegens wijziging van de omstandigheden (SB1078)”. In dit beleid is rekening gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Volgens dit beleid gaat verweerder niet tot herziening met volledig terugwerkende kracht over als de uitkeringsgerechtigde al haar verplichtingen is nagekomen en zij voorts niet heeft kunnen begrijpen dat de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verleend. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.

5.1

Door eiseres wordt niet bestreden dat haar in de periode in geding een te hoge Anw-uitkering is betaald. Verweerder was dan ook gehouden het recht te herzien en het teveel betaalde terug te vorderen. Niet gebleken is dat de terugvordering in strijd komt met het beleid van verweerder. Blijkens de specificaties is verweerder bij de berekening van het recht van eiseres op een Anw-uitkering steeds uitgegaan van een inkomen dat ongeveer € 500,- per maand lager lag, dan het werkelijke inkomen van eiseres. Verder is uit de specificaties af te leiden dat verweerder alleen de inkomsten uit arbeid bij de berekening heeft meegenomen en niet het flexpensioen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat eiseres dit niet duidelijk had kunnen zijn.

5.2

Van een dringende reden als bedoeld in artikel 53, vijfde lid, van de Anw is de rechtbank niet gebleken. Dat eiseres te goeder trouw is geweest kan niet als dringende reden worden aangemerkt, evenmin als de volgens haar door verweerder gemaakte onzorgvuldigheden.

5.3

Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Vast staat dat er door verweerder geen schriftelijke toezegging is gedaan. Eiseres beroept zich op een telefonische mededeling dat zij zich geen zorgen hoefde te maken in een telefoongesprek van juni 2015. In het dossier bevindt zich echter geen telefoonnotitie uit 2015 of later of enige telefoonnotitie van die strekking. Door eiseres zijn daarover ook geen nadere gegevens verstrekt of stukken overgelegd die haar betoog op dit vlak staven. Uit de door eiseres genoemde telefoonnotitie van 26 september 2014 blijkt dat een medewerker van verweerder toen telefonisch contact met eiseres heeft gezocht in verband met een te lage hoogte van de Anw-uitkering over de voorgaande twee jaar. De opmerking van deze medewerker dat eiseres geen informatie hoefde te verstrekken omdat de gegevens van de polisadministratie zouden worden gebruikt, gaat over een andere situatie en bevat al evenmin een toezegging.

6. Verweerder heeft dan ook terecht de Anw-uitkering van eiseres herzien over de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 september 2018 en een bedrag van € 8.379,04 teruggevorderd.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2020 door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.