Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3672

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5264, AWB - 19_5265
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:81, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt niet aannemelijk dat contante giften daadwerkelijk zijn gedaan. Verweerder maakt niet aannemelijk dat aan opzet of grove schuld van eiser te wijten is dat aanslagen tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd, boetebeschikkingen worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-06-2020
V-N Vandaag 2020/1701
FutD 2020-2005
NTFR 2020/2224
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/5264 en SGR 19/5265

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2020 in de zaken tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslagen) opgelegd, alsmede bij beschikking vergrijpboetes van respectievelijk € 636 en € 705 (de boetebeschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 31 juli 2019 de navorderingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft in andere zaken het verzoek van verweerder om geheimhouding van persoonsgegevens die voorkomen in een door hem overgelegd FIOD-rapport toegewezen. Dat FIOD-rapport is ook in deze zaak overgelegd en de geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 8 oktober 2019 beslist dat die eerdere beslissingen ook in deze zaak gelden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , [B] en

[C] .

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat de rechtbank op 9 januari 2020 een nader stuk van verweerder heeft ontvangen dat per abuis niet aan eiser was doorgezonden. Het stuk betreft een aanvulling op het verweerschrift. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Eiser heeft bij brief van 21 februari 2020 gereageerd op het nadere stuk.

De rechtbank heeft partijen vervolgens verzocht mee te delen of zij op een zitting willen worden gehoord. Partijen hebben binnen de gestelde termijn niet verzocht om een nadere zitting waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2012 en 2013 contante giften aan de [universiteit] ( [universiteit] ) in aanmerking genomen. De giftenaftrek bedroeg, vóór toepassing van de drempel, in 2012 € 2.600 en in 2013 € 2.500. De [universiteit] stond vanaf 1 januari 2008 geregistreerd als een algemeen nut beogende instelling (ANBI).

2. Verweerder heeft naar aanleiding van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 aan eiser brieven gestuurd waarin wordt gevraagd de giftenaftrek toe te lichten. In reactie hierop heeft eiser kopieën van de volgende stukken toegestuurd. Voor het jaar 2012, een kwitantie voor € 1.400 met dagtekening 12 april 2012 en een kwitantie voor € 1.200 met dagtekening 18 december 2012. Voor het jaar 2013, een kwitantie voor € 750 met dagtekening 14 maart 2013, een kwitantie voor € 1.000 met dagtekening 15 juni 2013 en een kwitantie voor € 750 met dagtekening 10 september 2013.

3. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 en 2013 zijn vervolgens op respectievelijk 13 december 2013 en 14 november 2014 conform de aangiften opgelegd.

4. In 2013 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de ANBI status van de [universiteit] . Van dat onderzoek is met dagtekening 17 mei 2016 een rapport opgemaakt. Bij dit onderzoek is onder meer vastgesteld dat de [universiteit] in het jaar 2012 meer kwitanties had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord en dat de [universiteit] in de jaarstukken voor 2013 slechts € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in diverse aangiften IB/PVV in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [universiteit] was aangegeven. In januari 2015 is de FIOD begonnen met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse kwitanties van giften aan andere ANBI-instellingen dan de [universiteit] . Daarbij bleek dat diverse van de daarin betrokken belastingplichtigen ook giften aan de [universiteit] hadden afgetrokken. Naar aanleiding van die signalen is op 17 september 2015 besloten de FIOD een strafrechtelijk onderzoek te laten instellen naar de [universiteit] .

5. Tot de stukken van het geding behoort een CD-rom met daarop het Proces-Verbaal met bijlagen van het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] (het FIOD-PV). Overeenkomstig de beslissing van de rechtbank van 8 oktober 2019 zijn de namen van derden daarin onleesbaar gemaakt. Eiser is in het FIOD-onderzoek niet aangemerkt als verdachte en is daarin ook niet als getuige gehoord. Zijn naam komt wel voor in het overzicht met namen en bedragen dat bij het FIOD-PV is gevoegd.

6. Uit het FIOD-PV blijkt dat de penningmeester van de [universiteit] heeft verklaard dat hij op grote schaal kwitanties heeft verkocht voor een percentage van ongeveer 10 à 12% van het bedrag dat op de kwitanties stond vermeld.

7. De Officier van Justitie (OvJ) heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek naar de [universiteit] te gebruiken voor fiscale doeleinden. Verweerder heeft op 13 november 2017 kennisgevingen aan eiser gezonden dat hij voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zal opleggen waarbij de giftenaftrek aan de [universiteit] wordt gecorrigeerd.

8. In de bezwaarfase heeft eiser bankafschriften overgelegd waarop de volgende geldopnames staan vermeld. Eiser heeft verklaard dat die opnames zowel betrekking hebben op de giften in 2012 en 2013 als op de scholingsuitgaven in 2012:

- 26 januari 2012 een bedrag van € 1.500;

- 12 september 2012 een bedrag van € 2.300;

- 28 september 2012 een bedrag van € 1.000;

- 31 oktober 2012 een bedrag van € 900;

- 4 januari 2013 een bedrag van € 4.000:

- 29 mei 2013 een bedrag van € 1.800.

Geschil
9. In geschil is of verweerder bij het opleggen van de navorderingsaanslagen terecht de aftrek van de giften heeft gecorrigeerd en of de vergrijpboeten terecht zijn opgelegd.

10. Eiser stelt dat hij met de kwitanties en de door hem overlegde bankafschriften voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de afgetrokken giften daadwerkelijk heeft gedaan en dat de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] niet op hem betrekking hebben en overigens niet betrouwbaar zijn. Die verklaringen zijn in ieder geval niet genoeg voor het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser te wijten is dat te weinig belasting is betaald. Uit het FIOD-PV blijkt niet dat wat de penningmeester van de [universiteit] heeft verklaard op hem betrekking heeft. Verder stelt eiser dat verweerder in strijd met zijn eigen werkinstructies handelt door meer bewijs te vragen dan hetgeen volgens die instructies als voldoende wordt beschouwd. Hij wijst daartoe op een Instructie afdoening giftenaftrek (de Werkinstructie) en het Memorandum Giftenaftrek van 27 november 2017 (het Memorandum) die bij het beroepschrift zijn gevoegd. Daarnaast stelt eiser dat het FIOD onderzoek ondeugdelijk is en daarom geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Verder stelt eiser dat verweerder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden.

11. Verweerder neemt het standpunt in dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk de giften heeft gedaan. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] en het FIOD-PV kan aan de kwitanties geen betekenis worden toegekend en het causale verband tussen de geldopnames die blijken uit de bankafschriften en de kwitanties ontbreekt. Verder moet eiser, aldus verweerder, geweten hebben dat hij ten onrechte de giften in aftrek bracht en dat hij daardoor te weinig belasting betaalde. Het daartoe gebruiken van valse kwitanties is een strafverzwarende omstandigheid. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de werkinstructie waar eiser naar verwijst ziet op de aanslagregeling en dat er in de aanslagregeling ook conform deze werkinstructie is gehandeld.

Beoordeling van het geschil

Giftenaftrek

12. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals verweerder terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [universiteit] ten goede zijn gekomen. Eiser wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties en bankafschriften. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] over het grootschalige fraudepatroon die worden bevestigd door verklaringen van anderen, kan aan de kwitanties op zichzelf echter onvoldoende bewijskracht worden toegekend. De door eiser overgelegde bankafschriften bevatten geldopnames waarvan de data en de hoogte van de bedragen niet aansluiten op die vermeld op de kwitanties. Verder zien de bankopnames, zoals eiser heeft verklaard, ook op andere door eiser betaalde bedragen zoals studiekosten van € 1.900. Eiser is daarom niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de giften gecorrigeerd en de navorderingsaanslagen opgelegd.

13. Eiser heeft zijn stelling dat verweerder handelt in strijd met zijn eigen werkinstructies niet aannemelijk gemaakt. Gezien de bewoordingen van de Werkinstructie ziet deze op de aanslagregeling en niet op de vraag wanneer tot navordering zal worden overgegaan. Uit het Memorandum blijkt niet dat niet wordt nagevorderd indien er kwitanties worden overgelegd. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om het FIOD-PV buiten beschouwing te laten. De vraagtekens die eiser stelt bij bepaalde onderdelen van het rapport zijn onvoldoende om te concluderen dat de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] over de gang zaken, ondersteund door verklaringen van derden, buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Vergrijpboetes

14. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

15. Op verweerder rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangiften afgetrokken giften en dat de aanslagen daardoor tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van eiser maakt verweerder gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [universiteit] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [universiteit] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken.

16. Op zichzelf mag verweerder gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Daarvan is in dit geval geen sprake omdat het bewijsvermoeden slechts is gebaseerd op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de [universiteit] . Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de [universiteit] zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen en dus ook in het geval van eiser sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, kan niet worden uitgesloten dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van de bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op eiser komt te rusten. Verweerder is dan ook niet geslaagd in het bewijs dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

17. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Weliswaar is verweerder niet expliciet ingegaan op de stellingen van eiser over de werkinstructies, maar dat maakt niet dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Uit de uitspraak op bezwaar wordt voldoende duidelijk op welke gronden de bezwaren van eiser zijn afgewezen. Eiser heeft de gestelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel onvoldoende geconcretiseerd en ook overigens is dit niet is gebleken.

Rentebeschikkingen

18. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikkingen. Niet gebleken is dat de rente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.

19. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen voor wat betreft de boetebeschikkingen gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van de kosten in bezwaar is geen aanleiding aangezien de bezwaarschriften door eiser zelf zijn ingediend.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond voor zover zij gericht zijn tegen de boetebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de

  • -

    boetebeschikkingen;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde delen van de uitspraken op bezwaar;

- verklaart de beroepen ongegrond voor zover betrekking hebbend op de navorderingsaanslagen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2020 door mr. G.J. Ebbeling, rechter. De griffier in deze zaak is mr. P. Jasperse. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.