Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3646

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanmaningskosten, hoorplicht geschonden, gemachtigde geen derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-06-2020
FutD 2020-1824
V-N Vandaag 2020/1582
V-N 2020/41.2.3
NTFR 2020/1990
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/5989

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
24 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Badhoevedorp, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 augustus 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aanmaningskosten vermeld op de aanmaning van 22 juni 2019.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2020.

Eiser is verschenen zonder zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn [A] en [B] verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 129,89 te betalen aan eiser.

Overwegingen

1. Met dagtekening 31 januari 2019 is aan eiser een aanslag gecombineerde gemeentelijke heffingen voor het jaar 2019 opgelegd van in totaal € 279,70. De vervaldatum van de aanslag was 30 april 2019.

2. Eiser heeft op 28 februari 2019 verzocht om kwijtschelding van voornoemde aanslag. Dit verzoek is vervolgens in behandeling genomen door verweerder.

3. Met dagtekening 22 juni 2019 is aan eiser een aanmaning verzonden. Bij voornoemde aanslag zijn € 7 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.

4. Eiser heeft met dagtekening 8 juli 2019 bezwaar gemaakt tegen de aanmaningskosten.

5. Bij uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard.

6. In geschil is of de aanmaningskosten terecht zijn opgelegd, waarbij specifiek in geschil is of aan eiser uitstel van betaling was verleend ten tijde van de aanmaning. Voorts is in geschil of verweerder de hoorplicht heeft geschonden.

Betalingsonmacht griffierecht

7. Eiser heeft bij brief van 15 november 2019 een verzoek om vrijstelling van griffierecht gedaan in verband met betalingsonmacht. De griffier heeft eiser bij brief van
6 december 2019 laten weten dat naar zijn voorlopig oordeel kan worden afgezien van het heffen van griffierecht. De rechtbank stemt in met dit voorlopig oordeel en verklaart eiser ontvankelijk in zijn beroep.

Hoorplicht

8. De stelling van verweerder dat van het horen van eiser kon worden afgezien ingevolge artikel 7:3, aanhef, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, volgt de rechtbank niet. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar van eiser immers niet kennelijk ongegrond verklaard. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift is de rechtbank overigens van oordeel dat verweerder zich in het onderhavige geval ook niet op voorhand op het standpunt had kunnen stellen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar.

9. Niet in geschil is dat eiser heeft aangegeven gehoord te willen worden (binnen de daarvoor gestelde termijn door verweerder). Aangezien verweerder gehouden was eiser te horen en dit heeft nagelaten, is het beroep gegrond en dient de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd.

10. Overeenkomstig het verzoek van eiser verwijst de rechtbank de zaak terug naar verweerder ter verdere inhoudelijke behandeling. De rechtbank acht terugverwijzing noodzakelijk, aangezien een verschil van mening bestaat ten aanzien van de relevante feiten en eiser een (financieel) belang heeft bij de terugverwijzing. Verweerder stelt eiser per brief van 21 mei 2019 te hebben geïnformeerd dat het kwijtscheldingsverzoek van eiser buiten behandeling is gesteld en dat hiermee de uitstel van betaling is te komen te vervallen. Eiser stelt niet bekend te zijn met voornoemde brief. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de overlegde stukken de verzending van voornoemde brief aan eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat in de praktijk, op basis van de omstandigheden van het geval, in rekening gebrachte aanmaningskosten wel eens worden herzien.

Proceskosten

11. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op onder meer kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiser stelt dat zijn gemachtigde een zodanige derde is. Verweerder heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Uit de door verweerder overlegde stukken blijkt dat de gemachtigde werkzaam is voor [eenmanszaak] . [eenmanszaak] is - naar blijkt uit het door verweerder overlegde uittreksel uit de Kamer van Koophandel (KvK) - een in de vorm van een eenmanszaak gedreven onderneming waarvan eiser de eigenaar is.

12. Nu verweerder de stelling van eiser gemotiveerd heeft betwist, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat de gemachtigde de werkzaamheden inzake de indiening en verdere behandeling van het bezwaar en beroep heeft verricht in zijn hoedanigheid van een professioneel rechtsbijstand verlenende derde. Naar oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft weliswaar betwist dat de gemachtigde voor [eenmanszaak] werkzaam is, maar deze blote ontkenning is onvoldoende om de stellingen van verweerder opzij te zetten. De rechtbank neemt ook in aanmerking dat in de brieven verzonden door de gemachtigde het adres, telefoonnummer en faxnummer van [eenmanszaak] staan vermeld. Voorts heeft de gemachtigde bij het indienen van de gronden van het beroep met dagtekening
17 oktober 2019 het KvK-nummer van [eenmanszaak] vermeld.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de gemachtigde geen derde in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor een kostenvergoeding op de voet van deze bepaling is reeds daarom geen reden.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 129,89 (€ 26,76 aan reiskosten openbaar vervoer tweedeklas en € 103,13 aan verletkosten).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.E. Brummel, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.