Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
NL20.7909
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bewaring; niet gehoord; 59b; identiteit en nationaliteit; geen lichter middel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.7909


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.I.N. Ebecilio).


Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de vrijheidsbenemende maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft de gronden van beroep schriftelijk ingebracht en verweerder heeft daar schriftelijk op gereageerd. De gemachtigden van partijen zijn op 14 april 2020 telefonisch gehoord. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden op verzoek van eisers gemachtigde om haar in de gelegenheid te stellen te overleggen met eiser. Eisers gemachtigde heeft de rechtbank op 17 april 2020 bericht en te kennen gegeven ervan uit te gaan dat eiser gehoord wil worden. Eiser is niet gehoord.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op vandaag.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Aan eiser is op 8 maart 2020 de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw opgelegd. Deze maatregel is op 28 maart 2020 opgeheven. Aansluitend is de onderhavige vrijheidsbenemende maatregel opgelegd.

2. De rechtbank heeft de beslissing genomen om eiser zelf niet te horen en ziet zich allereerst genoodzaakt om die beslissing nader toe te lichten. De rechtbank heeft bij de genomen beslissing de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991) in aanmerking genomen, in het bijzonder rechtsoverwegingen 6. tot en met 7.2.

De rechtbank heeft eisers gemachtigde conform overweging 6.2. van die uitspraak in de gelegenheid gesteld met eiser te overleggen. Dit is niet gelukt, zo blijkt uit de reactie van 17 april 2020:

“Naar aanleiding van de zitting d.d. 14 april 2020, welke telefonisch is gehouden heb ik meermaals contact gezocht met het detentiecentrum Rotterdam voor het maken van een telefonische afspraak om cliënt te spreken.

Mijn secretaresse heeft op woensdag 15 april 2020 het detentiecentrum gemaild voor het maken van een telefonische afspraak op donderdag 16 april 2020 om 10.30 uur. Cliënt heeft op donderdag 16 april 2020 om 10.30 geen contact opgenomen met mij. Vervolgens is diezelfde middag telefonisch contact geweest met het detentiecentrum. Hierbij is verzocht om cliënt op vrijdag 17 april 2020 om 10.00 uur contact met ons te laten opnemen. Om 10.00 heeft het detentiecentrum mijn kantoor gebeld en aangegeven dat cliënt om 11.00 uur in de spreekkamer zou worden geplaatst en dat er naar een specifiek nummer kon worden gebeld. Dit heb ik om 11.00 uur gedaan, echter werd er meermaals niet opgenomen. Ondanks dat ik cliënt niet heb kunnen spreken, ga ik er vanuit dat cliënt wenst te

worden gehoord.”

De rechtbank stelt vast dat uit deze reactie niet blijkt waarom het de gemachtigde van eiser niet is gelukt met eiser te spreken. De faciliteiten om telefonisch overleg te plegen zijn op DTC Rotterdam beschikbaar. Door eiser is ook niet gesteld dat dat niet het geval is. De rechtbank stelt verder vast dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat het in andere gevallen probleemloos is gebleken voor de gemachtigde van een vreemdeling, die - net als eiser - in DTC Rotterdam verblijft, om contact te krijgen met zijn cliënt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eiser nader in de gelegenheid te stellen met zijn gemachtigde te overleggen. Hier heeft de gemachtigde van eiser overigens ook niet om verzocht.

De rechtbank constateert verder dat eisers gemachtigde geen reden heeft opgegeven voor het geen afstand doen van het recht ter zitting te worden gehoord, terwijl dat wel op zijn weg lag (zie onder meer rechtsoverweging 7. van de voornoemde Afdelingsuitspraak). Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding eiser (alsnog) te horen. Bij dit oordeel heeft de rechtbank tevens het belang van eiser bij een spoedige beslissing op zijn beroep tegen de opgelegde maatregel betrokken en hier grote waarde aan gehecht. Verder is van belang dat eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die namens eiser de juridische argumenten naar voren heeft gebracht. Verder is eisers gemachtigde tijdens de telefonische behandeling van de zaak op 14 april 2020 in de gelegenheid gesteld de schriftelijk ingediende gronden van beroep nader toe te lichten, het standpunt van verweerder met betrekking tot die beroepsgronden aan te horen en daarop te reageren, zodat daarmee het recht van een procedure op tegenspraak is gewaarborgd. Eiser heeft niet aangevoerd dat dit onvoldoende is. De rechtbank stelt verder vast dat de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden juridische argumenten betreffen. Eiser heeft geen argumenten naar voren gebracht met betrekking tot de feiten van de zaak en de rechtbank heeft daar ook geen vragen over.

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser.

3.1

Eiser voert aan dat verweerder uitgaat van de door eiser opgegeven identiteitsgegevens en herkomst. Onduidelijk is dan ook waarom op dit moment naar voren wordt gebracht dat de bewaring nog noodzakelijk is met betrekking tot de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser.

3.2

De rechtbank overweegt allereerst dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd dat en waarom de bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit en nationaliteit. In het bestreden besluit is namelijk aangegeven dat tijdens de asielprocedure vast is komen te staan dat eiser niet in het bezit is van een origineel en authentiek identiteitsdocument en dat om die reden kan worden gesteld dat de bewaring ook in de beroepsfase noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit. Verder is aangegeven dat Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) in het vertrekproces aandacht zal besteden aan de vaststelling van de identiteit en nationaliteit. Deze motivering is voldoende draagkrachtig en voldoende toegespitst op eisers situatie. Verweerder heeft terecht betoogd dat, alhoewel in de asielprocedure eisers verklaringen over zijn identiteit en nationaliteit geloofwaardig zijn geacht, zijn identiteit en nationaliteit nog niet zijn vastgesteld en het onderzoek daarnaar wordt voortgezet. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van 15 oktober 2019 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:3442, in het bijzonder rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3.). Deze beroepsgrond slaagt niet.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.1

Eiser heeft de zware grond als hiervoor genoemd onder 3d. uitdrukkelijk betwist. Eiser stelt daartoe dat hij feitelijk alle informatie die hij heeft over zijn identiteit en nationaliteit naar voren heeft gebracht en op grond daarvan is door verweerder in het asielbesluit zijn identiteit en nationaliteit ook geloofwaardig geacht.

4.2

De rechtbank stelt vast dat eiser de overige zware gronden en de lichte gronden niet heeft bestreden. Deze gronden kunnen de maatregel al dragen. Verweerder heeft op grond daarvan namelijk al de conclusie kunnen trekken dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarmee behoeft de beroepsgrond van eiser geen bespreking.

5. Eiser voert verder aan dat niet is getoetst of zicht op uitzetting bestaat. Op dit moment is er geen zicht op uitzetting omdat de Marokkaanse autoriteiten het luchtruim hebben gesloten sinds 15 maart 2020. Verder is het zo dat naar aanleiding van de maatregelen van het kabinet van 16 maart 2020 DT&V geen vertrekgesprekken meer houdt.

5.1

De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, Vw, nu eiser rechtmatig verblijf heeft totdat op de rechtsmiddelen (onder meer het beroep) gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag is beslist. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1552). Bij de beoordeling van een lichter middel en de vraag of de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is, is ook geen ruimte voor vragen of argumenten die zien op het zicht op uitzetting of de terugkeer. Verweerder heeft bij de oplegging van de maatregel daarom terecht niet beoordeeld of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser heeft verder, naar de rechtbank begrijpt, aangevoerd dat vooralsnog, door de uitbraak van het coronavirus, onduidelijk is op welke datum de ingestelde rechtsmiddelen tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag zullen worden behandeld. Dit kan nog geruime tijd duren en daarom stelt eiser zich op het standpunt dat dit dient te worden betrokken bij de vraag of (thans) met een lichter middel moet worden volstaan.

6.1

Uit het elektronisch systeem van de Rechtspraak blijkt dat eiser op 3 april 2020 beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en op diezelfde datum een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. De gronden van het beroep en verzoek zijn op 20 april 2020 aangevuld. Er is, gelijk betoogd door verweerder, vooralsnog geen grond voor het oordeel dat het beroep en verzoek niet binnen een redelijke termijn door de rechtbank zullen worden beoordeeld. Gelet daarop is er evenmin grond voor het oordeel dat (thans) met een lichter middel zou moeten worden volstaan. Indien en voor zover duidelijk wordt dat de rechtsmiddelen die eiser heeft ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielverzoek niet op korte termijn zullen worden, staat het eiser vrij een vervolgberoep in te stellen tegen de voortduring van de maatregel en deze vraag in dat beroep aan de orde te stellen. Deze beroepsgrond slaagt daarmee ook niet.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ok, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.