Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3614

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4886
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

visum kort verblijf - sociale en economische binding onvoldoende om tijdige terugkeer gewaarborgd te achten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4886

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: [A] ),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Boerci).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020.
Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Dominicaanse nationaliteit. Eiser wil graag een visum voor kort verblijf voor bezoek aan [A] , referente, en zijn dochter.
2. Verweerder heeft de aanvraag in het primair besluit afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, eiser niet heeft aangetoond dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt, de informatie die is verstrekt met betrekking tot het doel en omstandigheden van het beoogde verblijf niet betrouwbaar is en het voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld.
2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdelen ii en iii, van de Visumcode en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode.
Verweerder heeft de financiële middelen als ontoereikend beoordeeld, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk beschikt over het richtbedrag van ten minste €34,- per persoon per dag voor verblijf en de kosten voor een vliegreis. Hierbij heeft verweerder overwogen dat de hoge stortingen op de rekening van eiser niet in verhouding staan tot het gestelde inkomen. Het is volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser vrijelijk over dit bedrag kan beschikken. Voorts heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen omdat redelijke twijfel bestaat dat eiser tijdig terug zal keren. Verweerder stelt hiertoe dat eisers sociale en economische binding met de Dominicaanse Republiek niet dusdanig sterk is dat zijn terugkeer naar dat land gewaarborgd is. Verder heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen omdat het doel van het voorgenomen verblijf niet is aangetoond, nu eiser niet heeft onderbouwd dat zijn gestelde dochter daadwerkelijk zijn dochter is.
2.2. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser zijn relatie met referente aannemelijk heeft gemaakt. Als gevolg hiervan zijn het doel en de omstandigheden van het verblijf aangetoond. Verweerder laat deze weigeringsgrond daarom vallen.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Volgens eiser twijfelt verweerder ten onrechte aan zijn tijdige terugkeer naar de Dominicaanse Republiek. Daarnaast heeft eiser met stukken aangetoond dat hij een vaste baan heeft en over een substantieel inkomen beschikt. Het bedrag op eisers bankrekening voldoet aan het richtbedrag van ten minste €34-, per dag en moet ruim voldoende zijn voor een korte vakantie.
4. Eiser heeft voorts gronden aangevoerd tegen de weigeringsgrond dat het doel en omstandigheden van het verblijf niet zijn aangetoond. Nu deze weigeringsgrond niet langer wordt tegengeworpen, zullen deze gronden verder niet worden besproken.

5.
Artikel 32 van de Visumcode geeft weer in welke situaties een aanvraag voor een visum voor kort verblijf wordt afgewezen. Als ten minste één van deze situaties van toepassing is, moet verweerder de aanvraag voor het visum voor kort verblijf afwijzen.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel iii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode wordt - voor zover van belang - een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de sociale en economische binding van eiser met de Dominicaanse Republiek als onvoldoende heeft mogen beoordelen om de tijdige terugkeer van eiser naar dat land gewaarborgd te achten. Verweerder heeft het van belang mogen achten dat de vriendin en dochter van eiser in Nederland wonen en hij dus geen gezin in zijn land van herkomst achterlaat. De moeder en zus van eiser verblijven wel in de Dominicaanse Republiek, maar eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij zorg voor hen draagt en dus gedwongen is om tijdig terug te keren naar zijn land van herkomst.

Ter zitting heeft referente verklaard dat eiser niet alleen met zijn moeder, zus en neefje in een huis woont, maar dat eiser ook de dagelijkse zorg draagt voor zijn neefje. De vader van zijn neefje, eisers broer, verblijft op Sint Maarten en kan niet voor hem zorgen. Eiser vervult dus de vaderrol voor zijn neefje. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat deze omstandigheid relevant kan zijn bij de beoordeling van een (volgende) visumaanvraag van eiser, omdat dit de sociale binding met de Dominicaanse Republiek sterker zou maken. Deze stelling zal dan wel onderbouwd moeten worden met stukken. Omdat deze omstandigheid bij de huidige aanvraagprocedure pas ter zitting naar voren is gebracht en niet met stukken is onderbouwd, kan het in deze procedure niet tot een ander oordeel leiden.

6.2.

Ten aanzien van eisers economische binding met het land van herkomst overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het enkele feit dat eiser een baan heeft in zijn land van herkomst onvoldoende economische binding is om tijdige terugkeer naar de Dominicaanse Republiek gewaarborgd te achten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de economische binding, in combinatie met de hiervoor besproken sociale binding, van eiser met de Dominicaanse Republiek onvoldoende is om tijdige terugkeer gewaarborgd te achten.
7. Nu verweerder heeft mogen stellen dat één van de weigeringsgronden van de Visumcode van toepassing is, wordt de visumaanvraag door verweerder afgewezen. Aan hetgeen in beroep is aangevoerd ten aanzien van de andere weigeringsgrond, namelijk het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan, komt de rechtbank daarom niet meer toe.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
17 maart 2020

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.