Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4742
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

visum kort verblijf - sociale en economische binding met Marokko niet zodanig dat tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten - artikel 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4742

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: drs. F.W. King),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Boerci).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Tevens zijn verschenen de dochters van eiseres, mevrouw [A] (referente) en mevrouw [B] , en de heer [C] (echtgenoot van referente).
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1959 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres beoogt kort verblijf bij haar in Nederland wonende dochters en kleinkinderen.

2.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat het voornemen om Nederland te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kan worden vastgesteld.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel ii, van de Visumcode en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale en economische binding van eiseres met Marokko zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Nu een tijdige terugkeer niet gewaarborgd is te achten, wordt getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur en in het verlengde hiervan, aan de juistheid van het opgegeven reisdoel.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep aan dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft verricht, waardoor geen sprake is van een ‘fair balance’ tussen het belang van eiseres en het algemeen Nederlands belang. Eiseres stelt dat het bestreden besluit daarmee in strijd is met het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, zaak nr. 50435/99 van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Eiseres stelt dat zij een sterke emotionele band heeft met haar dochters en kleinkinderen. Eiseres leidt uit het bestreden besluit af dat verweerder, onder verwijzing naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), stelt dat geen sprake is van familieleven tussen eiseres en haar dochters zodat aan haar geen visum kan worden verstrekt. Eiseres heeft echter aannemelijk gemaakt dat zij materieel en emotioneel afhankelijk is van haar dochters. Verweerder kan niet zonder nadere motivering aan eiseres geen visum voor kort verblijf verstrekken met als doel familiebezoek. Voorts heeft verweerder zijn stelling dat eiseres langer zal blijven dan toegestaan, niet onderbouwd. Nu verweerder de afwijzing niet deugdelijk heeft gemotiveerd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
Tot slot voert eiseres aan dat zij onterecht niet is gehoord. Zij had alle twijfels van verweerder kunnen wegnemen in een gehoor en nadere inlichtingen kunnen verstrekken. Nu verweerder van het horen heeft afgezien, zijn niet alle feiten en omstandigheden betrokken in de belangenafweging en daarmee is gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel ii, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode wordt - voor zover van belang - een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum te verlaten.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van
19 december 2013, Koushkaki, C-84/12 (ECLI:EU:C:2013:862) volgt dat verweerder bij het onderzoek van een visumaanvraag, met betrekking tot de beoordeling van de relevante feiten over een ruime beoordelingsmarge beschikt om te bepalen of een van de in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode vermelde gronden voor weigering van een visum aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Het is aan de aanvrager van een visum om de voor de beoordeling van zijn aanvraag nodige informatie te verstrekken, waarvan de geloofwaardigheid moet worden aangetoond met relevante en betrouwbare bewijzen, die de twijfel kunnen wegnemen.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat op grond van de sociale en economische binding van eiseres met Marokko een redelijke twijfel bestaat aan het voornemen om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten.

Verweerder heeft met betrekking tot de sociale binding in redelijkheid aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij 60 jaar is en een echtgenoot en twee dochters heeft die in Nederland wonen. Hierdoor bestaat geen sociale band met Marokko voor wat betreft een eigen gezin waarvoor eiseres de verantwoordelijkheid draagt. Voorts heeft verweerder kunnen overwegen dat eiseres weliswaar stelt drie broers en zussen in Marokko te hebben, maar dat op grond hiervan niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding met Marokko dusdanig sterk is dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Ook is niet gebleken dat eiseres zorg draagt voor andere directe familieleden of dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig terug te keren naar Marokko.

Met betrekking tot de economische binding van eiseres met Marokko heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiseres over een regelmatig of substantieel inkomen beschikt. Eiseres heeft op het visumaanvraagformulier aangeven dat zij geen werk heeft. Dat eiseres in de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ heeft vermeld dat zij naaister is en een inkomen heeft, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu eiseres dit niet heeft onderbouwd.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding heeft met Marokko dat een tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

5.3.

Uit de imperatieve weigeringsgronden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode volgt dat verweerder reeds gezien het vorenstaande gehouden was de visumaanvraag af te wijzen. Als gevolg daarvan behoeft de andere weigeringsgrond geen bespreking meer.

5.4.

Verweerder heeft voorts in het verweerschrift terecht gesteld dat een visum voor kort verblijf in beginsel niet de geëigende weg is om het uitoefenen van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM mogelijk te maken, nu de aard van een dergelijk visum juist kort en niet langdurig verblijf betreft. Ten aanzien van de verwijzing van eiseres naar paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 constateert de rechtbank dat dit beleid enkel ziet op de verblijfsvergunning regulier. Nu eiseres een aanvraag voor een visum voor kort verblijf heeft gedaan, treft deze verwijzing geen doel.

5.5.

Ten aanzien van het beroep op artikel 20 van het VWEU en het beroep ter zitting op Richtlijn 2004/38/EG overweegt de rechtbank het volgende. Voor zover eiseres stelt aanspraak te maken op een afgeleid verblijfsrecht, overweegt de rechtbank dat zij dit met een aanvraag voor een visum voor kort verblijf niet kan bewerkstelligen. Hiervoor dient eiseres een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.
6. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak vormt het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan daarvan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.