Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3607

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4797
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv - verblijf als familie- of gezinslid - geen duurzame en exclusieve relatie - artikel 8 EVRM - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/4797

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres 1] , eiseres 1, V-nummer [v-nummer] , [eiseres 2] , eiseres 2, V-nummer [v-nummer] , [eiser] , eiser, V-nummer [v-nummer] ,gezamenlijk te noemen ‘eisers’,

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Boerci).

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2019 en aanvullend besluit van 22 januari 2019 (tezamen het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.

Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eisers hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020.
Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is verschenen de heer [A] , referent.

Overwegingen


1. Eisers hebben de Iraanse nationaliteit en zijn woonachtig in Nepal. Eisers zijn geboren op respectievelijk 14 augustus 1968, [geboortedatum] 1992 en [geboortedatum] 2000.
Eiseres 1 is de moeder van de overige eisers.

1.1.

Op 5 juli 2018 heeft referent namens eiseres 1 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [A] ’. Tevens heeft referent namens eiseres 2 en eiser een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij hun moeder,
eiseres 1.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de gestelde relatie tussen eiseres 1 en referent niet als duurzaam en exclusief kan worden aangemerkt, eiseres 1 geen ongehuwdverklaring heeft overgelegd en eiseres 1 niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Nu de aanvraag van eiseres 1 wordt afgewezen, worden ook de aanvragen van haar kinderen afgewezen.

2.1.

Verweerder heeft het primaire besluit in het bestreden besluit gehandhaafd. Eisers hebben niets aangevoerd ten aanzien van de gestelde relatie tussen eiseres 1 en referent. Voorts hebben eisers de ongehuwdverklaring nog altijd niet overgelegd. Tot slot is niet van nieuwe omstandigheden gebleken waardoor eiseres 1 ontheven zou moeten worden van de verplichting te slagen voor het basisexamen inburgering buitenland (hierna: basisexamen).

3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren in beroep aan dat eiseres 1 in aanmerking dient te komen voor ontheffing van de verplichting om het basisexamen te halen. Eiseres 1 is niet in staat Nepal te verlaten. Nu zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nepal, zal zij bij het verlaten van dat land een hoge boete moeten betalen en bij terugkeer niet meer worden toegelaten. Verweerder mag van eiseres 1 niet verwachten dat zij haar huis opzegt en haar kinderen in risico brengt om het basisexamen in New Delhi af te leggen. Niet is gebleken dat verweerder een evenredige belangenafweging heeft gemaakt waarbij hij alle omstandigheden heeft betrokken. Ten aanzien van de relatie tussen eiseres 1 en referent stellen eisers dat deze relatie al vijftien jaar bestaat en gevormd wordt door de liefde van referent voor eisers. Eiseres 1 en referent voeren daarnaast vele telefoon- en vibergesprekken. Ten aanzien van de ongehuwdverklaring stelt eiseres 1 dat zij al jaren gescheiden is van haar ex-man en dat haar kinderen dit ook bevestigen. Vanwege de omstandigheden in Nepal is eiseres 1 niet in de mogelijkheid geweest om de ongehuwdverklaring te overleggen.
Eisers stellen verder dat er een objectieve belemmering bestaat om met referent het gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in Nepal uit te oefenen. Verweerder heeft ontoereikend gemotiveerd waarom er geen objectieve belemmering bestaat. Tot slot stellen eisers dat de hoorplicht is geschonden, nu verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. Eisers zijn hierdoor in hun belangen geschaad.

4. Op grond van artikel 16, eerste lid aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 5 van de Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.

4.1.

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22a genoemde voorwaarden.

4.2.

Op grond van artikel 3.14, aanhef en onder b, van het Vb 2000 wordt, onder beperkende voorwaarden, de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend aan de vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een naar behoren geattesteerde duurzame en exclusieve relatie onderhoudt.
4.3. Uit paragraaf B7/3.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder aanneemt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder b, van de Vb 2000 als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als verweerder onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan verweerder de aanvraag afwijzen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

In geschil is de vraag of is aangetoond dat tussen eiseres 1 en referent sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers niet hebben aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres 1 en referent. Eisers hebben ter onderbouwing van de gestelde relatie enkel afschriften overgelegd waaruit blijkt dat referent meerdere malen geld heeft overgemaakt naar eisers. Verweerder heeft dit onvoldoende mogen achten om een duurzame en exclusieve relatie aan te nemen. Voorts hebben eisers slechts een summiere en onvolledige toelichting gegeven over de relatie. De enkele stelling van eisers in beroep dat eiseres 1 en referent al vijftien jaar een relatie hebben en ze vaak telefoon- en vibergesprekken voeren is onvoldoende, nu dit op geen enkele manier is onderbouwd. Verweerder heeft in het verweerschrift voorts terecht gesteld dat in de geboorteakte van eiseres 1 staat vermeld dat zij pas sinds 2015 is gescheiden, terwijl zij stelt al vijftien jaar een relatie met referent te hebben.

5.2.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres 1 niet heeft aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie met referent. Reeds hierom heeft verweerder de aanvraag op goede gronden afgewezen. De beroepsgrond die ziet op het door verweerder tegengeworpen inburgeringsvereiste behoeft daarom geen bespreking meer.

5.3.

Voorts heeft verweerder gelet op het voorgaande de mvv-aanvragen van eiseres 2 en eiser kunnen afwijzen, nu hun aanvragen afhankelijk zijn van het verblijfsrecht van eiseres 1.

5.4.

Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, nu niet is gebleken dat eiseres 1 en referent een duurzame en exclusieve relatie onderhouden. Het betoog van eisers dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd dat er geen objectieve belemmering bestaat, treft geen doel. Zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft gesteld, wordt aan de vraag of er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Nepal uit te oefenen niet toegekomen, nu verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

5.5.

Van strijd met de hoorplicht, zoals eisers hebben gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte algemene hoorplicht kan op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eisers daartegen in bezwaar hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat aan deze maatstaf is voldaan, zodat verweerder van het horen heeft kunnen afzien.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 maart 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.