Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3585

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/1565 en AWB 18/7620
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit terugbetalingsverplichting - Besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb - overschrijding van de bezwaartermijn - verlening van de inburgeringstermijn - artikel 2.4c van de Regeling Inbugering - ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7620 en SGR 19/1565

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),

en

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigde: mr. D.M.C. Cuiper).

Procesverloop

Zaaknummer SGR 18/7620

Bij brief van 5 juli 2017 heeft verweerder bericht dat eiser de lening moet terugbetalen omdat hij niet tijdig is ingeburgerd.

Bij brief van 19 juni 2018 heeft verweerder de hoogte van de terug te betalen lening vastgesteld op €7.977,19 en bepaald dat eiser vanaf 1 december 2018 maandelijks €66,48 dient terug te betalen.

Bij besluit van 11 oktober 2018 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de brief van 19 juni 2018 en het bezwaar, voor zover gericht tegen de brief van 5 juli 2017, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Zaaknummer SGR 19/1565

Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft verweerder eisers verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen.

Bij besluit van 25 januari 2019 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 oktober 2018 kennelijk ongegrond verklaard.

Beide besluiten

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2020. Beide zaken zijn daar gevoegd behandeld. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig L. Mahaddam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vaststaat dat eiser sinds 9 december 2013 inburgeringsplichtig is in de zin van de Wet Inburgering. Eiser diende in eerste instantie uiterlijk 2 maart 2017 aan deze plicht te voldoen.

Ten aanzien van het bestreden besluit 1

2. Bij brief van 5 juli 2017 heeft verweerder geconstateerd dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht. Omdat eiser niet aan zijn inburgeringsplicht had voldaan, heeft verweerder hem een boete opgelegd van €250,-. Daarnaast heeft verweerder de inburgeringstermijn van eiser verlengd tot 2 maart 2019 en bepaald dat eiser, gelet op het feit dat hij niet tijdig is ingeburgerd, het geleende geld aan DUO dient terug te betalen op het moment dat eiser klaar is met inburgeren.

2.1

Bij brief van 19 juni 2018 heeft verweerder de hoogte van de terug te betalen lening vastgesteld op €7.977,19 en bepaald dat eiser vanaf 1 december 2018 maandelijks €66,48 dient terug te betalen.

2.2

Op 25 juni 2018 heeft verweerder eiser, onder intrekking van de brief van

1 juni 2018, bericht dat de nieuwe einddatum van de inburgeringstermijn 8 juni 2017 is. Voorts is aangegeven dat eiser op 8 mei 2018 heeft voldaan aan zijn inburgeringsplicht, hetgeen na de einddatum van zijn initiële inburgeringstermijn is. Eiser heeft de inburgeringstermijn hierdoor nog steeds verwijtbaar overschreven. De boete van €250,- wordt gehandhaafd.

2.3

Eiser heeft op 27 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 juni 2018. Eiser stelt zich kort gezegd op het standpunt dat hij de lening niet terug hoeft te betalen en hem niet verwijtbaar is dat hij geen bezwaar heeft ingesteld. Eiser mocht er van uitgaan dat de lening bij de DUO, gelet op de brief van 6 maart 2017 (vooraankondiging termijnoverschrijding), niet in een schuld zou worden omgezet als hij voor 2 maart 2019 zijn inburgeringsexamen had behaald, hetgeen hem is gelukt.

2.4

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het tegen de beslissing van

19 juni 2018 gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe overweegt verweerder dat de beslissing van 19 juni 2018, voor zover dit betrekking heeft op de terugbetalingsverplichting van de lening, geen rechtsgevolgen in het leven roept ten opzichte van het besluit van 5 juli 2017 waarin reeds is besloten dat eiser de lening dient terug te betalen. Voor zover het bezwaar gericht is tegen dat besluit van 5 juli 2017 is dat bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

De rechtbank stelt vast dat het besluit van 19 juni 2018, voor zover dit ziet op de terugbetalingsverplichting van de lening, een herhaling is van het besluit van 5 juli 2017. Bij laatstgenoemd besluit is immers al een besluit genomen over de terugbetalingsverplichting. Slechts voor wat betreft de in het besluit van 19 juni 2018 opgenomen hoogte van de terug te betalen schuld, de ingangsdatum van de terugbetaling, de hoogte van het maandbedrag en de rente is (wel) sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gronden in bezwaar zijn niet tegen deze aspecten gericht. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het besluit van

19 juni 2018 niet op rechtsgevolg is gericht, voor zover dit betrekking heeft op de terugbetalingsverplichting van de lening. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn gronden had moeten aanvoeren in een bezwaar tegen het besluit van 5 juli 2017 waarin de terugbetalingsverplichting is vastgesteld. Het besluit van 5 juli 2017 bevat een rechtsmiddelenclausule, zodat eiser kon weten dat hij tegen dit besluit bezwaar moest maken als hij het daar niet mee eens was. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het bezwaar was gericht tegen het besluit van 5 juli 2017 heeft verweerder dat bezwaar eveneens terecht

niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank kan dan ook niet toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de terugbetalingsverplichting en de daartegen door eiser aangevoerde gronden. Het beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het bestreden besluit 2

4. Bij primair besluit van 11 oktober 2018 heeft verweerder eisers verzoek van

27 juli 2018 om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan één van de basisvoorwaarden voor een verlenging van zijn inburgeringstermijn op grond van artikel 2.4c van de Regeling Inburgering, namelijk dat hij niet minstens twee keer heeft geprobeerd examen te doen voor de vakken van het reguliere inburgeringsexamen. Verweerder is gebleken dat eiser pas op 14 februari 2017 heeft gekeken naar examenplekken om de examens lezen, schrijven en spreken te doen. Nu de initiële termijn (in eerste instantie) afliep op 2 maart 2017 heeft eiser de redelijke (aanmeld)termijn van 6 weken niet in acht genomen door slechts 3 weken voor het einde van de initiële termijn pas te gaan kijken of er voor deze vakken nog examenplaatsen beschikbaar waren. Het gevolg dat er op dat moment geen plekken meer beschikbaar waren komen daarom voor rekening en risico van eiser. Verder is niet gebleken van een toezegging van verlenging tijdens het telefoongesprek op 15 februari 2017. Evenmin leidt de herziene beschikking van 25 juni 2018, waarin de nieuwe einddatum van de inburgeringstermijn (achteraf) met 14 weken is verlengd (tot 8 juni 2017) tot een ander oordeel, nu eiser evenmin in die periode aan deze voorwaarde heeft voldaan en pas op

20 februari 2018 de examens Leesvaardigheid en Luistervaardigheid had ingepland. Verweerder heeft bij het bestreden besluit 2 het bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.

5. Eiser voert aan dat er geen grond bestaat om verlenging te weigeren. Er is sprake geweest van onduidelijke communicatie en tegenstrijdigheden aan de zijde van verweerder. Zo is door een medewerker van verweerder aan de hulpverlener (mevrouw [A] ) van eiser op 15 februari 2017 aangegeven dat er gegronde redenen waren om de inburgeringstermijn met twee jaar te verlengen. Dit is eveneens in de brief van 6 maart 2017 bevestigd. Eiser heeft zijn inburgeringsexamen gehaald op 24 mei 2018 en derhalve voor

6 maart 2019. Bovendien komt de door verweerder ingebrachte telefoonnotitie niet overeen met hetgeen mevrouw [A] heeft verklaard over de inhoud van het gesprek. De telefoonnotitie is zeer summier en behelst geen volledige weergave van het gevoerde gesprek. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser hierover te horen.

Voorts staat ook in het primair besluit dat eiser op grond van artikel 32 van de Wet Inburgering een nieuwe termijn krijgt van twee jaar. Aan eiser is niet uitgelegd dat deze verlenging het gevolg zou hebben dat de lening niet een lening zou blijven. Eiser mocht begrijpen dat hij verlenging kreeg en dat de lening niet zou worden omgezet in een schuld.

Verder is het niet aan eiser te wijten dat hij niet voor een tweede keer examen heeft gedaan in de drie nog niet behaalde examenonderdelen. Eiser heeft sinds januari 2017 de website van de DUO in de gaten gehouden om te kijken of hij zich kon opgeven voor de drie benodigde examenonderdelen. De wachttijd bleek echter 3 tot 6 maanden te zijn. Voorts waren er problemen op de website, waardoor eiser zich niet digitaal kon opgeven. Dat eiser niet tijdig kon deelnemen, kan hem niet worden verweten. Dit lag niet in zijn invloedsfeer. Eiser stelt dat in strijd met artikelen 3:2, 3:46, 7:2 en 7:12 van de Awb is gehandeld.

6. De toepasselijke regelgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn dateert van na 1 juli 2018. Dit betekent dat de ruimere voorwaarden van de ‘Regeling Inburgering voor de verlening van ontheffing van de inburgeringsplicht en de verlenging van de termijn per 1 juli 2018’ (verder: de Regeling) op de inburgeringsplichtige van toepassing zijn. Die ruimere voorwaarden komen erop neer, dat niet langer alleen als aan de in die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan verlenging van de termijn kan worden verleend, maar ook in andere gevallen waarin naar het oordeel van verweerder geen sprake is van verwijtbaarheid.

6.2

Ter zitting is gebleken dat verweerder aan zowel de oude als de (voor eiser voordeligere) nieuwe Regeling heeft getoetst.

6.3

De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser niet aan één van de basisvoorwaarden van artikel 2.4c van de Regeling Inburgering heeft voldaan, namelijk dat hij niet minstens twee keer heeft geprobeerd examen te doen voor de vakken van het reguliere inburgeringsexamen. Dat wordt door eiser ook niet betwist.

6.4

De vraag ligt vervolgens voor of op andere gronden sprake is van

niet-verwijtbaarheid aan de zijde van eiser op grond waarvan verweerder in redelijkheid tot verlenging van de termijn zou hebben moeten overgaan. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het navolgende.

6.5

Hoewel de correspondentie en communicatie van verweerder niet altijd even duidelijk is, kan niet gezegd worden dat eiser uit het gesprek op 15 februari 2017 en de brief van 6 maart 2017 had mogen afleiden dat de initiële inburgeringstermijn met toepassing van artikel 2.4c van de Regeling verder zou worden verlengd. Uit de door verweerder overgelegde telefoonnotitie van 15 februari 2017 blijkt niet dat dit door de betreffende medewerker is toegezegd. In de brief van 6 maart 2017 wordt ook een boete opgelegd omdat eiser niet voor 2 maart 2017 heeft voldaan aan de inburgeringsplicht. Voorts is aan eiser een nieuwe termijn van twee jaren tot 2 maart 2019 gegeven om zijn inburgeringsexamen te halen. De rechtbank stelt vast dat deze verlenging van de inburgeringstermijn is gebaseerd op artikel 32 van de Wet Inburgering en dat het geen verlenging van de initiële inburgeringstermijn op grond van artikel 2.4c van de Regeling betreft. Deze verlenging verandert dan ook niets aan de vaststelling dat eiser binnen de aanvankelijk verstrekte termijn van drie jaar niet tijdig aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Dit blijkt ook uit het feit dat een boete is opgelegd. Die boete is in de brief van 5 juli 2107 bevestigd en daarbij is ook de terugbetalingsplicht opgelegd, waarbij met verwijzing naar de brief van

6 maart 2017 nogmaals is vermeld dat eiser niet voor 2 maart 2017, en derhalve niet tijdig aan de inburgeringsplicht heeft voldaan. Verder wordt vermeld dat eiser nog steeds inburgeringsplichtig is en dat hij 2 jaar extra tijd krijgt om in te burgeren. De stelling dat eiser niet hoefde te begrijpen dat de verlenging van 2 jaar niet zag op verlenging van de initiële termijn als bedoeld in artikel 2.4c van de Regeling maar op een nieuwe termijn volgt de rechtbank dan ook niet.

6.6

De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder bij besluit van 25 juni 2018 alsnog (achteraf) de initiële inburgeringstermijn, kennelijk met toepassing van artikel 2.4c van de Regeling, met 14 weken heeft verlengd tot 8 juni 2017 wegens (mogelijke) problemen met de inschrijving voor examens. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te oordelen dat verweerder gehouden was om op die grond een verdere verlenging van de inburgeringstermijn te geven. Eiser heeft zijn inburgeringsexamen pas op 8 mei 2018, en derhalve bijna één jaar na afloop van de verlengde termijn op 8 juni 2017 gehaald. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in die tussenliggende periode ook zodanige problemen waren met (inschrijving voor) examens dat dit hem niet kan worden verweten. Zo heeft eiser pas op 20 februari 2018 de examens Leesvaardigheid en Luistervaardigheid ingepland en niet is aangetoond dat het in die periode niet mogelijk was voor eiser om zich eerder in te schrijven voor die examens.

6.7

Ten aanzien van de stelling van eiser ter zitting in beroep dat hij wegens het overlijden van zijn vader in 2016 erg van slag is geweest en daardoor minder examens heeft kunnen doen, overweegt de rechtbank dat hoewel het begrijpelijk is dat eiser het hiermee zwaar heeft gehad, hij niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij daardoor tot

februari 2018 niet in staat is geweest examens te doen. Eiser heeft ook zelf aangegeven dat hij eerder examens had willen doen.

7. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij niet is gehoord, wat volgens hem niet zonder rechtsgevolgen kan blijven. Nu verweerder het bezwaar op goede gronden kennelijk ongegrond heeft verklaard, kon naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen van eiser worden afgezien. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is op 23 maart 2020 gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. B.P.C. Vonck, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Artikel 2.4c van de Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 2018, nr. 2018-0000037011, tot wijziging van de Regeling inburgering in verband met het aanpassen van de regels omtrent ontheffing en verlenging, zoals in werking getreden op 1 juli 2018

1. De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn op grond van artikel 7b, derde lid, onderdeel a, van de wet in ieder geval indiende inburgeringsplichtige ten minste 300 uur heeft deelgenomen aan een inburgeringscursus of een cursus Nederlands als tweede taal bij een cursusinstelling met het Blik op Werk keurmerk en ten minste twee maal heeft deelgenomen aan de niet behaalde onderdelen van het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal.

2. De Minister verleent verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijn, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, ook als de inburgeringsplichtige een opleiding volgt of heeft gevolgd waarvan de opleiding leidt tot uitreiking van een in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, opgesomd diploma of getuigschrift.

3. De inburgeringsplichtige verstrekt bij de aanvraag om verlenging op grond van het eerste lid een verklaring cursusdeelname en bij de aanvraag om verlenging op grond van het tweede lid een bewijs van inschrijving.

4. De verlenging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor ten hoogste twee jaar verleend. De verlenging, bedoeld in het tweede lid, kan telkens voor ten hoogste twee jaar worden verleend.

Artikel 7 van de Wet inburgering

1. De inburgeringsplichtige behaalt:

a. het inburgeringsexamen, of

b. een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c.

2 Het inburgeringsexamen bestaat uit de volgende onderdelen:

a. het participatieverklaringstraject;

b. de examinering van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen, en

c. de examinering van de kennis van de Nederlandse samenleving.

3 Het college biedt het participatieverklaringstraject, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, aan.

4 Onze Minister biedt de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, aan.

Artikel 7b van de Wet inburgering

1. De inburgeringsplichtige behaalt binnen drie jaar de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c.

2 De termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid, vangt aan op het moment dat de vreemdeling inburgeringsplichtig wordt.

3 Onze Minister verlengt de termijn van drie jaar, genoemd in het eerste lid:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet tijdig behalen van deze onderdelen van het inburgeringsexamen, of

b. eenmalig met ten hoogste twee jaren, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus wordt of is gevolgd voor het verstrijken van die termijn.

Artikel 31 van de Wet inburgering

1. Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, niet binnen de in artikel 7b, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald.

Artikel 32 van de Wet inburgering

Onze Minister stelt in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 31, eerste lid, een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaren waarbinnen de inburgeringsplichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, moet behalen.

Artikel 34 van de Wet inburgering

De bestuurlijke boete kan niet hoger zijn dan:

(…)

c. € 1.250 voor het niet naleven van artikel 7b, eerste lid;