Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3562

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/8611
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regulier; wijziging beperkring verblijfsvergunning in niet-tijdelijk humanitaire gronden ipv bij partner

3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vreemdelingenbesluit 2000

Samenvatting:

Op de aanvraagdatum voldoet eiseres niet aan de voorwaarde dat zij vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vb. Dat eiseres vanwege het drugsgebruik van haar partner van hem wil scheiden en de zorg en opvoeding van haar dochter alleen wil kunnen voortzetten, zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigen. Het beroep op het arrest El Ghatet tegen Zwitserland leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Verhaar).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om het doel van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 10 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan eiseres en haar minderjarige dochter [dochter] zijn met ingang van 18 februari 2016 verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd verleend met als doel ‘verblijf als familie of gezinslid bij [partner] ’ (partner). Deze verblijfsvergunningen zijn geldig tot 18 februari 2021. Op 20 februari 2019 heeft eiseres verzocht om het verblijfsdoel van deze verblijfsvergunningen te wijzigen in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Daarbij heeft eiseres medegedeeld dat zij vijf jaar verblijf heeft gehad als partner bij haar verblijfgever en dat haar dochter een jaar verblijf heeft gehad als minderjarig kind bij zijn ouder.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres op het moment van de aanvraag niet voldoet aan de voorwaarde dat zij vijf jaar in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid. Verweerder is niet gebleken dat tegen eiseres telefonisch is gezegd dat het drie jaar gehuwd samen wonen ook wordt toegepast op niet-gehuwden, zodat eiseres wel aan de voorwaarde voor een zelfstandige verblijfsvergunning zou voldoen. Dat eiseres belang heeft bij een zelfstandige verblijfsvergunning om bij een eventuele scheiding van haar partner de zorg en opvoeding van haar dochter te kunnen voortzetten, is een toekomstige onzekere gebeurtenis en geeft verweerder geen aanleiding om van de beleidsregels af te wijken. Dat eiseres de samenwoning met haar partner acuut wil verbreken, omdat er drugs in de woning van haar partner zijn aangetroffen, maakt dat niet anders. Dat aan de dochter wel een zelfstandige verblijfsvergunning is verleend, leidt volgens verweerder evenmin tot een ander besluit omdat voor minderjarige vreemdelingen andere voorwaarden gelden dan voor meerderjarige vreemdelingen.

3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de belangen van het kind. Eiseres verwijst in dit verband naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake El Ghatet1 op grond waarvan het hogere belang van het kind ‘paramount’ is en altijd een eerste overweging moet zijn. Het is in het belang van haar minderjarige dochter dat eiseres beschikt over een zelfstandige verblijfsvergunning onafhankelijk van haar partner. Nu er drugs in het huis aanwezig zijn, staat de gezondheid van haar dochter op het spel. Eiseres wil scheiden van haar partner, zodat haar dochter niet per ongeluk aan drugs zal overlijden. Eiseres kan dat alleen als zij beschikt over een zelfstandig verblijfsrecht.

4. Op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdende met niet-tijdelijk humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar aanvraag van 20 februari 2019 heeft verzocht om wijziging van haar verblijfsdoel in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’. Daarvoor is de situatie op de datum van de aanvraag bepalend. Op 20 februari 2019 voldoet eiseres niet aan de voorwaarde dat zij vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vb. Zij verblijft op dat moment pas drie jaar in Nederland op basis van een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres daarom niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Het betoog van eiseres op zitting dat zij sinds 2010 een relatie met haar partner heeft met een verblijfsgat van twee jaar wegens vertrek naar Brazilië, betekent niet dat de voorwaarde van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1 van het Vb voor eiseres niet zou mogen gelden.

6. Dat eiseres belang heeft bij het hebben van een zelfstandige verblijfsvergunning omdat zij vanwege het drugsgebruik van haar partner van hem wil scheiden en de zorg en opvoeding van haar dochter wil kunnen voortzetten, zijn geen dusdanig bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder eiseres toch in het bezit moet stellen van de door haar gevraagde vergunning. De eventuele scheiding van haar partner heeft verweerder terecht opgevat als een toekomstige onzekere gebeurtenis die er niet toe kan leiden dat van de beleidsregels wordt afgeweken. Dat eiseres, zoals zij op zitting heeft medegedeeld, inmiddels de relatie met haar partner feitelijk heeft verbroken, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de ex-tunc toetsing kan die omstandigheid niet bij de beoordeling van het bestreden besluit worden meegenomen. Het betoog van eiseres dat zij haar verblijfsrecht vooruitlopend op haar scheiding heeft willen veiligstellen, slaagt daarom evenmin.

7. Het beroep van eiseres op het arrest van het EHRM inzake El Ghatet tegen Zwitserland leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een andere uitkomst. Uit dit arrest volgt dat in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging dienen te vormen en dat aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht moet toekomen. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat eiseres nog in het bezit is van een verblijfsvergunning die haar in staat stelt om gezinsleven uit te oefenen en dat haar dochter zelfstandig verblijfsrecht in Nederland heeft. Een belangafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM vanwege een gedwongen terugkeer van eiseres is daarom hier niet aan de orde. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 april 2020 door mr. M. Wolfrat, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Arrest van 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108, JUD005697110.