Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3560

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 4092
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wajong 2015. Duurzaam geen arbeidsvermogen. Beroep gegrond. Therapie komt vanwege aandoening niet van de grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/4092

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.L. de la Parra),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Puister).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2015 (Wajong) toe te kennen.

Bij besluit van 22 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond1 verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden zijn later aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, alsmede door haar moeder ( [A] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst, ten einde een psychiater als onafhankelijk deskundige te benoemen.

Op 5 oktober 2019 heeft psychiater E. van Duijn (de deskundige) schriftelijk gerapporteerd.

Bij brief van 31 oktober 2019 heeft verweerder gereageerd en een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) meegezonden.

Bij brief van 18 november 2019 heeft eiseres gereageerd.

Bij brief van 3 januari 2020 heeft de deskundige gereageerd op de reactie van de verzekeringsarts b&b.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft verweerder gereageerd op de reactie van de deskundige.

Nadat de termijn waarin partijen konden aangeven of zij behoefte hebben aan een nadere zitting is verstreken, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de datum voor uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandig-heden. Eiseres is geboren op 29 juli 1998. Op 29 juli 2016 heeft zij haar achttiende levensjaar bereikt. Op 8 maart 2017 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Eiseres heeft daarbij vermeld dat zij zowel een autistische als een angststoornis heeft als gevolg waarvan zij diverse klachten ondervindt.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Het bestreden besluit waarbij het bezwaar van eiseres ongegrond is verklaard, berust op de overweging dat iemand alleen voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt als hij of zij volledig én duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. Op grond van de resultaten van het medisch onderzoek is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiseres weliswaar geen arbeidsvermogen heeft, maar dat het ontbreken daarvan niet duurzaam is. Dit standpunt is gebaseerd op de onderzoeken die zijn verricht door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts b&b. De onderzoeksresultaten staan verwoord in het rapportages van de verzekeringsarts van 21 september 2017 en 9 oktober 2017 en de rapport van de verzekeringsarts b&b van 18 mei 2018 en 30 oktober 2019.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat uit de door haar overgelegde medische informatie blijkt dat behandelingen niet van de grond komen. De behandeling bij de psychiater is inmiddels gestaakt en de medicatie slaat niet aan. Eiseres is ook al vanaf 2012 volledig vrijgesteld van de leerplicht. De klachten en beperkingen leiden ertoe dat eiseres niet in staat is om arbeidsvermogen te ontwikkelen waardoor zij duurzaam arbeidsongeschikt is. Omdat de conclusie van verweerder en voormalig behandelend psychiater Hoeksema haaks op elkaar staan, verzoekt eiseres de rechtbank om een deskundige te benoemen. Eiseres heeft zich voorts beroepen op het bepaalde in artikel 3:8a Wajong, in samenhang met de uitspraak van de rechtbank van 8 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:70).

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat de aanspraken van eiseres op een Wajong-uitkering dienen te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen hoofdstuk 1a van de Wajong en niet op de bepalingen in hoofdstuk 3. Op eiseres is het bepaalde in artikel 3:8a niet van toepassing, nu dit artikel uitsluitend van toepassing is voor de Wajongers die vóór 2010 instroomden en eiseres eerst op 8 maart 2017 een aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend.

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat bij eiseres ten tijde in geding de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie ontbraken, omdat zij niet beschikt over basale werknemers-vaardigheden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of deze vaardigheden ook duurzaam ontbreken.

5.2

Voor het wettelijk kader en het toetsingskader dat verweerder hanteert voor de beoordeling van de vraag of een betrokkene beschikt over mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018). In deze zaak wordt volstaan met vermelding dat op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong, jonggehandicapte is de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

5.3

Volgens vaste rechtspraak (zoals bijvoorbeeld in de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 5 april 2018) gaat het bij de vraag naar de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen, om de toekomstige mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. De verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij de betrokkene kunnen ontwikkelen. Dit brengt voor een zorgvuldige besluitvorming mee dat de inschatting van de verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige van de ontwikkeling van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betrokkene aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de situatie van de betrokkene op de datum in geding. In het geval de inschatting van de mogelijkheden tot ontwikkeling berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de betrokkene. Als de betrokkene bezwaar maakt tegen het oordeel dat geen sprake is van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, zullen de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b, rekening houdend met alle medische en arbeidskundige gegevens die in de bezwaarfase voorhanden zijn, voor zover deze betrekking hebben op de datum in geding, beoordelen of de inschatting van het niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen gehandhaafd moet blijven.

6.1

Eiseres heeft lopende de procedure medische gegevens overgelegd, waaronder brieven van haar psychiater van 28 september 2017 en 30 april 2018. Uit deze brieven is af te leiden dat eiseres is aangemeld vanwege een autismespectrumstoornis gepaard gaande met depressiviteit en ernstige sociale angstklachten. Aangegeven wordt dat het resultaat van de behandeling teleurstellend is en dat sprake is van ernstige executieve functiestoornissen. Als gevolg daarvan is eiseres onder andere niet in staat een uur aaneengesloten haar aandacht ergens op te richten, is haar cognitieve flexibiliteit zeer slecht ontwikkeld, haar vermogen om haar gedrag te remmen ook, wordt zij overspoeld door emoties die zij niet kan benoemen of herkennen en is eiseres vaak overprikkeld.

6.2

De rechtbank heeft, gezien deze door eiseres overgelegde medische stukken en het andersluidende standpunt van de verzekeringsartsen, in overleg met partijen besloten om een deskundige te benoemen. Vanwege de aandoeningen van eiseres is gekozen voor een psychiater. Hoewel, zoals ter zitting besproken, het in eerste instantie de bedoeling was dat deze op basis van de stukken over eiseres zou rapporteren, is eiseres uiteindelijk toch in persoon door de deskundige gezien. Naast de reeds in het dossier aanwezige informatie, heeft de deskundige medische informatie opgevraagd bij de huisarts, de psychiater en de GZ-psycholoog van eiseres. De bevindingen van zijn onderzoek heeft de deskundige neergelegd in de rapportage van 5 oktober 2019, en in een aanvullend schrijven van 3 januari 2020. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat eiseres evidente kenmerken heeft van een autismespectrumstoornis met een ernstig tekort in de sociaal-communicatieve wederkerigheid, inflexibiliteit in gedrag en moeilijkheden bij het omgaan van veranderingen. Daarnaast is sprake van een vermijdend, angstig geremd beeld met emotioneel labiliteit en een chronische depressieve stemmingsstoornis. Gezien het voorgaande in samenhang gezien met het zeer geringe therapieresultaat en de ernst van de autismespectrumstoornis is de deskundige van mening dat eiseres duurzaam beperkt is in haar arbeidsvermogen.

6.3

In reactie op het deskundige rapport heeft verweerder aangegeven het standpunt van de deskundige niet te delen. De verzekeringsarts b&b stelt daartoe dat eiseres in 2012 goede vorderingen heeft gemaakt tijdens een intensieve behandeling. Deze behandeling is echter gestaakt omdat de verzekering deze niet meer vergoedde en eiseres de therapie niet kon betalen. De verzekeringsarts b&b stelt dat op basis van deze medische gegevens verbetering in de situatie van eiseres niet kan worden uitgesloten. Voorts zou voor de depressieve- en angstklachten andere medicatie kunnen worden voorgeschreven, waardoor de situatie van eiseres eveneens in de toekomst zou kunnen verbeteren.

7.1

De rechtbank ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:323) geldend uitgangspunt, dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier namelijk voor. Zij overweegt in dat verband voorts dat het onderzoek van de deskundige zorgvuldig en volledig is geweest en dat de conclusies afdoende zijn gemotiveerd. Daarbij neemt de rechtbank met name in aanmerking dat de deskundige eiseres heeft gezien, dat hij de in het dossier aanwezige medische informatie alsmede de nader door hem opgevraagde medische informatie bij zijn oordeel heeft betrokken en dat hij zijn bevindingen op een heldere, inzichtelijke wijze heeft uiteengezet.

7.2

Inhoudelijk heeft de deskundige zowel in zijn rapport als in de nadere reactie van 3 januari 2020 als volgt gereageerd op het standpunt van verweerder. Ten aanzien van dit standpunt – samengevat inhoudend dat in 2012 een behandeling aansloeg, waardoor onduidelijk blijft waarom deze thans niet zou aanslaan – benadrukt de deskundige dat in 2012 weliswaar vorderingen worden benoemd, maar dat deze gericht waren op stabilisatie en bovendien plaatsvond binnen een behandelsetting terwijl daarbuiten nauwelijks verbetering was en sprake van ernstig disfunctioneren. In dit verband acht de deskundige een significante verbetering in het sociaal maatschappelijk functioneren van eiseres, gelet op het gegeven dat zij ernstig geïnvalideerd is door haar ziekte, zeer te betwijfelen. Zelfs in haar kleine, beschermde en vertrouwde omgeving is er immers een zeer laag niveau van functioneren. Tegen deze achtergrond benadrukt de deskundige tevens dat de angst- en depressieve klachten – waarvoor, zo begrijpt de rechtbank, de adequate behandeling volgens verweerder (nog) niet kan worden uitgesloten – sterk gerelateerd zijn aan de belevingen en cognities die voortkomen uit de autismespectrum stoornis. Dit maakt dat dergelijke psychiatrische stoornissen bij patiënten met een autismespectrum stoornis, moeilijker te behandelen zijn, in welk licht de deskundige tevens benadrukt dat bij eiseres sprake is van een autismespectrum stoornis van niveau 3, wat de hoogste mate van ernst is. Dat voornoemde klachten sterk gerelateerd zijn aan de autismespectrum stoornis, heeft volgens de deskundige ook zijn weerslag op de te verwachten resultaten van (nog niet toegepaste) medicatie. Voor een succes van de behandeling is bovendien vrijwel altijd wel enig inzicht vereist, wat eiseres volgens de deskundige in het geheel niet heeft. De deskundige concludeert dan ook dat gezien het zeer geringe therapieresultaat en de ernst van de autismespectrum stoornis met zeer beperkt ziekte-inzicht, eiseres duurzaam beperkt is in arbeidsvermogen.

7.3

De verzekeringsarts b&b heeft naar aanleiding van voornoemd rapport van de deskundige weliswaar herhaald dat behandeling in het verleden tot een verbetering in de situatie van eiseres heeft geleid, maar de rechtbank stelt daarbij vast dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen niet blijkt wat deze behandeling op de datum in geding concreet zou moeten inhouden en hoe en op welke wijze de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij eiseres door de voorgenomen behandeling kunnen ontwikkelen. Veeleer valt uit het rapport op te maken dat de vraag of en zo ja, welke ontwikkelingsmogelijkheden er zijn, volgens verweerder (nog) niet (met zekerheid) kan worden beantwoord. Uit de herhaalde verwijzing naar de weergave van (met name) een brandbrief aan Zorgkantoor Zorg en Zekerheid inzake een afgebroken behandeling bij Curium-LUMC, toen eiseres net 14 jaar was, valt naar het oordeel van de rechtbank immers niet op te maken wat deze behandeling op de datum in geding concreet in zal moeten gaan houden en op welke wijze de behandeling bij zou (kunnen) dragen aan verbetering van de belastbaarheid of ertoe bij zou (kunnen) dragen dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij eiseres kunnen ontwikkelen. Het standpunt van de verzekeringsartsen dat het te voorbarig is om nu reeds iedere verbetering in de toekomst uit te sluiten, is een algemene conclusie die niet is gebaseerd op een op de medische situatie van eiseres toegespitste beoordeling op de datum hier in geding. Dit klemt te meer nu ook psychiater Hoeksema, haar behandelaar op de datum in geding, inzake die medische situatie gemotiveerd heeft aangeven dat eiseres ten gevolge van de aard van de autismespectrum stoornis en de ernstige sociale angst, aanzienlijk beperkt is en dat het resultaat van de behandeling teleurstellend is. Over de situatie na de datum in geding schrijft deze behandelaar vervolgens dat vanwege forse psychiatrische stoornissen, die elkaar versterken, cognitieve vaardigheden niet inslijten en dat het onder andere niet mogelijk is een basis van vertrouwen met de behandelaar op te bouwen, van waaruit een behandeling gestart kan worden. De cognitieve behandeling is daarom gestaakt. Verbetering wordt niet meer mogelijk geacht en het beleid is een passende woonvoorziening met dagbesteding en hulp bij crisis te bieden. In aanvulling hierop benadrukt de rechtbank dat ook de deskundige vaststelt dat behandeling tot nu toe weinig effect heeft gehad dat eiseres sinds 2016 geen intensieve specialistische (dag)klinische behandeling heeft gehad en bovendien ook niet gemotiveerd is voor een dergelijke behandeling wat vaker wordt gezien bij personen met een ernstige vorm van autisme. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit licht nog op dat de gemachtigde van verweerder in zijn brief van 31 oktober 2019 bovendien de (begrijpelijke) vraag opwerpt in hoeverre bij de beoordeling van de duurzaamheid een behandeling moet worden meegewogen die niet wordt vergoed door de zorgverzekeraar en door eiseres zelf wegens het ontbreken van inkomen waarschijnlijk onbetaalbaar is.

8.1

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de inschatting die de verzekeringsartsen geven over hoe de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich bij eiseres kunnen ontwikkelen onvoldoende zijn onderbouwd. Voorts is door verweerder niet onderzocht wat een eventuele behandeling concreet in zou moeten houden en op welke wijze deze behandeling van invloed zou kunnen zijn en met welke concrete resultaten, op de mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid, de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling en de mogelijkheden tot toename van bekwaamheden van eiseres. Door dit na te laten is tevens onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Het bestreden besluit is dan ook in strijd te achten met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

8.2

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Tegen die achtergrond concludeert de rechtbank dat, gelet op de onderzoeksbevindingen van de deskundige en in het licht van de overige medische gegevens, naar haar oordeel in voldoende mate vaststaat dat vanaf 29 juli 2016 sprake is van de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie van eiseres zich niet kunnen ontwikkelen, zodat eiseres duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat eiseres, ingevolge het bepaalde in artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Wajong, recht heeft op een Wajong‑uitkering. De rechtbank ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiseres met ingang van 8 maart 2017 (de datum van haar aanvraag) recht heeft op een Wajong-uitkering. Het besluit van 22 september 2017 zal daarom worden herroepen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.837,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het deskundige bericht, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 22 september 2017 en bepaalt dat eiseres met ingang van 8 maart 2017 recht heeft op een Wajong-uitkering en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 22 mei 2018;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.837,50

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Kraan, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 16 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 In het besluit staat letterlijk: “Wij verklaren de bezwaren gegrond. Dit betekent dat de beslissing gehandhaafd blijft”. Blijkens het verhandelde ter zitting bestond tussen partijen niet langer discussie dat aldaar sprake is van een verschrijving en dat verweerder het bezwaar ongegrond acht.