Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3553

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
24-04-2020
Zaaknummer
C-09-568737-HA ZA 19-188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenrecht. Geschil over erfgrens. Geen verjaring. Schutting moet worden teruggeplaatst op kadastrale erfgrens en overbouw van schuur moet worden verwijderd. Mandelige haag belemmert uitzicht op openbare weg en moet deels gesnoeid worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/568737 / HA ZA 19-188

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

1 [eisende partij sub 1] ,

wonende te [plaats] ,

2. [eisende partij sub 2],

wonende te [plaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. I.C. van der Wiel te Den Haag ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L. Roumen te Leidschendam.

Partijen zullen hierna [eisende partij sub 1 c.s.] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 8 februari 2019 en de daarbij behorende producties 1 tot en met 10;

 de conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 17;

 het tussenvonnis van 1 mei 2019, waarin een comparitie van partijen is bepaald;

 de op 2 mei 2019 ingekomen akte van [gedaagde] , houdende een reactie op de bij de dagvaarding behorende producties;

 de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 11 tot en met 15;

 het proces-verbaal van de descente en comparitie van partijen van 2 december 2019, met daaraan gehecht de ter zitting gemaakte foto’s.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. [gedaagde] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief van 27 maart 2020. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van deze brief gelezen.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar.

2.2.

[gedaagde] is sinds 31 juli 1974 (oorspronkelijk samen met haar inmiddels overleden echtgenoot) eigenaar van het perceel aan de [adres 1] met (met kadastraal nummer [I] , hierna ook aan te duiden als ‘het perceel van [gedaagde] ’).

2.3.

[eisende partij sub 1 c.s.] is sinds 20 augustus 1976 eigenaar van het perceel aan de [adres 2] (met kadastraal nummer [II] , hierna ook aan te duiden als ‘het perceel van [eisende partij sub 1 c.s.] ’).

2.4.

Op beide percelen staat een woning, met aan de voorzijde een voortuin en aan de achterzijde een achtertuin.

2.5.

De woningen zijn via geschakelde garages aan elkaar verbonden. In het verlengde van deze garages ligt aan de voorzijde van de woningen op beide percelen een oprit. Deze opritten worden van elkaar gescheiden door een op de erfgrens gelegen haag. Aan het einde van de haag (bezien vanuit de woningen van partijen) staat een beuk. Aansluitend aan de opritten en de voortuinen van partijen zijn, vanaf de woningen bezien, achtereenvolgens een voetpad, fietspad en vervolgens de openbare weg gesitueerd. Beide partijen gebruiken hun oprit om met de auto vanaf het perceel naar de openbare weg te rijden.

2.6.

Aan het begin van de achtertuin (bezien vanaf de woningen), direct aansluitend aan de geschakelde garages, worden de percelen van partijen door een schutting van elkaar gescheiden. Aan de achterzijde van de tuin, ter hoogte van de aldaar geplaatste schuur in de tuin van [eisende partij sub 1 c.s.] , worden de percelen eveneens door een schutting van elkaar gescheiden. Tussen deze twee schuttingen in worden de percelen van elkaar gescheiden door andere schuttingdelen en een ligusterhaag. Deze erfafscheiding wordt nog onderbroken door een ongeveer 2,5 meter hoge stam van een (inmiddels afgezaagde) berk.

2.7.

Aan de achterzijde van de tuin van [eisende partij sub 1 c.s.] bevindt zich een schuur (hierna ook: ‘de schuur’). [eisende partij sub 1 c.s.] heeft in 2014 de op dat moment aanwezige schuur vervangen door een nieuwe, grotere schuur. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft voorafgaand aan de bouw van deze nieuwe schuur wel een schets aangeleverd bij de gemeente, maar geen omgevingsvergunning aangevraagd.

2.8.

Op 30 augustus 2018 heeft het Kadaster op verzoek van [gedaagde] een kadastrale grensreconstructie uitgevoerd in aanwezigheid van de zoon van [gedaagde] . [eisende partij sub 1 c.s.] was bij deze reconstructie niet aanwezig. De zoon en de klusjesman van [eisende partij sub 1 c.s.] waren wel aanwezig. In het naar aanleiding van de grensreconstructie opgemaakte relaas van bevindingen van het Kadaster staat onder meer en voor zover nu relevant het volgende vermeld:

Omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen

Grens is kant schutting (schutting hoort bij perceel [I] ) en het onzichtbare verlengde daarvan, bij de schuur aangegeven met een krijtstreep op de gevel en achter in de tuin met een verfstreep op de band.”

Bij het relaas van bevindingen van het Kadaster is gevoegd een blad met daarop een schets van de situatie ten aanzien van een deel van de erfgrens in de achtertuinen van partijen en een blad met meetgegevens en waarnemingen met betrekking tot de beide percelen.

2.9.

Bij brief van 4 oktober 2018 heeft de (toenmalig) gemachtigde van [gedaagde] als volgt aan [eisende partij sub 1 c.s.] bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

De haag in de voortuin moet gesnoeid worden

(…) De haag belemmert het zicht van cliënte als zij met haar auto de oprit afrijdt. (…) Cliënt wil dat de haag, van ongeveer 1 meter vanaf de beuk, tot een hoogte van ongeveer 1 meter wordt gesnoeid.

(…)

Het kadaster heeft de grens gereconstrueerd

Op 6 juli 2018 heeft de zoon van cliënte, de heer [A] , u aangesproken op het feit dat u de schutting in het voorjaar van 2018 op de verkeerde plaats hebt neergezet. Het verwijderen van de oude schutting en het plaatsen van de nieuwe schutting hebt u, wederom, zonder overleg gedaan. Omdat u beweerde dat de schutting exact op dezelfde plaats is teruggezet hebben jullie afgesproken dat het Kadaster de erfgrens reconstrueert en dat jullie dan beiden de erfgrens zullen respecteren. De erfgrens is op 30 augustus 2018 gereconstrueerd. Uw zoon en de tuinman waren hierbij aanwezig. Een kopie van de bevindingen van het kadaster vindt u in de bijlage van deze brief.

Uw schuur en schuttingen staan op de grond van cliënte

Zoals de zoon van cliënte op 21 september 2018 met u heeft besproken heeft het Kadaster geconstateerd dat:

de dakgoot van de schuur voor 20 cm in een schuine punt over de erfgrens steekt;

de schutting achteraan in de tuin staat tussen de 32 cm en 45 cm op grond van cliënte;

de schutting bij de garage staat eveneens op grond van cliënte.

Daarbij is met u besproken dat u de erfgrens dient te respecteren en de schuur en schutting dient te verplaatsen. U hebt toen aangegeven hier geen gehoor aan te geven.

(…)”

In deze brief is [eisende partij sub 1 c.s.] gesommeerd binnen veertien dagen het overstekende deel van de dakgoot van de schuur te verwijderen, beide schuttingen te verplaatsen zodat deze volledig op de grond van [eisende partij sub 1 c.s.] staan en te bevestigen dat de haag gesnoeid wordt.

2.10.

Bij brief van 5 december 2018 aan de gemachtigde van [gedaagde] heeft de advocaat van [eisende partij sub 1 c.s.] zich namens [eisende partij sub 1 c.s.] in reactie op voormelde brief van 4 oktober 2018, op het standpunt gesteld, kort samengevat weergegeven, dat:

 de haag aan de voorzijde van de woning maar 1,80 meter hoog is en daarmee onder de wettelijke toegestane hoogte van een erfafscheiding. Verder is er op gewezen dat vooral de beuk het zicht belemmert, dat het snoeien van de haag [gedaagde] dus niet zal baten en dat [eisende partij sub 1 c.s.] de vordering van [gedaagde] afwijzen;

 de situatie met betrekking tot de schutting al was zoals deze nu is voordat [eisende partij sub 1 c.s.] het perceel kochten en dat er sinds zij het perceel hebben gekocht niets is veranderd. Als er een schutting moest worden vervangen, is deze telkens op dezelfde plek teruggezet. Er wordt op gewezen dat er een verschil is tussen de juridische erfgrens en de kadastrale erfgrens en dat de termijnen van verkrijgende verjaring (zowel die voor de bezitter te goeder trouw, als voor de bezitter die niet te goeder trouw is geweest) ruimschoots zijn verlopen. Omdat [gedaagde] bovendien nooit heeft geprotesteerd tegen de bestaande situatie heeft zij haar rechten prijs gegeven en daarom zullen [eisende partij sub 1 c.s.] ook geen gehoor geven aan de vordering van [gedaagde] op dit punt.

 ten aanzien van de gestelde overhangende dakgoot te weinig informatie wordt gegeven en dat aan de hand van door [gedaagde] te verschaffen aanvullende gegevens kan worden bepaald of de dakgoot overhangt. Tevens wordt verwezen naar artikel 5:54 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de mogelijkheid voor [eisende partij sub 1 c.s.] om een erfdienstbaarheid te vorderen voor het gedeelte dat overhangt.

Op deze brief van 5 december 2018 heeft [gedaagde] niet gereageerd. Bij brief van 31 januari 2019 heeft de advocaat van [eisende partij sub 1 c.s.] de gemachtigde van [gedaagde] gevraagd te berichten of [gedaagde] in de situatie berust, bij gebreke waarvan een gerechtelijke procedure gestart zal worden om voor recht te laten verklaren dat er sprake is van verkrijgende verjaring.

2.11.

[gedaagde] heeft bij [de gemeente] (hierna: ‘de gemeente’) een handhavingsverzoek ingediend, gericht tegen de aanwezigheid van de zonder omgevingsvergunning gebouwde schuur. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeente bij brief van 17 januari 2019 aan [eisende partij sub 1 c.s.] bericht dat zij het voornemen heeft om [eisende partij sub 1 c.s.] op straffe van een dwangsom te gelasten binnen dertien weken na de verzenddatum van het nog op te stellen definitieve handhavingsbesluit de schuur te (laten) verwijderen. In deze brief is tevens aangegeven dat de gemeente in beginsel mogelijkheden ziet om alsnog een omgevingsvergunning te verlenen voor de schuur en is [eisende partij sub 1 c.s.] in de gelegenheid gesteld daartoe binnen drie weken een ontvankelijke aanvraag in te dienen.

2.12.

Nadat [eisende partij sub 1 c.s.] een aanvraag heeft ingediend, heeft de gemeente op 29 maart 2019 alsnog een omgevingsvergunning voor de schuur verleend. [gedaagde] heeft tegen het verlenen van deze omgevingsvergunning bezwaar ingediend. Dit bezwaar is bij beslissing van het college van burgemeester en wethouders van 3 oktober 2019 ongegrond verklaard. [gedaagde] heeft beroep tegen deze beslissing op bezwaar ingesteld. Deze beroepsprocedure is nog niet afgerond.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

  1. voor recht te verklaren dat [eisende partij sub 1 c.s.] door verkrijgende verjaring, althans door verjaring van de rechtsvordering van [gedaagde] eigenaar is geworden van het in geschil zijnde stuk grond (naar de rechtbank begrijpt: de strook grond achterin de tuin tussen de schutting en de kadastrale erfgrens);

  2. [gedaagde] op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn mee te werken aan het kadastraal duiden en door het kadaster laten registreren van de eigendom;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de advocaat en de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eisende partij sub 1 c.s.] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat op het moment dat hij eigenaar werd van zijn perceel er een schutting tussen zijn perceel en het perceel van [gedaagde] stond. Deze schutting is wel een aantal keer vervangen of er is in plaats van de schutting beplanting neergezet, maar altijd op dezelfde plaats als waar de schutting voorheen stond. [eisende partij sub 1 c.s.] is (te goeder trouw) uitgegaan van de situatie zoals deze bestond toen hij eigenaar werd van het perceel en is door verkrijgende verjaring eigenaar geworden van het stuk grond tussen de schutting achterin de tuin en de kadastrale erfgrens. Ook als moet worden aangenomen dat [eisende partij sub 1 c.s.] wel op de hoogte had kunnen zijn van de kadastrale erfgrens is hij eigenaar geworden, omdat [gedaagde] meer dan twintig jaar geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om het stuk grond terug te vorderen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en voert daartoe aan dat [eisende partij sub 1 c.s.] de strook grond tussen de kadastrale grens en de schutting bij de schuur pas in het voorjaar van 2015 heeft ‘geannexeerd’, daarvoor stond de afscheiding tussen de percelen op de kadastrale erfgrens. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft in het verleden zelf ook erkend dat de kadastrale erfgrens ook de feitelijke erfgrens is, zodat hij ten aanzien van de huidige locatie van de erfscheiding ook niet te goeder trouw is. De kadastrale erfgrens vormt een rechte lijn en de huidige erfgrens is dat niet meer. Dat [eisende partij sub 1 c.s.] wist dat de erfgrens een recht lijn vormde volgt ook zonder meer uit de door hen in november 2013 overgelegde tekening van de beoogde locatie voor de nieuwe schuur, waarop een rechte erfgrens is getekend. Aan de termijn voor verkrijgende en extinctieve verjaring is dus niet voldaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

i. [eisende partij sub 1 c.s.] te veroordelen om

a) de schutting die ter hoogte van de schuur op het perceel van [gedaagde] is geplaatst te (laten) verwijderen en medewerking te verlenen om deze schutting op de erfgrens te (her)plaatsen, dan wel – subsidiair – [gedaagde] te machtigen om deze schutting op kosten van [eisende partij sub 1 c.s.] op de erfgrens te plaatsen;

b) de schutting die aansluitend aan de garage is geplaatst te (laten) verwijderen en medewerking te verlenen om deze schutting op de erfgrens te (her)plaatsen, dan wel – subsidiair – [gedaagde] te machtigen om deze schutting op kosten van [eisende partij sub 1 c.s.] op de erfgrens te plaatsen;

c) de overbouw van de schuur, waarmee het dak van de schuur voor een breedte van 20 centimeter boven het perceel van [gedaagde] is gebouwd, te verwijderen;

d) medewerking te verlenen aan de snoei van de mandelige haag aan de voorzijde van de woningen van partijen over de lengte van één meter berekend vanaf de aanwezige beuk tot een maximale hoogte van één meter, dan wel – subsidiair – [gedaagde] te machtigen om deze snoei-activiteiten te (laten) verrichten en eventuele kosten voor de helft door [eisende partij sub 1 c.s.] te laten betalen;

e) indien de vordering in conventie van [eisende partij sub 1 c.s.] wordt toegewezen, alle medewerking te verlenen zodat [gedaagde] uit hoofde van het bepaalde in artikel 3:125 BW het bezit terug verkrijgt van de strook grond waarop de schutting ter hoogte van de schuur is geplaatst;

voor recht te verklaren dat het [gedaagde] vrijstaat om over een lengte van één meter vanaf de beuk de mandelige haag van partijen aan de voorzijde van de woning van partijen te snoeien tot een hoogte van één meter;

[eisende partij sub 1 c.s.] te veroordelen in de proceskosten, waaronder een bedrag aan salaris voor de advocaat van [gedaagde] .

3.5.

[gedaagde] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat beide schuttingen en een deel van het dak van de schuur zich bevinden op het perceel van [gedaagde] . Aan het eigendom van het perceel ontleent [gedaagde] de bevoegdheid om de verwijdering van de schuttingen en het dakdeel te vorderen, de schuttingen te laten plaatsen op de erfgrens en het uitstekende deel van de overbouw te laten verwijderen. Daarnaast belemmert de haag aan de voorzijde van de woningen van partijen het zicht op het voetpad, fietspad en de openbare weg. Dit levert een gevaarlijke situatie op en daarom moet [eisende partij sub 1 c.s.] aan de snoei van de haag meewerken.

3.6.

[eisende partij sub 1 c.s.] voert verweer. In aanvulling op hetgeen [eisende partij sub 1 c.s.] in conventie heeft gesteld, voert [eisende partij sub 1 c.s.] aan dat de gemeente inmiddels een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van de schuur. [eisende partij sub 1 c.s.] ontkent dat hij ervan op de hoogte had moeten zijn dat bij de bouw van de schuur een overbouw is ontstaan over de erfgrens van [gedaagde] . Met betrekking tot de haag betwist [eisende partij sub 1 c.s.] dat de haag het uitzicht van [gedaagde] belemmert. Als er al sprake is van een gevaarlijke situatie, dan komt dat omdat de beuk het zicht belemmert. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft voorgesteld de beuk te laten kappen, maar daaraan wil [gedaagde] niet meewerken.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

Vooraf

4.1.

In verband met hun nauwe samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

4.2.

Aanleiding van deze procedure is de nieuwe schuur die [eisende partij sub 1 c.s.] in zijn achtertuin heeft geplaatst. Ter zitting is gebleken dat de bestuursrechtelijke procedure over de omgevingsvergunning voor de schuur die [gedaagde] tegen de gemeente aanhangig heeft gemaakt nog niet is afgerond. [gedaagde] is in beroep gekomen van de beslissing op bezwaar van het college van B & W van de gemeente van 3 oktober 2019. Uitgangspunt in deze procedure is derhalve dat voor de bouw van de nieuwe schuur geen onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend. Die omstandigheid staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de vorderingen in deze civiele procedure. Bestuursrechtelijk kunnen de bezwaren van [gedaagde] tegen de bouw van de nieuwe schuur (in beroep of in hoger beroep) ertoe leiden dat de nieuwe schuur volledig moet worden verwijderd, dan wel mag blijven staan (in het voor [gedaagde] meest gunstige en voor [eisende partij sub 1 c.s.] meest ongunstige geval, respectievelijk in het omgekeerde geval). Civielrechtelijk wordt in deze procedure echter uitsluitend verwijdering van de gestelde overbouw van 20 cm gevorderd. Daarop kan worden beslist los van de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure. Aan dit vonnis kunnen dan ook geen conclusies worden ontleend ten aanzien van de uitkomst van de procedure bij de bestuursrechter. De rechtbank loopt met dit vonnis daarop niet vooruit.

De schutting achterin de achtertuin en daarnaast gelegen strook grond

4.3.

De vordering in conventie sub i heeft betrekking op de strook grond naast de schutting achterin de tuinen (ter hoogte van de (nieuwe) schuur). De vordering in reconventie sub i (a) heeft betrekking op de schutting ter hoogte van deze strook grond. Deze vorderingen zullen in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

4.4.

De schutting naast de schuur staat nu niet op de kadastrale erfgrens. Dit blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde relaas van bevindingen zoals door het Kadaster is opgemaakt en de daarbij gevoegde schets van de situatie met betrekking tot de erfgrens achterin de tuin (bij de schuur) tot aan de haag. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft de juistheid van dit relaas van bevindingen niet betwist. Hij heeft weliswaar gesteld dat de grensreconstructie niet in overleg met hem is uitgevoerd en dat hij daarbij niet aanwezig was, maar zijn zoon en de klusjesman waren wel aanwezig en hij heeft de resultaten van de grensreconstructie niet inhoudelijk betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de grensreconstructie en de vaststelling door het Kadaster dat de schutting achterin niet op de kadastrale erfgrens staat, maar op de grond die volgens de kadastrale registratie eigendom is van [gedaagde] .

4.5.

[eisende partij sub 1 c.s.] beroept zich op verjaring en stelt dat door verjaring de juridische erfgrens afwijkt van de kadastrale erfgrens en dat hij eigenaar is geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de schutting.

4.6.

Op grond van artikel 3:99 lid 1 BW verkrijgt een bezitter te goeder trouw een onroerende zaak door een onafgebroken bezit van 10 jaar. Op grond van artikel 3:105 lid 1 BW verkrijgt hij die een goed bezit dat goed op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De in artikel 3:105 BW bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW) en begint op de dag volgend op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW). Een vereiste voor verkrijgende verjaring is ondubbelzinnig bezit. De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW en volgende. De stelplicht en bewijslast ter zake van de verjaring rusten op [eisende partij sub 1 c.s.]

4.7.

[eisende partij sub 1 c.s.] stelt ter onderbouwing van de verjaring dat de schutting achterin de tuin al sinds hij eigenaar van het perceel werd op dezelfde plek staat. De schutting is wel eens vervangen, maar daarbij altijd herplaatst op dezelfde plek als waar deze voorheen stond. Bij de bouw van de nieuwe schuur is aan de kant van de schutting dezelfde afstand bewaard als voorheen het geval was bij de oude schuur en de nieuwe schuur is geplaatst op de fundering van de oude schuur. De situatie is al ruim veertig jaar zoals deze nu is en [gedaagde] heeft voor het eerst in oktober 2018 schriftelijk kenbaar gemaakt hiertegen te protesteren. De bevoegdheid van [gedaagde] om het betreffende stuk grond terug te vorderen is volgens [eisende partij sub 1 c.s.] ruimschoots vervallen.

4.8.

[gedaagde] voert aan, voor zover nu relevant, dat er veertig jaar lang geen geschil was tussen partijen over de locatie van de schutting. Deze liep in een rechte lijn met als centraal punt de inmiddels afgezaagde berk. Tijdens de bouw van de schuur zijn enige schuttingdelen verwijderd. Deze zijn in eerste instantie teruggeplaatst op de kadastrale erfgrens, waardoor het dak van de schuur over de schutting heen stak. Vervolgens zijn de schuttingdelen verplaatst naar de huidige positie op het perceel van [gedaagde] . Als gevolg van deze verplaatsing vormt de erfafscheiding geen rechte lijn meer, maar is er sprake van een verspringing van ongeveer vijfendertig centimeter ten opzichte van het hart van de ligusterhaag die wel op de erfgrens staat. In de in 2013 in verband met de te bouwen nieuwe schuur bij de gemeente aangeleverde schets heeft [eisende partij sub 1 c.s.] op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat de kadastrale grens volgens hem afwijkt van de juridische grens, aldus nog steeds [gedaagde] .

4.9.

[eisende partij sub 1 c.s.] heeft zijn stelling dat de situatie met betrekking tot de schutting bij de schuur al veertig jaar ongewijzigd is, onvoldoende onderbouwd. [eisende partij sub 1 c.s.] verwijst naar foto’s waaruit volgens hem blijkt dat de nieuwe schuur op de fundering van de oude schuur staat. De rechtbank acht dit niet van belang. De plaatsing van de nieuwe schuur op de fundering van de oude schuur betekent niet dat er ten aanzien van de locatie van de schutting bij de schuur geen wijziging kan zijn opgetreden. Uit de foto’s kan overigens niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid worden opgemaakt dat de nieuwe schuur op de fundering van de oude schuur staat.

4.10.

Daar komt bij dat [gedaagde] als productie 3 bij de conclusie van antwoord een schetsontwerp bijgebouw heeft overgelegd, waarin het bijgebouw (de nieuwe schuur) is ingetekend op de kadastrale tekening. Uit deze schets is geenszins af te leiden dat [eisende partij sub 1 c.s.] op dat moment uitging van een van de kadastrale grens afwijkende juridische grens. Dat zou wel voor de hand liggen als de juridische grens – zoals [eisende partij sub 1 c.s.] stelt – al sinds 1976 afwijkt van de kadastrale grens.

4.11.

Bij deze stand van zaken heeft [eisende partij sub 1 c.s.] zijn stelling dat hij door verjaring rechthebbende is geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de schutting achterin de tuin onvoldoende feitelijk toegelicht. Aan bewijslevering komt de rechtbank gelet hierop niet toe.

4.12.

De vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] om voor recht te verklaren dat hij door verjaring eigenaar is geworden van het in geschil zijnde stuk grond en om [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de kadastrale registratie zijn gelet op het vorenstaande niet toewijsbaar. Omgekeerd vloeit uit het vorenstaande voort dat de vordering van [gedaagde] in reconventie sub i (a) wel vatbaar is voor toewijzing dus zal worden toegewezen. Bij deze stand van zaken heeft [gedaagde] geen belang bij toewijzing van haar vordering sub i (e). Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

Overbouw

4.13.

[gedaagde] vordert in reconventie sub i (c) verwijdering van de overbouw van de schuur. Blijkens het vorenstaande is [eisende partij sub 1 c.s.] geen eigenaar van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de schutting achterin de tuin en moet die schutting worden (terug)geplaatst op de kadastrale erfgrens. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of sprake is van een overbouw over de kadastrale erfgrens. Uit de overgelegde stukken, de descente en het verhandelde ter comparitie blijkt dat die overbouw er is. Dat wordt als zodanig door [eisende partij sub 1 c.s.] ook niet betwist. Hij heeft alleen betwist dat sprake is van overbouw over de feitelijke erfgrens (de schutting) en zich op verjaring beroepen wat betreft de strook grond naast die grens voor zover deze afwijkt van de kadastrale erfgrens. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft wel aangevoerd dat hij alsnog een omgevingsvergunning heeft gekregen voor de schuur, zodat van een illegaal bouwwerk (inmiddels) geen sprake (meer) is. Deze bestuursrechtelijke omgevingsvergunning – die overigens niet onherroepelijk is – laat echter onverlet dat er sprake is van een overbouw en dat [gedaagde] civielrechtelijk kan vorderen om die overbouw te verwijderen, zoals ook volgt uit hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen.

4.14.

De slotsom is dan ook dat de overbouw verwijderd moet worden. De daartoe strekkende vordering van [gedaagde] zal worden toegewezen. Daarbij merkt de rechtbank – ten overvloede – op dat [eisende partij sub 1 c.s.] geen vordering tot handhaving van het bouwwerk op grond van artikel 5:54 lid 1 BW heeft ingesteld en ter zitting is gebleken dat het bouwtechnisch mogelijk is om de overbouw te verwijderen zonder dat de nieuwe schuur helemaal verwijderd hoeft te worden.

Schutting vooraan in de achtertuin

4.15.

[gedaagde] vordert in reconventie sub i (b) verwijdering en verplaatsing van de schutting die aan de voorzijde van de achtertuin, direct aansluitend aan de geschakelde garage staat. Zij voert daartoe aan dat deze schutting door [eisende partij sub 1 c.s.] in het voorjaar van 2018 is verplaatst en dat deze niet meer op de kadastrale erfgrens staat. [eisende partij sub 1 c.s.] betwist dat hij deze schutting heeft verplaatst. Hij voert aan dat de schutting wel is vervangen, maar dat de nieuwe schutting op de locatie van de oude schutting is teruggeplaatst.

4.16.

Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken met betrekking tot de kadastrale erfgrensreconstructie blijkt niet of de schutting aan de voorzijde van de tuin wel of niet op de kadastrale erfgrens staat. In deze stukken is vermeld dat de kadastrale erfgrens aan de voorzijde van de (achter)tuin in het onzichtbare verlengde ligt van een op de gevel aangebrachte krijtstreep. Bij het relaas van bevindingen is een schets gevoegd van de situatie met betrekking tot de erfgrens achterin de tuin (bij de schuur) tot aan de haag. De situatie vanaf de haag tot aan de voorzijde van de tuin blijkt echter niet uit deze schets. Tevens is bijgevoegd een document met daarop meetgegevens en waarnemingen. Naar de rechtbank begrijpt, is hierop de juiste kadastrale erfgrens ingetekend. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen dit document nader toe te lichten. Dat heeft zij nagelaten. Zonder deze nadere toelichting is uit dit document niet af te leiden dat de kadastrale erfgrens op de door [gedaagde] gestelde wijze (vanaf de krijtstreep op de gevel naar het hart van de stam van de berk) loopt en evenmin dat de schutting thans niet op de kadastrale erfgrens staat.

4.17.

[gedaagde] heeft een foto overgelegd waarop de hiervoor al genoemde krijtstreep op de gevel en het begin van de schutting staat (productie 9 bij de conclusie van antwoord). Volgens haar blijkt uit deze foto dat het beginpunt van de schutting zich enkele centimeters op het perceel van [gedaagde] bevindt. Die conclusie kan echter niet aan deze foto worden verbonden. Weliswaar staat de paal waaraan de schutting is vastgemaakt op het perceel van [gedaagde] , maar het beginpunt van de schutting bevindt zich precies onder de krijtstreep op de gevel en daarmee dus precies op de door het Kadaster aangeduide kadastrale erfgrens.

4.18.

[gedaagde] stelt vervolgens dat de schutting niet aansluit op het hart van de berk en dat het hart van die berk de erfgrens is, hetgeen volgens [gedaagde] door [eisende partij sub 1 c.s.] ook expliciet is erkend. Anders dan [gedaagde] stelt, erkent [eisende partij sub 1 c.s.] echter niet dat het hart van de berk de erfgrens is. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft dat in deze procedure uitdrukkelijk betwist en die erkenning kan – anders dan [gedaagde] stelt – ook niet worden afgeleid uit de door [gedaagde] overgelegde brief van 21 maart 1984 van de toenmalig advocaat van [eisende partij sub 1 c.s.] aan de (inmiddels overleden) echtgenoot van [gedaagde] . Weliswaar staat er in die brief vermeld dat “midden tussen de op die scheidslijn aangeplante heg een berk” staat, maar is dat slechts een erkenning dat die berk op de erfgrens ligt (hetgeen ook nu volgens beide partijen het geval is) en niet dat het hart van die berk op de erfgrens ligt.

4.19.

[gedaagde] heeft tot slot nog gesteld dat de kadastrale erfgrens een rechte lijn vormt en dat de huidige schutting aansluitend op de garage niet in een rechte lijn staat. Deze stelling baat haar evenmin. Weliswaar kan uit de overgelegde stukken (waaronder de kadastrale tekeningen) worden afgeleid dat de kadastrale erfgrens inderdaad een rechte lijn vormt, maar er zijn – zoals uit het vooroverwogene blijkt – onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de kadastrale erfgrens op de door [gedaagde] gestelde rechte lijn loopt. Aldus kan haar vordering, die er toe strekt om de feitelijke erfgrens in overeenstemming te brengen met de door [gedaagde] gestelde kadastrale erfgrens, niet worden toegewezen.

4.20.

Hier komt bij dat [eisende partij sub 1 c.s.] gemotiveerd heeft betwist dat hij de schutting in de afgelopen twintig jaar heeft verplaatst. Hij heeft daartoe gesteld dat het terras / de bestrating aan zijn zijde van de schutting ruim twintig jaar geleden is aangelegd en altijd aansloot op de schutting. Indien de schutting zoals [gedaagde] stelt in 2018 zou zijn verplaatst zou dat terras niet meer aansluiten op de schutting. Dit laatste is niet het geval. [gedaagde] heeft hiertegen onvoldoende ingebracht. Zij heeft in het licht van de betwisting door [eisende partij sub 1 c.s.] haar stelling dat [eisende partij sub 1 c.s.] de schutting aan de voorzijde van de tuin recent heeft verplaatst dan ook onvoldoende feitelijk onderbouwd. Hierop stuit de vordering van [gedaagde] af.

Snoei van de mandelige haag

4.21.

Dan resteert nog de beoordeling van de vordering in reconventie sub ii met betrekking tot de snoei van de mandelige haag aan de voorzijde. [gedaagde] stelt terecht dat de rechtsbetrekking tussen partijen met betrekking tot deze haag, die gemeenschappelijk eigendom is, wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de gevorderde snoei niet valt onder het normale onderhoud van de haag. Nu die snoei inbreuk maakt op het gemeenschappelijk eigendom, is [eisende partij sub 1 c.s.] in beginsel gerechtigd te weigeren hieraan mee te werken. Beoordeeld moet worden of de weigering van [eisende partij sub 1 c.s.] om mee te werken aan de snoei van de haag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.22.

Ter zitting is gebleken dat deze haag [gedaagde] hindert in haar uitzicht op voetpad, fietspad en openbare weg wanneer zij de oprit van haar perceel met de auto wil verlaten. De [Weg] is een drukke weg met een aan de percelen van [eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde] grenzend fietspad. Het is uit oogpunt van verkeersveiligheid van belang dat voor beide eigenaren sprake is van goed zicht op de [Weg] . Dit is op te lossen door een klein deel van de haag, aan het uiteinde van de percelen van partijen te snoeien over een lengte van één meter vanaf de beuk tot een hoogte van één meter. De omstandigheid dat aan het einde van de haag de genoemde beuk staat, die het zicht op de [Weg] mede belemmert, maakt niet dat de haag niet gesnoeid hoeft te worden in voormelde zin. Gebleken is immers dat met het snoeien van de haag voldoende zicht ontstaat. Gezien deze weinig ingrijpende oplossing is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eisende partij sub 1 c.s.] aan deze oplossing geen medewerking verleent. Het staat partijen uiteraard vrij in onderling overleg andere oplossingen te treffen, bijvoorbeeld door de gehele haag terug te snoeien tot een door hen beiden gewenste hoogte of te kiezen voor een andere erfafscheiding.

4.23.

De rechtbank zal de vordering in reconventie sub i (d) Van [gedaagde] om [eisende partij sub 1 c.s.] te veroordelen medewerking te verlenen aan de snoei van de haag, althans haar te machtigen de heg te snoeien in het geval [eisende partij sub 1 c.s.] geen medewerking verleent, derhalve toewijzen op na te melden wijze. Nu sprake is van gemeenschappelijk eigendom van de haag, is [eisende partij sub 1 c.s.] ook gehouden de helft van de kosten van de snoeiactiviteiten te betalen.

4.24.

De vordering in reconventie sub ii van [gedaagde] om voor recht te verklaren dat het [gedaagde] vrij staat om de haag zelf te snoeien heeft [gedaagde] gelet op het vorenstaande geen belang. Een en ander laat onverlet dat ieder der deelgenoten van een gemeenschappelijk goed gewoon onderhoud van dat goed zelfstandig mag verrichten (3:170 lid 1 BW). Nadat de haag voor het eerst is teruggesnoeid naar de hoogte van één meter – hetgeen kan geschieden op grond van de veroordeling van [eisende partij sub 1 c.s.] om medewerking te verlenen aan de snoei en de machtiging van [gedaagde] daratoe als die medewerking wordt geweigerd – behoort het bijhouden van de haag tot het normale onderhoud van die haag. [eisende partij sub 1 c.s.] verzet zich hiertegen ook niet.

Slotsom en proceskosten in conventie en in reconventie

4.25.

Uit al het vorenstaande vloeit voort dat ten aanzien van de vorderingen in conventie en in reconventie als volgt zal worden beslist. De veroordelingen in reconventie zullen, zoals gevorderd door [gedaagde] , uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

4.26.

Omdat [eisende partij sub 1 c.s.] in conventie in het ongelijk wordt gesteld en in reconventie grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt [eisende partij sub 1 c.s.] zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten. In conventie worden deze kosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- griffierecht € 81,=

- salaris advocaat € 1.086,= (2 punten à € 543,= volgens tarief II)

Totaal € 1.167,=

4.27.

Omdat de reconventie grotendeels voortvloeit uit het verweer in conventie, wordt het salaris van de advocaat in reconventie gewaardeerd op de helft van de punten in conventie. De kosten in reconventie aan de zijde van [gedaagde] worden aldus begroot op € 543,= (2 punten x 0,5 x € 543,=)

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.167,=;

in reconventie

5.3.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] de schutting achterin de achtertuin ter hoogte van de schuur te (laten) verwijderen en medewerking te verlenen deze schutting ter hoogte van de schuur te (her)plaatsen op de kadastrale erfgrens;

5.4.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] de overbouw van zijn schuur boven het perceel van [gedaagde] te verwijden;

5.5.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] om medewerking te verlenen aan de snoei van de mandelige haag aan de voorzijde van de woningen van partijen over de lengte van één (1) meter vanaf de aanwezige beuk tot een maximale hoogte van één (1) meter;

5.6.

machtigt [gedaagde] om de in 5.5. genoemde snoei uit te voeren indien en voor zover [eisende partij sub 1 c.s.] weigert medewerking te verlenen aan deze snoei;

5.7.

bepaalt dat [eisende partij sub 1 c.s.] gehouden is voor de helft bij te dragen in de kosten van de in 5.5. genoemde snoei.

5.8.

veroordeelt [eisende partij sub 1 c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 543,=;

5.9.

verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.8 uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 22 april 2020