Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3544

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/9533 en AWB 19/9536
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning mensenhandel op basis van wettelijke regeling dus V hoeft geen belangenafweging te maken. Beroep ongegrond, vovo afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 19/9533 en AWB 19/9536

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 9 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster] , geboren op [1992] , van Ugandese nationaliteit, eiseres/verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Flipse),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) van 11 juli 2019 tot het verlengen van de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning afgewezen en haar verblijfsvergunning ingetrokken.

Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen.

De rechtbank heeft het onderzoek met brief van 1 april 2020 gesloten en doet nu uitspraak.

Overwegingen

Intrekking verblijfsvergunning

1. Eiseres is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel van 3 oktober 2017 tot 3 oktober 2018. De geldigheidsduur van de vergunning is verlengd tot 3 oktober 2019. Op 11 juli 2019 heeft eiseres verlenging van haar verblijfsvergunning aangevraagd. Bij het primaire besluit is deze aanvraag afgewezen en is de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken per 10 mei 2019. Bij beslissing van

10 mei 2019 heeft de officier van justitie namelijk besloten om het strafrechtelijk opsporingsonderzoek voortijdig te beëindigen vanwege het ontbreken van rechtsmacht voor een deel van de feiten omdat er geen nadere aanknopingspunten zijn om tot mogelijke verdachten te komen voor de in Nederland gepleegde feiten.

Gronden van beroep

2. Eiseres voert aan dat zij zwaar getraumatiseerd is en niet kan functioneren omdat zij slachtoffer is van mishandeling en misbruik op Nederlands grondgebied. Eiseres heeft het recht om beschermd te worden door de Nederlandse overheid. Verweerder heeft het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en heeft geen rekening gehouden met de zwaarwegende belangen die daarbij een rol spelen. Het is te voorbarig om de verblijfsvergunning in te trekken omdat er nog beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering loopt omdat de strafzaak niet in behandeling is genomen. Verder stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder niet alle omstandigheden heeft meegewogen in de belangenafweging. Eiseres is suïcidaal en heeft intensieve therapie nodig. Eiseres heeft een beroep op verweerder gedaan om haar een verblijfsvergunning te verstrekken op grond van bijzondere omstandigheden. In deze procedure zijn verschillende medische documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij een dergelijke vergunning moet krijgen. Ook is eiseres van mening dat zij tijdens de bezwaarprocedure gehoord had moeten worden.

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan verweerder een verblijfsvergunning verlenen aan degene die slachtoffer en aangever is van mensenhandel, voor zover sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Uit paragraaf B8/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) volgt dat verweerder de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel die aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt, intrekt als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk onderzoek. Bij WBV 2012/16 is de Vc onder meer in die zin gewijzigd dat de beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (beklagprocedure) tegen een sepotbeslissing niet rechtmatig in Nederland mag worden afgewacht. Dit blijkt ook uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2018.1

Mocht verweerder de verblijfsvergunning intrekken?

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning mocht intrekken. Eiseres voldoet namelijk vanaf 10 mei 2019, de datum dat de officier van justitie heeft besloten om het opsporingsonderzoek voortijdig te beëindigen, niet meer aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb. Daarmee is de grond voor verlening van de verblijfsvergunning komen te vervallen. Omdat sprake is van een wettelijk voorschrift op grond waarvan eiseres een verblijfsvergunning had gekregen, hoefde verweerder geen belangenafweging te maken. Verweerder heeft zijn standpunten in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Het standpunt van eiseres dat het voorbarig is om tijdens een beklagprocedure haar verblijfsvergunning in te trekken, volgt de rechtbank niet. Een beklagprocedure op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering geeft namelijk geen verblijfsrecht en mag niet worden afgewacht. De bijzondere omstandigheden die eiseres verder heeft aangevoerd die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, kunnen door verweerder beoordeeld worden tijdens een aanvraagprocedure voor een verblijfsvergunning regulier, op grond van humanitaire redenen, niet-tijdelijk, als bedoeld in paragraaf B9/12 van de Vc.

Hoorplicht

5. Tot stelt eiseres dat zij gehoord had moeten worden in bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Gelet op de inhoud van het bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond over de conclusie dat het bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit.

6. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.

7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 9 april 2020 door mr. G.P. Loman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2018:3309.