Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3538

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/8049
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VK regulier - visumzaak - doel en omstandigheden verblijf - sociale en economische binding - hoorplicht - beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [1974] , van Marokkaanse nationaliteit, eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen [A] , referent en echtgenoot van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Ajdid.

Overwegingen


Inleiding

  1. Eiseres heeft verzocht om haar in het bezit te stellen van een visum kort verblijf.

  2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en gehandhaafd in bezwaar, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende zijn aangetoond. De relatie tussen eiseres en referent is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien stelt eiseres getrouwd te zijn met een in Nederland wonende man. Er bestaan daarom twijfels over het gestelde korte verblijf. Daarnaast woont een zus van eiseres in Duitsland. Op 24 juli 2018 is door eiseres een Schengenvisum aangevraagd om bij deze zus te verblijven. Het hoofddoel lijkt daarom niet daadwerkelijk in Nederland gelegen te zijn. Verder zijn de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond. Daarom bestaat er twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.1 Verweerder heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
    Beroepsgronden

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat het doel en de omstandigheden van het verblijf voldoende duidelijk zijn gemaakt. Uit de vragenlijst blijkt dat referent de echtgenoot is van eiseres. Dit blijkt ook uit de later ingediende huwelijksakte. Verder is ook het gezinsleven duidelijk. Eiseres woont in Marokko en heeft daar haar hoofdverblijf. Referent woont in Nederland en reist jaarlijks naar Marokko om tijd door te brengen met zijn vrouw, eiseres. Het is daarnaast hun wens om ook in Nederland enige tijd samen door te brengen. Verweerder stelt zich ten onrechte op het standpunt dat sprake is van vestigingsgevaar. Eiseres heeft een terugmeldplicht, de afgifte van een paspoort en verstrekking van adresgegevens voorgesteld als waarborgen voor een tijdige terugkeer. Deze suggesties zijn allemaal ongemotiveerd terzijde geschoven. Voorts is eiseres ten onrechte niet gehoord in de bezwaarfase. Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat de sociale binding met Marokko niet is aan te tonen maar er wel is.

Doel en de omstandigheden van het verblijf

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Het is aan eiseres om aan te tonen dat referent haar echtgenoot is. Zoals verweerder terecht naar voren brengt, blijkt uit de ingebrachte kopieën van de paspoorten niet de familierelatie tussen haarzelf en referent. Ook uit de overige stukken – de geboorteakte van eiseres, het familieboekje van haar vader en de toestemmingsverklaring – is niet de familierelatie tussen eiseres en referent af te leiden. De ingevulde vragenlijst valt niet aan te merken als objectief en verifieerbaar bewijs. Pas in beroep heeft eiseres een kopie van een afschrift van de vertaling van de huwelijksakte met een kopie van een apostille ingebracht om de familierelatie tussen haarzelf en referent te onderbouwen. Verweerder kon met dit document geen rekening houden toen hij het bestreden besluit nam. Eiseres had in de bestuurlijke fase ook niet aangekondigd dat de huwelijksakte onderweg was. Niet gebleken is waarom deze huwelijksakte niet eerder kon worden ingebracht. Reeds vanaf het primaire afwijzende besluit kon en moest eiseres weten dat dit stuk van belang zou zijn om de bedoelde familierelatie te onderbouwen. Wat daar verder ook van zij, nu er slechts kopieën van deze stukken zijn ingebracht heeft verweerder terecht naar voren gebracht dat de authenticiteit daarvan niet vastgesteld kan worden en dat deze stukken reeds om die reden geen bewijswaarde toekomt. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de familierelatie tussen eiseres en referent onvoldoende is aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet.
Sociale en economische binding

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in aanmerking heeft kunnen nemen dat de sociale binding van eiseres met haar land van herkomst onvoldoende is aangetoond. Eiseres was ten tijde van de besluitvorming een 45-jarige vrouw. Zoals verweerder terecht naar voren brengt, zijn contra-indicaties voor de sociale binding met Marokko dat de gestelde echtgenoot van eiseres in Nederland woont en dat eiseres familie heeft wonen in Duitsland. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres de zorg draagt voor haar moeder in Marokko. De naam van eiseres haar moeder wijkt op de overgelegde ‘certificat de charge de familie’ en ‘certificat medical’ af van de naam zoals die is omschreven op de geboorteakte en identiteitskaart van eiseres. Dat dit ligt aan verschillende schrijfwijzen en dat dit gebruikelijk is in Marokko heeft eiseres niet onderbouwd met bijvoorbeeld landeninformatie. Verder heeft verweerder mogen betrekken dat niet is gebleken van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres in Marokko heeft. Voor wat betreft de economische binding heeft verweerder onbestreden overwogen dat daar geen sprake van is. Verweerder heeft aldus niet ten onrechte ook het gebrek aan sociale- en economische binding tegengeworpen en daarmee vestigingsgevaar in Nederland aangenomen. Het betoog van eiseres, dat verweerder ongemotiveerd de door haar voorgestelde waarborgen voor terugkeer terzijde heeft geschoven, volgt de rechtbank niet. Verweerder is hierop ingegaan en met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de voorgestelde waarborgen onverlet laten dat niet aan de voorwaarden voor visumverlening is voldaan. De beroepsgronden slagen niet. Verweerder heeft het gevraagde visum aldus terecht geweigerd.
Hoorplicht

6. Over de beroepsgrond van eiseres dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft aan het primaire besluit gemotiveerd ten grondslag gelegd dat het doel en de omstandigheden van eiseres haar voorgenomen verblijf en de sociale en economische binding met eiseres haar land van herkomst onvoldoende zijn aangetoond. Verweerder heeft daarbij expliciet het ontbreken van voldoende onderbouwing van de gestelde familierelatie tussen referent en eiseres benoemd. Gelet op deze gang van zaken was het voor eiseres duidelijk op welke argumenten verweerder, in het licht van de in de aanvraagfase door haar aangeleverde gegevens, de afwijzing in het primaire besluit gegrond had. Van haar kon om die reden worden verwacht dat zij het standpunt van verweerder in de bezwaarfase uitputtend schriftelijk gemotiveerd zou betwisten. Dit is ook gebeurd. De in beroep ingebrachte kopieën konden ook niet tot een andersluidend besluit leiden. Verweerder heeft zich gelet op het bezwaarschrift, bezien in het licht van het primaire besluit, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er daarom op voorhand in redelijkheid geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
Slotoverwegingen

7. Voor zover eiseres alles wat door haar in de bestuurlijke fase is aangevoerd hier als herhaald en ingelast wenst te beschouwen gaat de rechtbank hieraan voorbij. Eiseres heeft niet gespecificeerd of geconcretiseerd dat en op welke punten de reactie hierop in het bestreden besluit inadequaat zou zijn.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2020 door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van

mr. N.J. Brouwer, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze

uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar

uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

mede te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vw staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

1 Dit zijn afwijzingsgronden van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel ii en onderdeel b van de Visumcode.