Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3536

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
04-05-2020
Zaaknummer
C/09/557096 / HA ZA 18-817
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onverschuldigde betaling door DUO van facturen van Stichting voor inburgeringscursussen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/557096 / HA ZA 18-817

Vonnis van 22 april 2020

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP), Dienst Uitvoering Onderwijs te Den Haag,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.E. Ettema te Groningen,

tegen

STICHTING SUCCESS 4 ALL te Zoetermeer,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. Z.M. Nasir te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘DUO’ en ‘de Stichting’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 20 november 2019 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte van DUO van 8 januari 2020, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de antwoordakte van de Stichting van 5 februari 2020, met productie 1;

  • -

    de akte reageren productie van DUO van 4 maart 2020.

1.2.

Aan partijen is gelegenheid gegeven om de rechtbank te wijzen op eventuele onjuistheden in het proces-verbaal van de comparitie op 19 maart 2019. De Stichting heeft bij brief van 2 april 2019 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van de gemaakte opmerkingen gelezen.

1.3.

Bij akte van 24 april 2019 heeft DUO de rechtbank meegedeeld dat de op pagina 6 van het proces-verbaal bedoelde gezamenlijke bespreking tussen partijen, waarbij zij over en weer volledige openheid van zaken zouden geven, niet heeft plaatsgevonden en dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt.

1.4.

In het hiervoor genoemde vonnis in het incident van 20 november 2019 heeft de rechtbank de Stichting bevolen om de in bijlage A bij de akte van 8 mei 2019 van DUO genoemde Fysieke Facturen, met inachtneming van de in bijlage B bij diezelfde akte genoemde doublures, in afschrift aan DUO af te geven.

1.5.

Bij akte van 8 januari 2020 heeft DUO de rechtbank (samengevat) meegedeeld dat de Stichting niet aan het vonnis in het incident heeft voldaan en dat DUO op sommaties om de Fysieke Facturen aan haar af te geven geen enkele reactie van de Stichting heeft gekregen. De Stichting heeft in de antwoordakte van 5 februari 2020 aan de rechtbank meegedeeld dat zij de Fysieke Facturen niet aan DUO heeft kunnen afgeven, omdat zij als gevolg van diefstal en chantage niet meer over deze stukken beschikt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de Stichting bij genoemde akte een proces-verbaal van aangifte van chantage/afpersing overgelegd. Vervolgens is DUO op haar verzoek in de gelegenheid gesteld om bij akte (van 4 maart 2020) op dit proces-verbaal van aangifte te reageren.

1.6.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten (in conventie en in reconventie)

2.1.

DUO is voor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de uitvoeringsinstantie voor wet- en regelgeving met betrekking tot het onderwijs in Nederland. DUO regelt daarbij onder meer de financiering van onderwijs en de organisatie van examens.

2.2.

De Stichting verzorgt onder meer inburgeringscursussen voor personen die op grond van de Wet inburgering verplicht zijn tot inburgering in de Nederlandse samenleving (‘inburgeringsplichtigen’) en die in dat verband de Nederlandse taal moeten leren en een examen of certificaat moeten behalen. Voor de financiering van zijn inburgeringscursus kan een inburgeringsplichtige een lening (van maximaal € 10.000,--) aanvragen, die wordt verstrekt aan de cursus- of exameninstelling die de inburgeringsplichtige aanwijst. Met het geleende bedrag wordt vervolgens de cursus van inburgeringsplichtige bekostigd. De bevoegdheid tot het toekennen van een dergelijke lening is door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegekend aan DUO.

2.3.

Voor de inburgeringsplichtigen die de Stichting hadden aangewezen als cursus- of exameninstelling als bedoeld in de Wet inburgering en die daarvoor een lening toegewezen hadden gekregen, voldeed DUO – nadat zij daarvoor van de Stichting een factuur had ontvangen – de verschuldigde cursusgelden aan de Stichting. Daarbij gold dat de Stichting op grond van de Wet inburgering per inburgeringsplichtige een bedrag van maximaal € 1.250,-- per kwartaal bij DUO in rekening mocht brengen voor haar werkzaamheden. Sinds 1 januari 2018 werden de betreffende facturen, nadat deze door de inburgeringsplichtige via DigiD waren goedgekeurd, digitaal door de Stichting bij DUO ingediend, waarna DUO – na controle – tot betaling aan de Stichting overging.

2.4.

Bij brief van 14 juni 2018 heeft DUO de Stichting gesommeerd om een bedrag van € 320.500,-- aan DUO terug te betalen, omdat de Stichting volgens DUO facturen heeft ingediend voor nog niet verzorgde cursussen of cursusdelen. Bij deze sommatie heeft DUO een overzicht gevoegd, waarop dit bedrag is gespecificeerd met vermelding van de factuurdatum, het bedrag, het Burger Service Nummer (BSN), de datum waarop de factuur is aangeleverd en een verzoeknummer.

2.5.

Op 4 juni 2018 is het voor het verzorgen van inburgeringscursussen en inburgeringsexamens vereiste Blik op Werk-keurmerk van de Stichting ingetrokken op grond van keurmerkonwaardig gedrag, frauduleus handelen en het niet voldoen aan de docentennorm. De Stichting heeft tot 8 juni 2018 de gelegenheid gekregen om haar cursisten daarvan op de hoogte te stellen. Het tegen dit besluit door de Stichting ingediende bezwaar is op 11 oktober 2018 ongegrond verklaard. De Stichting kon pas vanaf 5 juni 2019 opnieuw een keurmerk aanvragen. Daartegen heeft de Stichting beroep ingesteld, waarop ten tijde van de comparitie van partijen nog niet was beslist.

2.6.

In een e-mailbericht van 20 juni 2018 heeft de advocaat van de Stichting – voor zover hier van belang – het volgende aan DUO meegedeeld:

“(…) Zoals ik reeds in mijn e-mail van gisteren heb aangegeven is het voor cliënte erg lastig om te achterhalen op welke facturen de terugvordering precies betrekking heeft. Dit heeft met name te maken met het feit dat op uw lijst niet de factuurnummers worden vermeld, maar hoofdzakelijk bsn en data (het verzoeknummer op uw lijst is niet een factuurnummer, maar een samenvoeging van bsn en datum).(…)

Desalniettemin heeft cliënte – zo goed en zo kwaad als mogelijk – geprobeerd te achterhalen op welke facturen/factuurnummers de terugvordering betrekking heeft, dat wil zeggen welke facturen betrekking hebben op de periode na 1 juli 2018. Deze vermoedelijke facturen heb ik gemakshalve bijgevoegd. Cliënte is bereid – als blijk van goede wil – het bedrag dat met deze facturen gemoeid is terug te betalen, mits er wordt afgezien van het treffen van maatregelen, zodat deze kwestie op ordentelijke wijze kan worden afgewikkeld.”.

In een e-mailbericht van vijf minuten later heeft de advocaat van de Stichting aan DUO geschreven dat het niet lukte om de eerdere e-mail met alle bijlagen te versturen zodat de eerdere e-mail zonder bijlagen is verzonden.

2.7.

Op 27 juni 2018 heeft DUO ten laste van de Stichting conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ING Bank N.V. Tijdens de comparitie van partijen heeft de advocaat van DUO meegedeeld dat dit beslag geen doel heeft getroffen.

2.8.

Uit een proces-verbaal van aangifte volgt dat de bestuurder van de Stichting op 27 juli 2018 bij de politie aangifte heeft gedaan van chantage en afpersing door een ex-werknemer. In het proces-verbaal van aangifte is (samengevat) vermeld dat de ex-werknemer op 25 juni 2018 aan de zoon van de bestuurder heeft verteld dat hij de gegevens van de cursisten en leerkrachten van de school, zoals het BSN, naam, adres, woonplaats, telefoonnummer en andere bij de Stichting bekende gegevens zou doorgeven aan andere scholen en instanties, dat de administratie op dat moment bij controle leek te kloppen, maar dat een paar dagen later werd ontdekt dat er dossiers en gegevens uit de administratie ontbraken. Verder is in het proces-verbaal opgenomen dat de ex-werknemer tijdens een telefoongesprek van ongeveer twee weken later tegen de assistent van de bestuurder van de Stichting heeft gezegd dat de school slecht is en dat hij alle gegevens van de school op een usb-stick heeft. Ten slotte is in het proces-verbaal vermeld dat de ex-werknemer op het moment dat de assistent hem thuis bezocht heeft gezegd dat de Stichting de gegevens tegen betaling van een bedrag van € 2.500,-- terug kan krijgen en dat de assistent de usb-stick tijdens dat bezoek heeft gezien, maar de inhoud niet heeft geopend.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

DUO vordert – na vermindering van eis – de Stichting bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 317.355,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag en een bedrag van € 3.338,21 ter zake van de kosten van beslaglegging, te vermeerderen met de wettelijke rente, een en ander met veroordeling van de Stichting in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Daartoe stelt DUO (samengevat) het volgende. In april 2018 heeft DUO geconstateerd dat er door een fout in haar digitale controlesysteem niet alleen facturen voor het eerste kwartaal, maar ook facturen voor de latere kwartalen van 2018, die de Stichting al klaar had gezet in het systeem, door DUO zijn goedgekeurd. Daardoor zijn ten onrechte facturen betaald die betrekking hebben op cursussen die nog niet door de Stichting zijn verzorgd, waardoor het bedrag van € 1.250,-- dat maximaal per inburgeringsplichtige per kwartaal mocht worden gefactureerd is overschreden. In aanmerking genomen dat in een aantal gevallen een (lagere) deelbetaling aan de Stichting heeft plaatsgevonden, omdat de ‘leenruimte’ van de inburgeringsplichtige al was verbruikt, heeft DUO in totaal een bedrag van € 317.355,50 te veel aan de Stichting betaald. Ondanks daartoe gesommeerd te zijn weigert de Stichting het onverschuldigd betaalde bedrag aan DUO terug te betalen. Door te profiteren van een fout van DUO handelt de Stichting daarnaast ook onrechtmatig jegens DUO.

3.3.

De Stichting voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

De Stichting vordert – na vermindering van eis – DUO te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te voldoen een bedrag van € 81.722,81, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, met veroordeling van DUO in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.5.

Daartoe stelt de Stichting (samengevat) het volgende. DUO heeft een groot deel van de facturen van de Stichting onbetaald gelaten. Voor zover deze facturen betrekking hebben op de periode vóór 8 juni 2018, zijnde het moment waarop de Stichting het Blik op Werk-keurmerk is verloren, moeten deze volgens de Stichting volledig door DUO worden voldaan. De facturen die betrekking hebben op de periode die doorloopt na 8 juni 2018 moeten naar evenredigheid worden betaald, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen facturen die doorlopen tot 1 juli 2018 en de facturen die doorlopen na 1 juli 2018, aldus de Stichting.

3.6.

DUO voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De vraag die ter beantwoording voorligt is of de Stichting gehouden is bedragen die DUO aan haar heeft betaald dient terug te betalen op grond van onverschuldigde betaling, dan wel omdat de Stichting onrechtmatig jegens DUO heeft gehandeld.

4.2.

DUO heeft zich op het standpunt gesteld dat er door een fout in haar digitale systeem ten onrechte facturen zijn betaald die betrekking hebben op cursussen die nog niet door de Stichting zijn verzorgd, dan wel die het maximumbedrag van € 1.250,-- per inburgeringsplichtige per kwartaal overstijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst DUO naar productie 2 bij de dagvaarding, zijnde de specificatie die zij met haar sommatiebrief van 14 juni 2018 aan de Stichting heeft gestuurd, in samenhang met de producties 9 tot en met 11 bij de akte van 8 mei 2019. Volgens DUO blijkt uit de producties 9 en 10 dat de Stichting voor alle BSN’s meerdere facturen met dezelfde factuurdatum, maar met een ander factuurnummer, in het digitale systeem van DUO heeft geplaatst en zo een hoger bedrag dan het maximumbedrag van € 1.250,-- per kwartaal heeft gefactureerd. Zij heeft in het overzicht van productie 11 per inburgeringsplichtige een uitsplitsing gemaakt van de in productie 2 bij de dagvaarding opgenomen facturen. Verder heeft DUO opgemerkt dat bepaalde factuurnummers meerdere keren in het digitale systeem voorkomen.

4.3.

DUO heeft toegelicht dat de in het digitale systeem opgenomen facturen (de Digitale Facturen) alleen het BSN, de naam, de factuurdatum, het bedrag en het factuurnummer laten zien, maar dat daarop niet zichtbaar is op welke cursusperiode of op welk kwartaal de factuur betrekking heeft. Zoals ook is overwogen in 2.9. van het vonnis in het incident van 20 november 2019, is tussen partijen niet in geschil dat alleen op de papieren facturen die de Stichting aan de cursisten uitreikt (de Fysieke Facturen) een omschrijving is vermeld waaruit blijkt op welke periode de facturen betrekking hebben. De Stichting heeft aangevoerd dat DUO haar vordering nader moet onderbouwen door factuurnummers te vermelden, maar uit het voorgaande volgt dat met het vermelden van factuurnummers nog niet is onderbouwd op welke periode de facturen zien. Om haar vordering (nader) te kunnen onderbouwen is het daarom voor DUO van belang dat zij kan beschikken over een afschrift van de Fysieke Facturen, dan wel inzage daarin, zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld op welke periode de door de Stichting ingediende en door DUO betaalde facturen betrekking hebben. Dit geldt te meer omdat DUO onweersproken heeft gesteld dat de door de Stichting ingediende facturen die betrekking hebben op de periode na 8 juni 2018, de datum waarop de Stichting het Blik op Werk-keurmerk is kwijtgeraakt, hoe dan ook onverschuldigd door DUO betaald zijn, omdat dit keurmerk een vereiste is om voor betaling van de facturen in aanmerking te komen. Gelet op het voorgaande is de incidentele vordering van DUO, strekkende tot door de Stichting te verschaffen afschriften van, dan wel inzage in de Fysieke Facturen in het vonnis van 20 november 2019 toegewezen.

4.4.

De Stichting heeft echter nagelaten om een afschrift van de Fysieke Facturen aan DUO te verstrekken en zij heeft DUO evenmin in de gelegenheid gesteld om deze facturen in te zien. In dit verband heeft de Stichting naar voren gebracht dat zij niet meer over de Fysieke Facturen beschikt omdat zij het slachtoffer is geworden van diefstal, ter onderbouwing waarvan de Stichting verwijst naar het door haar overgelegde proces-verbaal van aangifte van 27 juli 2018. Naar aanleiding van het vonnis in het incident is de Stichting naar eigen zeggen nagegaan of zij nog wel beschikt over de stukken die zij op grond van het vonnis aan DUO moet verstrekken, maar dit bleek volgens haar niet zo te zijn. Van de Stichting kan dan ook niet langer gevergd worden dat zij aan het vonnis in het incident voldoet, aldus de Stichting.

4.5.

Dit betoog kan de Stichting naar het oordeel van de rechtbank niet baten. Uit het proces-verbaal van aangifte bij de politie blijkt niet ondubbelzinnig dat de volledige financiële administratie van de Stichting gestolen is. In het proces-verbaal wordt immers alleen vermeld dat een ex-werknemer gegevens van de cursisten en leerkrachten van de Stichting, zoals het BSN, naam, adres, woonplaats, telefoonnummer en andere bij de Stichting bekende gegevens aan andere scholen en instanties wilde doorgeven. Ook uit de opmerking in het proces-verbaal dat die ex-werknemer alle gegevens van de school op een usb-stick heeft gezet, blijkt niet dat ook de Fysieke Facturen tot die gegevens behoren. Dit geldt te meer nu het niet voor de hand ligt dat papieren facturen op een usb-stick kunnen worden opgeslagen. Daar komt nog bij dat – als de Fysieke Facturen al op de usb-stick zouden zijn opgeslagen – daarmee nog geenszins vast staat dat de Stichting niet meer over de Fysieke Facturen beschikt. Zoals DUO in de akte van 5 maart 2020 immers terecht heeft betoogd, bevat een usb-stick doorgaans een kopie van gegevens, wat betekent dat die gegevens dan nog op de broncomputer aanwezig zijn. Ten slotte heeft de Stichting ter onderbouwing van haar vordering in reconventie bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie, ingediend op de rolzitting van 31 oktober 2018, een groot aantal Fysieke Facturen als productie 1 in het geding gebracht en heeft zij in haar conclusie van antwoord in het incident, waarin DUO afgifte van de Fysieke Facturen vorderde, niet aangevoerd dat zij niet meer over deze bescheiden beschikt. Een en ander maakt de bewering van de Stichting dat de Fysieke Facturen in juni 2018 door een ex-werknemer zijn gestolen naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.

4.6.

Het proces-verbaal van aangifte biedt dus onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de Stichting dat zij de Fysieke Facturen niet meer over kan leggen. Doordat de Stichting de Fysieke Facturen niet aan DUO heeft verstrekt, kan niet worden vastgesteld op welke periode de facturen waarover partijen van mening verschillen betrekking hebben en is het voor DUO onmogelijk om haar vordering tot op factuurniveau te onderbouwen. Het risico daarvan moet naar het oordeel van de rechtbank bij de Stichting blijven, nu de Stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat zij een gewichtige reden heeft om de Fysieke Facturen niet aan DUO te verstrekken of ter inzage te geven, terwijl DUO voldoende onderbouwd heeft dat (door een fout in haar digitale controlesysteem) een groot deel van deze facturen onverschuldigd is betaald. Gelet op het bepaalde in artikel 22 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) maakt de rechtbank daaruit de gevolgtrekking die zij geraden acht. Dit betekent dat de vordering in conventie wordt toegewezen. Weliswaar hebben partijen ter gelegenheid van de comparitie van partijen afgesproken dat zij de facturen met betrekking tot het tweede kwartaal van 2018 naar evenredigheid zullen afrekenen per 8 juni 2018 (zie pagina 6 van het proces-verbaal van de comparitie), maar zij hebben daarbij tevens de intentie uitgesproken dat zij over en weer volledige openheid van zaken zouden betrachten. Deze openheid bestond er naar het oordeel van de rechtbank voor de Stichting uit dat zij afschriften zou verstrekken van, dan wel inzage zou geven in onder meer de Fysieke Facturen, zodat vastgesteld kon worden op welke cursusperiode of welk kwartaal zij betrekking hadden. Die openheid is van de zijde van de Stichting uitgebleven, waarna de Stichting in het vonnis in het incident van 20 november 2019 is veroordeeld de Fysieke Facturen over te leggen. Nu de Stichting dit heeft nagelaten en daardoor niet is vast te stellen op welk kwartaal de betreffende facturen zien, is de rechtbank van oordeel dat voor een afrekening naar evenredigheid geen plaats meer is. De vordering van DUO wordt dan ook integraal toegewezen.

4.7.

Voor zover de Stichting in haar akte van 19 juni 2019 nog heeft betoogd dat niet duidelijk is of in de vordering van DUO ook facturen met betrekking tot het eerste kwartaal van 2018, die DUO wel aan de Stichting moet betalen, zijn betrokken, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Zoals hiervoor al is overwogen, is alleen aan de hand van de Fysieke Facturen vast te stellen op welke periode de facturen betrekking hebben. De Stichting heeft nagelaten die Fysieke Facturen aan DUO te verstrekken, zodat de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of DUO de facturen met betrekking tot het eerste kwartaal van 2018 uit haar vordering gefilterd heeft, voor risico van de Stichting moet blijven.

Slotsom en proceskosten in het incident en in conventie

4.8.

Het voorgaande betekent dat de vordering van DUO wordt toegewezen.

4.9.

In het vonnis in het incident van 20 november 2019 is de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak. De rechtbank zal daarom in dit vonnis tevens een beslissing nemen over de proceskosten in het incident. In het vonnis van 20 november 2019 is de incidentele vordering van DUO toegewezen. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de Stichting, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de proceskosten in het incident. Deze kosten worden aan de zijde van DUO begroot op € 543,-- (1 punt x € 543,-- (tarief II)).

4.10.

De Stichting zal tevens als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in de hoofdzaak in conventie worden veroordeeld. De door DUO gevorderde beslagkosten zijn op grond van het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De Stichting heeft tegen de achtergrond van de hiervoor gegeven beslissing in conventie onvoldoende onderbouwd dat DUO ten onrechte tot beslaglegging is overgegaan. De beslagkosten worden begroot op € 300,01 voor verschotten en € 2.402,-- voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.402,-- (tarief VI)).

De kosten in conventie aan de zijde van DUO worden aldus begroot op:

- dagvaarding € 109,61

- verschotten beslag 300,01

- griffierecht 3.946,-- (inclusief beslag)

- salaris advocaat 9.608,-- (4 punten × € 2.402,-- (tarief VI) (inclusief beslag))

Totaal € 13.963,62

in reconventie

4.11.

Volgens de Stichting heeft DUO de facturen die de Stichting als productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie heeft overgelegd ten onrechte niet betaald. In de producties 4 tot en met 6 bij de akte uitlating in reconventie, tevens vermindering van eis, heeft de Stichting haar vordering uitgesplitst in facturen die betrekking hebben op een periode die vóór 8 juni 2018 is geëindigd, facturen die betrekking hebben op een periode die doorloopt na 8 juni 2018, maar die niet eindigen op 1 juli 2018 en facturen die betrekking hebben op een periode die doorloopt na 8 juni 2018 en die loopt tot 1 juli 2018.

4.12.

DUO heeft allereerst betwist dat de Stichting een vorderingsrecht heeft. Volgens DUO is het de inburgeringsplichtige die (mogelijk) aanspraak kan maken op een lening en kan de Stichting geen vordering instellen tot nakoming van de verplichtingen die DUO jegens de inburgeringsplichtigen heeft. Dit verweer slaagt niet, nu de Stichting met voldoende concrete feiten heeft onderbouwd dat de facturen door de Stichting bij DUO worden ingediend en dat de Stichting als door de inburgeringsplichtige aangewezen cursusinstelling op grond van de Wet inburgering de betaling ontvangt. Daarmee acht de rechtbank het vorderingsrecht van de Stichting gegeven.

4.13.

DUO heeft de vordering van de Stichting betwist. Volgens DUO beschikt de Stichting niet over een Blik op Werk-keurmerk en kan een groot deel van de facturen waarvan de Stichting betaling vordert niet betaald worden omdat deze dateren van na het intrekken van het keurmerk. Reeds daarom dient de vordering volgens DUO te worden afgewezen. Verder betwist DUO dat de facturen waarvan de Stichting betaling vordert in het digitale systeem van DUO zijn ingevoerd en daarmee digitale facturen zijn geworden. In de antwoordakte van 19 juni 2019 heeft DUO dit standpunt aan de hand van een aantal voorbeelden onderbouwd. Daarbij heeft DUO verder toegelicht dat een nummer van een niet in het systeem ingevoerde Fysieke Factuur door de Stichting als digitaal factuurnummer voor een andere inburgeringsplichtige is gebruikt en dat de Stichting elf Fysieke Facturen heeft overgelegd die in het digitale systeem een andere factuurdatum hebben. Ten slotte heeft DUO betwist dat de facturen die de Stichting als productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie heeft overgelegd door de inburgeringsplichtigen zijn goedgekeurd en dat de betrokken inburgeringsplichtige in de periode waarop de factuur betrekking heeft ook daadwerkelijk door de Stichting verzorgd onderwijs heeft genoten.

4.14.

In het licht van deze gemotiveerde betwisting van DUO heeft de Stichting naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de facturen die zij als productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie heeft overgelegd in het digitale betalingssysteem van DUO zijn ondergebracht en dat de facturen door de cursist zijn goedgekeurd of dat de cursist daadwerkelijk onderwijs heeft genoten. De door de Stichting overgelegde beeldschermafdrukken (productie 2 en 3 bij de akte uitlaten in reconventie, tevens vermindering van eis) zijn daarvoor in ieder geval niet toereikend, nu daarmee de hiervoor in 4.13. omschreven betwisting van DUO niet wordt weerlegd. Daarnaast stelt de Stichting dat zij via internetbankieren op factuurnummer heeft gezocht, dat zij daarbij geen zoekresultaten heeft gekregen en dat hieruit volgt dat DUO de betreffende factuur niet heeft betaald, maar daarmee miskent de Stichting dat alleen wanneer bij het geven van de betalingsopdracht de juiste referentie wordt vermeld, het factuurnummer gevonden kan worden. Dat de Stichting geen zoekresultaat heeft verkregen, rechtvaardigt dan ook niet de conclusie dat de desbetreffende factuur niet is voldaan.

Slotsom en proceskosten in reconventie

4.15.

Gelet op het voorgaande heeft de Stichting haar vordering tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door DUO onvoldoende onderbouwd, zodat deze wordt afgewezen.

4.16.

De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van DUO worden begroot op € 1.611,--(1,5 punt x tarief € 1.074,-- (tarief IV)) aan salaris advocaat. Voor een veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

in het incident

5.1.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van DUO tot op heden begroot op € 543,--;

in de hoofdzaak

5.2.

veroordeelt de Stichting tot betaling aan DUO van een bedrag van € 317.355,50, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag vanaf 11 juli 2018 tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van DUO tot op heden begroot op € 13.963,62, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 11 juli 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af;

5.7.

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van DUO tot op heden begroot op € 1.611,-- aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 157,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de Stichting niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze kostenveroordeling heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2020.1

1 type: 1988