Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3515

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB 19/9977
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Chavez-Vilchez, zorg- en opvoedtaken, afhankelijkheidsverhouding, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/9977

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. R.C. van den Berg,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 december 2019 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig I. Ziad.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 28 maart 2019 heeft hij een aanvraag ingediend om toetsing aan het EU-recht en verlening van een verblijfsdocument als bedoeld in artikel 9 van de Vw.1 Eiser heeft een minderjarig Nederlands kind ( [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] ) en stelt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez.3 Eiser heeft niet aangetoond dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken voor zijn zoon verricht. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en zijn zoon een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat zijn zoon gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser verblijfsrecht hier te lande wordt geweigerd.

3. Uit de punten 76 tot 78 van het arrest Chavez-Vilchez volgt dat het in beginsel aan de vreemdeling is om de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat hij een verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU ontleent. Het is vervolgens aan verweerder om op basis van die gegevens te onderzoeken of er al dan niet aan zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen de vreemdeling en zijn kind, dat bij weigering aan hem een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.

4. Het beleid van verweerder over de uitvoering van het arrest Chavez-Vilchez staat in par. B10/2.2 van de Vc.4 Daaruit volgt dat vereist is dat de vreemdeling al dan niet gezamenlijk met de andere ouder daadwerkelijke zorgtaken verricht ten behoeve van het minderjarige kind. Zorg- en opvoedingstaken met een marginaal karakter worden niet aangemerkt als daadwerkelijke zorgtaken. Verder is vereist dat tussen de vreemdeling en het kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd. Bij deze beoordeling betrekt verweerder, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder: de leeftijd van het kind, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling en de mate van affectieve relatie zowel met de Nederlandse ouder als met de vreemdeling, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste zou worden gescheiden.

5. In geschil is of eiser zorg- en opvoedtaken verricht met een meer dan marginaal karakter en of er tussen eiser en zijn kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd.

6. Eiser is op 5 augustus 2010 getrouwd met de moeder van [naam 2] . [naam 2] staat sinds zijn geboorte [geboortedatum 2] ) ingeschreven op het adres van zijn moeder in Tilburg. Eiser heeft altijd in Marokko gewoond en zag zijn vrouw en zoon alleen als zij voor een vakantie naar Marokko kwamen. Op 21 november 2016 zijn eiser en zijn vrouw gescheiden. Op 19 maart 2019 is eiser Nederland ingereisd en op 27 maart 2019 is hij ingeschreven in de Basisregistratie Personen, maar op een ander adres dan dat van [naam 2] en zijn moeder.

7. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser een ouderschapsplan overgelegd. In beroep heeft hij betoogd dat hij met het overleggen van dit plan voldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij een verzorgende ouder is voor zijn zoon. De rechtbank volgt dit betoog niet. Verweerder heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat het ouderschapsplan afspraken bevat voor de situatie waarin eiser nog in Marokko woonde en [naam 2] in Nederland bij zijn moeder. In het overgelegde ouderschapsplan staan geen afspraken over de huidige situatie. Daarnaast is het ouderschapsplan op 2 februari 2019 ondertekend en is er niets bekend over afspraken over de verzorging en opvoeding van vóór die datum. Bij de aanvraag en in bezwaar heeft eiser verder een aantal foto’s overgelegd, een verklaring van de moeder, enkele bankafschriften, een verklaring van de basisschool van 31 januari 2019, een vliegticket van [naam 2] en zijn moeder, en eisers arbeidsovereenkomst van 4 april 2019. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook uit deze stukken niet blijkt dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. De moeder van [naam 2] verklaart slechts dat zij graag wil dat haar kind met beide ouders kan opgroeien. Uit haar brief blijkt niet dat eiser al taken verricht. In de verklaring van de basisschool van 31 januari 2019 staat dat eiser [naam 2] elke dag naar school brengt en hem ook weer ophaalt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat aan deze verklaring geen waarde kan worden gehecht, omdat eiser pas sinds 19 maart 2019 in Nederland verblijft. Ten aanzien van de foto’s heeft verweerder terecht opgemerkt dat dit momentopnames zijn. Het vliegticket toont slechts aan dat [naam 2] en zijn moeder een keer naar Marokko zijn geweest. Uit de bankafschriften blijkt verder dat de moeder geld ontvangen heeft, maar het is niet duidelijk of dit geld van eiser afkomstig is, noch waar het geld voor gebruikt is. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat met hetgeen eiser naar voren heeft gebracht niet is gebleken dat eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht.

8. In beroep heeft eiser nog de volgende stukken overgelegd: een (ongedateerde) brief van de moeder van [naam 2] , een verklaring van de basisschool van 27 maart 2019, een verklaring van de basisschool van 19 december 2019 en een uittreksel uit de BRP van 27 december 2019 waaruit blijkt dat klager op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn zoon en de moeder. Deze stukken kunnen niet tot een ander oordeel leiden over de vraag of eiser daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. De moeder verklaart dat zij weer samenwoont met eiser, dat eiser haar helpt met de zorg en dat hij werkt en ook op die manier heeft meegeholpen. Hieruit blijkt niet welke zorg- en opvoedingstaken eiser voor zijn rekening neemt. De basisschool verklaart wederom slechts dat eiser zijn zoon naar school brengt en weer ophaalt. Uit het feit dat eiser staat ingeschreven op het adres van zijn zoon en de moeder, volgt niet dat ook sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken.

9. Ter onderbouwing van de gestelde afhankelijkheidsverhouding met zijn zoon heeft eiser eveneens gewezen op de brief van de moeder en de brieven van de basisschool. Daarin wordt gesteld dat het sinds eisers komst naar Nederland veel beter gaat met [naam 2] . Een nieuwe scheiding van vader en zoon zou schadelijk zijn voor [naam 2] ontwikkeling. Eiser woont ook weer samen met zijn zoon. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, verblijft eiser sinds 19 maart 2019 in Nederland, wat betekent dat er aan de verklaring van de school van 31 januari 2019 geen waarde kan worden gehecht. Aan de verklaring van 27 maart 2019 kan slechts beperkte waarde worden toegekend: in die verklaring staat weliswaar dat eiser [naam 2] iedere dag naar school brengt en weer ophaalt, maar eiser verbleef op dat moment pas een week in Nederland, zodat deze verzorgende taken beperkt zijn in tijd. De verklaring van de basisschool van 19 december 2019 vermeldt dat [naam 2] is opgebloeid sinds eisers komst naar Nederland: hij zit lekkerder in zijn vel, is niet meer teruggetrokken en wil graag meedoen met naschoolse activiteiten. Hiermee is echter niet onderbouwd dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat het geestelijk evenwicht of de ontwikkeling van [naam 2] in gevaar komt als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Eerst ter zitting is daarnaast nog een tweede verklaring van de basisschool van 31 januari 2019 overgelegd. De directeur van de basisschool schrijft daarin dat [naam 2] erg gehecht is aan zijn vader en dat het gemis zich laat gelden in de opvoeding. [naam 2] reageert snel emotioneel en het gemis van zijn vader kan een belemmering worden bij het ontwikkelen, nu en in latere levensjaren, aldus de directeur. De rechtbank stelt voorop dat niet valt in te zien waarom deze verklaring niet al bij de aanvraag of in bezwaar is overgelegd. Eiser heeft dit niet kunnen uitleggen. Verder geldt ook voor deze verklaring dat deze ziet op de periode dat eiser nog in Marokko woonde. Bovendien is niet duidelijk hoe de directeur van de basisschool tot de genoemde feitelijke bevindingen en zijn daaraan gekoppelde conclusie is gekomen. Ter zitting is tot slot nog aangevoerd dat de moeder medische klachten heeft en dat [naam 2] daarom nog meer van eiser afhankelijk is. Deze medische klachten zijn echter in het geheel niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De conclusie is dan ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen hem en zijn zoon een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat zijn zoon gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als eiser verblijfsrecht hier te lande wordt geweigerd.

10. Tot slot heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2020.5 De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Het gaat om verschillende gezinssituaties en de zorg- en opvoedingstaken en afhankelijkheidsrelatie zijn in de genoemde gevallen anders onderbouwd. De beroepsgrond faalt.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Vreemdelingenwet 2000.

2 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, C-133/15.

4 Vreemdelingencirculaire 2000

5 ECLI:NL:RBDHA:2020:324