Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
AWB 20/931
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar, mvv, verblijf als familie- of gezinslid, geen spoedeisend belang, verzoek afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/931

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J. Paffen,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 19 november 2019 (het primaire besluit). Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

  1. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. De voorzieningenrechter treft namelijk op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Van onverwijlde spoed is sprake als de uitkomst van de bodemprocedure – in dit geval dus de bezwaarprocedure – niet kan worden afgewacht.

  2. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

  3. Verzoekster is geboren op 24 mei 2019 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Zij verblijft met haar moeder in Turkije. Op 20 oktober 2019 heeft [naam 2], de (gestelde) vader van verzoekster (referent), namens haar een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

  4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorziening te treffen waarin wordt bepaald dat verweerder aan verzoekster en haar moeder een mvv of een visum moet verstrekken zodat zij de uitkomst van de bezwaarprocedure in Nederland kan afwachten. Het spoedeisend belang is volgens verzoekster gelegen in het feit dat zij een knobbel in haar hoofd heeft waaraan zij zo spoedig mogelijk geopereerd moet worden. Zij verblijft op dit moment samen met haar moeder illegaal in Turkije. De benodigde operatie is zeer kostbaar en artsen willen verzoekster niet opereren vanwege haar status als illegale vreemdeling. Ter onderbouwing heeft zij een verklaring van een arts in Turkije overgelegd (met vertaling), gedateerd op 23 januari 2020. Verder is aangevoerd dat referent psychische problemen ondervindt vanwege de slechte gezondheidssituatie van zijn dochter en dat ook daarin een spoedeisend belang is gelegen. Ter onderbouwing is een brief van zijn huisarts overgelegd, gedateerd op 18 december 2019.

  5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van ‘onverwijlde spoed’. Uit de verklaring van de Turkse arts blijkt weliswaar dat verzoekster een operatie nodig heeft, maar niet dat zij deze operatie niet in Turkije zou kunnen ondergaan. De stelling dat de operatie in Turkije te kostbaar is of dat de artsen aldaar verzoekster niet willen opereren, is in het geheel niet onderbouwd. Niet is gebleken dat verzoekster de operatie alleen in Nederland zou kunnen ondergaan. Uit de brief van de huisarts van referent blijkt dat hij veel zorgen heeft over de gezondheid van zijn dochter en dat hij daardoor stress en depressieve gevoelens ervaart. Hoewel het begrijpelijk is dat referent veel zorgen heeft, is dit onvoldoende om te kunnen spreken van ‘onverwijlde spoed’.

  6. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2020.

De voorzieningenrechter is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.