Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3467

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
18/8342
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende? Eiseres wordt door de omvangrijke uitbreiding in haar belang geraakt. Relativiteit? Eiseres komt geen beroep toe op luchtkwaliteitseisen die bescherming moeten bieden aan de mensen die in de schoolgebouwen verblijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/8342


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2020 in de zaak tussen

de stichting Bewonersorganisatie Leidschenveen, te Den Haag, eiseres

(gemachtigde: mr. drs. J. Rutteman),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M.J.F.P. Larive-Bonsen).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vereniging The British School in the Netherlands, te Den Haag, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het veranderen en oprichten van gebouwen op het campusterrein Vrouw Avenweg 640 in Den Haag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Namens eiseres zijn [A] en [B] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Voor haar is tevens verschenen deskundige [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster zijn [D] en [E] verschenen.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster is een internationale school met vestigingen in onder meer Den Haag. Op 2 maart 2018 heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd. Deze aanvraag ziet op het renoveren en uitbreiden van een bestaand schoolgebouw aan de Vrouw Avenweg 640 in de wijk Leidschenveen in Den Haag.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verweerder heeft aan dit besluit onder meer ten grondslag gelegd dat ter plaatse van het schoolgebouw wordt voldaan aan de wettelijke normen met betrekking tot geluid en luchtkwaliteit.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden gelet op de slechte luchtkwaliteit ter plaatse van het schoolgebouw. In dit verband wijst eiseres erop dat een schoolgebouw een gevoelige bestemming is en dat gevoelige bestemmingen volgens het RIVM en volgens het beleid van verweerder niet gerealiseerd mogen worden binnen 300 meter van een snelweg. Het perceel waarop het bestreden besluit betrekking heeft, bevindt zich binnen 300 meter van de rijksweg A12. Verder voert eiseres aan dat het GGD‑advies waarop verweerder zich heeft gebaseerd gebreken vertoont. Volgens eiseres wordt hierin onvoldoende gemotiveerd wat de effectiviteit is van de ventilatie- en zuiveringsmaatregelen die de GGD voorstelt. De slechte luchtkwaliteit ter plaatse is volgens eiseres schadelijk voor het daar verblijvende schoolpersoneel en de leerlingen.

Haar beroepsgronden ten aanzien van de geluidbelasting op het schoolgebouw heeft eiseres ter zitting ingetrokken.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Belanghebbendheid

4.1.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres in deze procedure als belanghebbende kan worden beschouwd.

4.2.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

4.3.

In de rechtspraak is nader verduidelijkt dat een rechtspersoon belanghebbende is als deze door een besluit feitelijk wordt geraakt in een statutair belang. Daarbij is niet relevant of dit belang wordt beschermd door de wettelijke regeling waarop het besluit steunt.1

4.4.

Uit artikel 2 van de oprichtingsakte van eiseres blijkt dat zij zich onder meer ten doel stelt het bevorderen van een sociale, veilige, gezonde en duurzame woon-, leef- en werkomgeving binnen de wijk Leidschenveen, gelegen binnen het stadsdeel Leidschenveen Ypenburg van de Gemeente Den Haag.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat eiseres onder meer opkomt voor een gezonde woon- en leefomgeving binnen haar werkgebied. Eiseres heeft ter zitting overtuigend toegelicht dat zij hiertoe in ruime mate feitelijke werkzaamheden ontplooit.

4.6.

In deze zaak heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een omvangrijke uitbreiding van haar schoolgebouw. Deze bebouwing ligt binnen het werkgebied van eiseres, de wijk Leidschenveen. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen de vergunde activiteiten een ruimtelijke ontwikkeling die gevolgen heeft voor de woon- en leefomgeving in Leidschenveen. Dit betekent dat eiseres door het bestreden besluit feitelijk wordt geraakt in een belang dat zij blijkens haar statuten en haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt.

4.7.

De conclusie van het voorgaande is dat eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit.

Relativiteit

5. Vervolgens is in geschil of het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit het geval is, nu de bepalingen die eiseres heeft ingeroepen kennelijk niet zien op bescherming van haar belangen.

5.1.

Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.2.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de belanghebbende door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de belanghebbende.

5.3.

De rechtbank begrijpt uit het beroepschrift van eiseres dat zij zich beroept op de luchtkwaliteitseisen uit afdeling 5.2 van de Wet milieubeheer en op het door verweerder gevoerde beleid inzake luchtkwaliteit. Naar het oordeel van de rechtbank strekken deze door eiseres ingeroepen bepalingen kennelijk niet tot bescherming van haar belangen. De door eiseres ingeroepen regelgeving inzake luchtkwaliteit en het door verweerder gevoerde beleid beogen primair het belang van de (toekomstige) gebruikers van het schoolgebouw te beschermen. Het belang van deze (toekomstige) gebruikers is geen belang dat eiseres, gelet op haar doelstelling, behartigt. Naar het oordeel van de rechtbank voert het te ver om, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd, uit de doelstelling van eiseres af te leiden dat zij opkomt voor de belangen van eenieder die zich in Leidschenveen bevindt, onder wie degenen die in het schoolgebouw aan het werk zijn of daar onderwijs volgen. Dit klemt temeer nu vergunninghoudster ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat de vertegenwoordigende organen van zowel het schoolpersoneel als de leerlingen en hun ouders, zich achter het bouwplan hebben geschaard. Dat betekent dat eiseres in deze procedure niet opkomt voor een eigen belang, maar voor de belangen van personen die kenbaar hebben gemaakt dat zij daarop geen prijs stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een situatie die de wetgever met het stellen van het relativiteitsvereiste heeft willen voorkomen.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat. Dat betekent dat een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres achterwege kan blijven.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y.D. David, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 6 april 2020.

griffier

rechter

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3854