Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:3447

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7060
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergunning Wabo. Het bestreden besluit bevat geen bespreking van de inhoudelijke bezwaargronden van eiseressen. Evenmin wordt uit het bestreden besluit duidelijk waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/7060

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

Wereldhave Nederland B.V. en Wereldhave Management Nederland B.V., te Schiphol, eiseressen (gemachtigde: mr. A. Kamphuis),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Lever).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Discount Pet Center B.V., vergunninghoudster, te Arnhem (gemachtigde: mr. L.J. Gerritsen).

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan vestigen van een winkel voor dierbenodigdheden (Jumper) aan de Zijlbaan 30 te Leiderdorp.

Bij besluit van 4 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard.

Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Namens eiseressen is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft op 14 augustus 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een vestiging van Jumper met een oppervlakte van ongeveer 1.000 m² aan de Zijlbaan 30 te Leiderdorp.

1.1

Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend voor de duur van tien jaar met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, elfde lid, van Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.2.

Wereldhave Nederland B.V. en Wereldhave Management Nederland B.V. zijn eigenaar respectievelijk verhuurder van winkelcentrum De Winkelhof in Leiderdorp. Dit winkelcentrum ligt op ongeveer 1 kilometer afstand van de Zijlbaan 30. Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

1.3.

Verweerder heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. Bij uitspraak van 13 juli 2018 (zaaknummer SGR 18/4099) heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar van eiseressen. De rechtbank heeft verder bepaald dat verweerder aan eiseressen een dwangsom verbeurt voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden.

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Eiseressen kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit. Zij betogen – samengevat weergegeven – dat de vergunde activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat ook de Provinciale Verordening Ruimte 2014 (hierna: de Verordening) aan vergunningverlening in de weg stond. Voorts heeft verweerder ten onrechte nagelaten de verbeurde dwangsommen te voldoen, aldus eiseressen.

4. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiseressen geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit. Subsidiair heeft verweerder gesteld dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat het bestreden besluit wordt vernietigd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegezegd dat de verbeurde dwangsommen ter hoogte van € 3.400,- alsnog zullen worden betaald. Eiseressen hebben de beroepsgrond die hierop zag vervolgens ingetrokken.

Belanghebbendheid

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseressen geen rechtstreeks belang hebben bij het bestreden besluit. Volgens verweerder zijn eiseressen als vastgoedeigenaar en verhuurder van winkelruimte niet werkzaam binnen hetzelfde marktsegment als vergunninghoudster. Het bestreden besluit heeft volgens verweerder ook geen gevolgen voor de verhuurbaarheid van winkels in winkelcentrum De Winkelhof. Tot slot wijst verweerder erop dat winkelcentrum De Winkelhof ruim 1 kilometer verwijderd is van winkelcentrum De Baanderij, waar de vergunde activiteit plaatsvindt. Gelet op die afstand werken eiseressen en vergunninghoudster volgens verweerder niet in hetzelfde verzorgingsgebied, zodat zij ook om die reden niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

6.1.

Uit vaste rechtspraak volgt dat degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende is. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de vestiging van een detailhandelsvestiging is dat het geval als een concurrerende vastgoedeigenaar in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als waarbinnen de vergunde detailhandelsvestiging is voorzien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:183). Van belang hierbij is dat niet is uitgesloten dat het bestreden besluit nadelige gevolgen zal hebben voor de verhuurbaarheid van de panden van de concurrent (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRvS van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2897).

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen eiseressen als belanghebbenden te worden aangemerkt. Vast staat dat winkelcentrum De Winkelhof zich op beperkte afstand
– circa 1 kilometer – bevindt van winkelcentrum De Baanderij, waarin de winkel van vergunninghoudster is gevestigd. Verder is niet in geschil dat de vergunde vestiging van Jumper, gelet op de ter plaatse geldende bestemming, ook gevestigd had kunnen worden binnen winkelcentrum De Winkelhof. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiseressen dan ook werkzaam in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als vergunninghoudster. Tot slot kan niet worden uitgesloten dat de vestiging van Jumper in winkelcentrum De Baanderij nadelige gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van winkelruimte in winkelcentrum De Winkelhof, nu deze winkelruimte als gevolg van de vestiging van Jumper in De Baanderij minder aantrekkelijk wordt voor het vestigen van winkels in dierbenodigdheden.

6.3.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseressen ontvankelijk is.

Relativiteit

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep van eiseressen afstuit op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens verweerder strekken artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2º van de Wabo en artikel 2.1.4 van de Verordening kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eiseressen.

7.1.

De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Ten aanzien van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2º, van de Wabo geldt dat dit een regel is die is gesteld in het kader van de goede ruimtelijke ordening, waarvan het behouden en herstellen van een uit ruimtelijk oogpunt goed woon-, werk- en ondernemersklimaat een onderdeel vormt. Het is vaste rechtspraak dat dit ruimtelijke belangen zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de AbRvS van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit artikel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van eiseressen. Het is immers niet op voorhand uitgesloten dat de vestiging van Jumper – een omvangrijke winkel in dierbenodigdheden – op de Zijlbaan 30 gevolgen zal hebben voor het ondernemersklimaat, door een vermindering van het aantal klanten in winkelcentrum De Winkelhof en een verschraling van het winkelaanbod in dat winkelcentrum.

7.2.

Met betrekking tot artikel 2.1.4 van de Verordening geldt het volgende. In de artikelsgewijze toelichting bij dit artikel staat dat het behouden en versterken van de zorgvuldig opgebouwde ruimtelijke detailhandelsstructuur en het behouden en versterken van vitale en sterke centra, één van de beoogde doelen van het detailhandelsbeleid is. Nu eiseressen eigenaar en verhuurder zijn van een nabijgelegen winkelcentrum waarin detailhandel is gevestigd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 2.1.4 van de Verordening kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen.

7.3.

Gelet op het bovenstaande stuiten de beroepsgronden van eiseressen niet af op het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb. De rechtbank zal deze beroepsgronden inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling

8. Ter plaatse van het betrokken perceel geldt het bestemmingsplan ‘De Baanderij’ (het bestemmingsplan). Op het perceel rust de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Tussen partijen is niet in geschil dat het vestigen van een dierenwinkel op het perceel in strijd is met deze bestemming.

8.1.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

8.2.

In artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening staat dat hierin, tenzij hierin anders is bepaald, onder bestemmingsplan mede wordt verstaan:

[…]

c. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken.

In artikel 2.1.4 eerste lid wordt het volgende vermeld:

Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden:

a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;

b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van

herallocatie.

In het derde lid wordt, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel:

a. detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet

goed inpasbaar is in de centra:

iii. meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting

en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens,

badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt

binnen de bedrijventerreinen met PDV-locaties waarvan de plaats geometrisch is

bepaald en verbeeld op ‘Kaart 2 Detailhandel’.

8.3.

Het betrokken perceel is aangewezen als ‘Bedrijventerrein met PDV-Locatie'. In het Programma ruimte van verweerder staat dat PDV-locaties zijn aangewezen voor grootschalige detailhandel in meubelen (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting) en voor detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s.

8.4.

De bezwaarschriftencommissie heeft in haar advies van 29 juni 2018 geconcludeerd dat uit het primaire besluit niet volgt waarom de vergunde activiteit verenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. Een motivering op dit punt ontbreekt volgens de bezwaarschriftencommissie volledig. De bezwaarschriftencommissie heeft verder geconstateerd dat er geen vooroverleg en afstemming heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de provincie en dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met de ladder voor duurzame verstedelijking zoals opgenomen in artikel 2.1.4 van de Verordening.

8.5.

Verweerder heeft het advies van de bezwaarschriftencommissie niet overgenomen en het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de opmerking dat getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid van artikel 2.1.4 van de Verordening met de Europese Dienstenrichtlijn. Daarnaast heeft verweerder erop gewezen dat de brancheringsregeling uit de Verordening onderwerp is van een procedure bij de AbRvS. Het bestreden besluit bevat geen enkele bespreking – laat staan een weerlegging – van de inhoudelijke bezwaargronden van eiseressen. Evenmin wordt uit het bestreden besluit duidelijk waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Gelet hierop ligt aan het bestreden besluit geen deugdelijke motivering ten grondslag. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 7:11 en 7:13, zevende lid, van de Awb.

8.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, aangezien verweerder nog geen inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de bezwaar- en beroepsgronden van eiseressen. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarin, aan de hand van de bezwaargronden van eiseressen, alsnog een volledige heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt.

8.7.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat een termijn van acht weken nodig is voor het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. Omdat verweerder reeds eerder de beslistermijn ruimschoots heeft overschreden en hij na de onder 1.3 vermelde uitspraak niet binnen de gestelde termijn het bestreden besluit heeft genomen ondanks dreiging van dwangsommen, ziet de rechtbank aanleiding om – zoals eiseressen hebben verzocht – een dwangsom te verbinden aan het schenden van de beslistermijn van acht weken.

8.8.

De rechtbank zal bepalen dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank zal voorts met toepassing van 8:72, zesde lid, van de Awb bepalen dat verweerder een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 20.000,-.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting in de bezwaarfase, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze

uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseressen met

inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan eiseressen een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke

dag waarmee hij de termijn van acht weken overschrijdt, met een maximum van

€ 20.000,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan eiseressen te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van

€ 2.100,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.